ECLI:NL:GHARL:2026:1719

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.346.142/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie door rood rijden bij driekleurig verkeerslicht

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het negeren van een rood verkeerslicht op 30 november 2023 in Rotterdam. De gemachtigde stelde dat het beroep te laat was ingediend vanwege technische beperkingen bij het digitaal indienen zonder machtiging van de leasemaatschappij.

Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat het digitale systeem geen pro forma beroep zonder machtiging toestond en hierover onvoldoende werd geïnformeerd. Daarom werd de beslissing van de kantonrechter en officier van justitie vernietigd en het beroep alsnog inhoudelijk beoordeeld.

De betrokkene voerde overmacht aan vanwege een naderend voorrangsvoertuig, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Foto's toonden geen aanwijzingen voor een brandweerauto of noodsituatie. Het hof verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond en handhaafde de boete van €280.

Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken op 20 maart 2026 te Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie wegens door rood rijden wordt ongegrond verklaard en de boete van €280 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.346.142/01
CJIB-nummer
: 262779486
Uitspraak d.d.
: 20 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2024, betreffende

[betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is [naam], wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De griffier van het hof heeft nadere informatie opgevraagd bij de advocaat-generaal. Deze informatie is ingekomen op 7 januari 2026.
De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld om op die informatie te reageren. Van de gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat volgens de inleidende beschikking daartegen (zo nodig) in beroep moet worden gegaan voor 24 januari 2024. Bij het online in beroep gaan werd gevraagd om een machtiging van [betrokkene]. Het verstrekken van een machtiging liep buiten de schuld van de gemachtigde van de betrokkene vertraging op. De gemachtigde van de betrokkene ontving online een nieuw tijdslot, tussen 26 januari 2024 en 29 januari 2024. Hij heeft zich aan dit tijdslot gehouden. Hij kon niet pro forma in beroep gaan omdat hij niet verder kon klikken als de machtiging niet was aangevinkt.
3. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de (gemachtigde van de) betrokkene is toegestuurd.
4. De inleidende beschikking is op 13 december 2023 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 24 januari 2024. Op 30 januari 2024 heeft de gemachtigde van de betrokkene via het Digitaal Loket Verkeer beroep ingesteld. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
5. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
6. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verantwoordelijkheid van de gemachtigde was om op tijd een machtiging te verkrijgen. Daarnaast had het op zijn weg gelegen om tijdig pro forma beroep in te stellen in afwachting van de machtiging.
7. Naar het oordeel van het hof is de termijnoverschrijding in dit geval niet aan de gemachtigde toe te rekenen. In beginsel kan altijd beroep ingesteld worden door een beroepschrift per post te sturen naar het Parket CVOM. Dat kan - om te verzekeren dat het beroep in ieder geval op tijd is ingesteld - ook zonder dat reeds is voldaan aan alle voorwaarden die gelden voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eventuele verzuimen kunnen na het instellen van het beroep worden hersteld (vergelijk artikel 2:1, tweede en derde lid, van de Awb en de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb). Inmiddels bestaat ook al jaren de mogelijkheid om digitaal beroep in te stellen via het Digitaal Loket Verkeer. Op de inleidende beschikking wordt gewezen op die mogelijkheid. Uit de door de advocaat-generaal verstrekte informatie blijkt dat wanneer een lessee beroep wil instellen via het Digitaal Loket Verkeer, hij of zij een machtiging van de leasemaatschappij moet toevoegen bij het instellen van beroep. In het systeem bestaat niet de mogelijkheid om beroep in te stellen zonder een document toe te voegen. Daarom kan het hof begrijpen dat de gemachtigde in dit geval in de veronderstelling verkeerde dat hij pas na ontvangst van de machtiging van de leasemaatschappij beroep in kon stellen. Omdat in het systeem kennelijk niet de mogelijkheid bestaat zonder dit document pro forma beroep in te stellen en er geen melding van wordt gemaakt dat het instellen van beroep zonder dit document eventueel per post zou kunnen, acht het hof het niet redelijk om de gemachtigde toe te rekenen dat hij niet tijdig pro forma beroep heeft ingesteld.
8. De gemachtigde heeft binnen een week na het verstrijken van de beroepstermijn op 30 januari 2023 alsnog beroep ingesteld, met daarbij een juiste machtiging van de leasemaatschappij. Gelet op het voorgaande had de officier van justitie de termijnoverschrijding verschoonbaar moeten achten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, ook de beslissing van de officier van justitie. Het zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 november 2023 om 11.40 uur op de Stadhoudersweg kruising Van Aerssenlaan in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].
10. De gemachtigde, ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig, voert aan dat hij door rood is gereden omdat er een brandweerauto met zwaailicht en geluidssignalen achter hem reed. De gemachtigde wenst te benadrukken dat iedere minuut telt.
11. Gelet op de stukken in het dossier, waaronder de foto's van de gedraging, en in aanmerking genomen dat de gemachtigde erkent dat hij op de genoemde datum, tijd en plaats door rood licht is gereden, staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof dient, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het opleggen van een sanctie niet billijk is.
12. Het verweer van de gemachtigde kan worden opgevat als een beroep op overmacht. Een geslaagd beroep op overmacht kan leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege zou moeten blijven. Aan een dergelijk beroep dient ten minste de eis te worden gesteld dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de bestuurder onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan.
13. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de gedraging sprake was van een naderend voorrangsvoertuig waardoor hij genoodzaakt was het rood licht uitstralende verkeerslicht te negeren. De gemachtigde stelt dit slechts. De foto's van de gedraging geven hiervoor geen aanwijzing. Op de eerste foto is waar te nemen dat het voertuig van de gemachtigde zich voor de stopstreep bevindt en dat het verkeerslicht op dat moment gedurende 5,9 seconde rood licht had uitgestraald. Niet blijkt van achter het voertuig rijdend verkeer. Op de tweede foto, die 2,2 seconde later is genomen, bevindt het voertuig van de gemachtigde zich verder op de kruising en daaruit blijkt evenmin van achter hem rijdend verkeer. Aldus is niet aannemelijk geworden dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege moet blijven. Het verweer treft geen doel.
14. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.