Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1730

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
200.362.586
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over begeleide omgangsregeling tussen minderjarige en vader

De moeder en vader zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2022, waarbij de moeder het gezag heeft. De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling. De rechtbank stelde op 25 september 2025 een voorlopige omgangsregeling vast met wekelijkse omgang onder begeleiding en legde aan de moeder een dwangsom op bij niet-naleving.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof wees het schorsingsverzoek af en vernietigde de voorlopige omgangsregeling omdat deze niet uitvoerbaar bleek. Het hof besloot dat toegewerkt moet worden naar één keer per week begeleide omgang onder een locatie overstijgende instantie.

De raad voor de kinderbescherming werd gevraagd nader onderzoek te doen naar het gezag en de omgangsregeling. Het hof oordeelde dat de dwangsom niet passend is vanwege de aard van de regeling en de gedeelde verantwoordelijkheid voor de uitvoering. Beide ouders moeten hun eigen proceskosten dragen. De zaak wordt in augustus 2026 bij de rechtbank voortgezet.

Uitkomst: Het hof vernietigt de voorlopige omgangsregeling en bepaalt dat toegewerkt moet worden naar één keer per week begeleide omgang onder een locatie overstijgende instantie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.586/01 (hoofdzaak) en /02 (schorsing)
zaaknummer rechtbank Gelderland 433194
beschikking van 10 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim adres,
advocaat: mr. M. van Eck,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans.

1.Samenvatting

De rechtbank heeft op 25 september 2025 een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld en aan de moeder een dwangsom opgelegd van € 500 voor iedere keer dat zij niet aan de omgangsregeling voldoet, tot een maximum van € 5.000.
Het hof beslist dat moet worden toegewerkt naar één keer per week begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2022.
2.2.
De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft op 4 maart 2024 de rechtbank verzocht om samen met de moeder het gezag over [de minderjarige] te mogen uitoefenen en om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen.
3.2.
De rechtbank heeft op 13 mei 2024 de raad voor de kinderbescherming (de raad) gevraagd onderzoek te doen. Op 19 november 2024 heeft de raad schriftelijk advies uitgebracht.
3.3.
Op 20 december 2024 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld, waarbij zij één keer per week omgang hebben, onder begeleiding van de organisatie ‘ [naam2] ’. De beslissing over het gezag en de definitieve omgangsregeling heeft de rechtbank aangehouden.
Verder heeft de rechtbank aan de vader een locatie- en contactverbod voor de duur van een jaar opgelegd, met daarbij een dwangsom van € 500 voor iedere keer dat hij zich niet aan deze verboden houdt.
3.4.
Op 25 september 2025 heeft de rechtbank opnieuw een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld, waarbij zij elke dinsdag vanaf 10:00 uur omgang hebben, onder begeleiding van een zogenoemde ‘locatie overstijgende instantie’. Daarnaast heeft de rechtbank aan de moeder een dwangsom opgelegd van € 500 voor iedere keer dat zij niet aan de omgangsregeling voldoet, tot een maximum van € 5.000. De beslissing over het gezag en de definitieve omgangsregeling heeft de rechtbank opnieuw aangehouden.
3.5.
De rechtbank heeft bepaald dat de beslissing over de voorlopige omgangsregeling mag worden uitgevoerd, ook al is hoger beroep ingesteld (dat heet: uitvoerbaar bij voorraad).
3.6.
Op 20 januari 2026 heeft de rechtbank de raad opnieuw verzocht om onderzoek te doen naar (onder meer) het gezag en een omgangsregeling, voordat een definitieve beslissing hierover wordt genomen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank van 25 september 2025. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof bepaalt dat de beslissing van de rechtbank niet mag worden uitgevoerd voor de duur van het hoger beroep (schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring).
In de hoofdzaak wil de moeder dat het hof de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling en de dwangsom ongedaan maakt en de verzoeken van de vader alsnog afwijst. Daarnaast vraagt de moeder het hof om te bepalen dat de vader, binnen twee weken na de beslissing van het hof, een bedrag gelijk aan de geïncasseerde dwangsommen
vermeerderd met de rente en kosten, terugbetaalt aan de moeder. Verder vraagt de moeder het hof om de vader in de proceskosten te veroordelen.
4.2.
De vader wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. Daarnaast vraagt hij het hof om de moeder in de proceskosten te veroordelen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de moeder, ontvangen op 10 december 2025;
  • het verweerschrift;
  • een bericht namens de moeder van 15 januari 2026, met producties;
  • een bericht namens de vader van 23 januari 2026, met een productie;
  • een bericht namens de moeder van 26 januari 2026, met een productie.
4.4.
De zitting bij het hof was op 27 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
Op grond van artikel 377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van (één van) de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Volgens 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang alleen als:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten van de moeder en de vader
5.2.
De moeder voert aan dat het niet aan haar te wijten is dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader niet van de grond is gekomen. De moeder heeft contact opgenomen met instanties die begeleide omgang faciliteerden. Vanuit meerdere instanties kreeg ze te horen dat zij niet geschikt waren, vanwege de complexe situatie, de strafrechtelijke veroordeling van de vader en het contact- en locatieverbod. De instanties die omgang begeleiden, worden via de gemeente benaderd. De moeder heeft beperkte invloed op dat traject. De moeder heeft alles gedaan wat van haar kan worden verwacht. Zij heeft zich aangemeld, informatie bij de gemeente aangeleverd, gesprekken met instanties gevoerd en akkoord gegeven voor begeleide omgang. De moeder is afhankelijk van de instantie die de omgang gaat begeleiden. De regie ligt bij de gemeente en de begeleidende instantie. Het is daarom voor de moeder onmogelijk om aan de omgangregeling te voldoen. De dwangsom kan dan ook niet werken als prikkel om de omgangsregeling na te komen. De moeder staat nog steeds achter contact tussen de vader en [de minderjarige] , maar vindt dat zorgvuldigheid vóór snelheid moet gaan. Ook moeten de stabiliteit en emotionele en fysieke veiligheid van [de minderjarige] en de moeder gewaarborgd zijn.
5.3.
De vader voert aan dat in twee beschikkingen een voorlopige omgangsregeling is vastgelegd. Ook de voorzieningenrechter heeft een vonnis gewezen waarin is bepaald dat de omgang moet worden hervat. De moeder werkt niet mee met de uitvoering van deze uitspraken. De moeder komt telkens met voorwaarden en blokkades, waardoor de omgang al twee jaar niet van de grond komt. Volgens de vader doet de moeder dit als vertragingstactiek, met als doel dat er geen contact tussen de vader en [de minderjarige] zal zijn. De vader heeft daarom verzocht dwangsommen aan de moeder op te leggen. Het is de vader niet te doen om contact met de moeder. Hij wenst na bijna tweeëneenhalf jaar [de minderjarige] weer te kunnen zien. De vader is bereid om wekelijks naar [plaats] heen en weer te rijden, de instructies van de omgangsbegeleiders op te volgen en al het andere te doen wat nodig is.
Het advies van de raad
5.4.
De rechtbank heeft op 20 januari 2026 de raad gevraagd om een aanvullend onderzoek te verrichten, waarbij ook wordt onderzocht of een ondertoezichtstelling nodig is. Dat onderzoek moet worden afgewacht, voordat de raad een advies kan geven over de omgangsregeling. Volgens de raad moet de omgang in ieder geval onder begeleiding van een locatie overstijgende instantie plaatsvinden.
Het oordeel van het hof
Het schorsingsverzoek
5.5.
De behandeling van het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het verzoek in de hoofdzaak. Het hof neemt een beslissing in de hoofdzaak, zodat de moeder geen belang meer heeft bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof wijst dit verzoek van de moeder daarom af.
De omgangsregeling
5.6.
De voorlopige omgangsregeling die de rechtbank op 25 september 2025 heeft vastgelegd, is niet uitvoerbaar gebleken. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom vernietigen. Het hof beslist dat zo snel mogelijk moet worden toegewerkt naar één keer per week omgang tussen [de minderjarige] en de vader onder begeleiding van een locatie overstijgende instantie.
5.7.
Na de (tussen)beschikking van de rechtbank van 25 september 2025 heeft de rechtbank op 20 januari 2026 een nieuwe (tussen)beschikking gegeven. In die beschikking heeft de rechtbank de raad verzocht om opnieuw onderzoek te doen naar het gezag over [de minderjarige] en een definitieve omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader. In augustus 2026 gaat de zaak bij de rechtbank weer verder.
De rechtbank heeft overwogen dat het contact tussen [de minderjarige] en de vader moet worden opgestart onder begeleiding van een locatie overstijgende instantie. [naam1] zou de omgang kunnen gaan begeleiden.
Tijdens de zitting bij het hof heeft de vader verteld dat hij contact heeft opgenomen met [naam1] , omdat hij wilde weten of het traject wordt opgestart. [naam1] heeft de vader laten weten dat het traject niet kon worden gestart, omdat de moeder de begeleiding van [naam1] niet zou willen. Vervolgens heeft de moeder een e-mail van de jeugdconsulent van de gemeente overgelegd, waaruit blijkt dat de informatie die [naam1] aan de vader heeft gegeven onjuist is. Tijdens de zitting heeft de moeder verteld dat zij een aanmeldformulier van [naam1] heeft gekregen en dat zij van plan was om dit formulier in te vullen. Aanvankelijk had zij vertrouwen in de omgangsbegeleiding van [naam1] en kon zij zich vinden in het plan van aanpak van [naam1] . Dat vertrouwen is verdwenen, omdat [naam1] verkeerde informatie aan de vader heeft gegeven.
5.8.
Het hof is van oordeel dat de koers die de rechtbank in de beslissing van 20 januari 2026 heeft uitgezet, moet worden gevolgd. [de minderjarige] is nog jong en heeft (nog) geen omgang met de vader. De raad gaat nader onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader. Het is voor [de minderjarige] van belang dat intussen de omgangsregeling wordt opgestart en wordt gecontinueerd.
Het is echter niet haalbaar gebleken om direct elke dinsdag vanaf 10:00 uur begeleide omgang te hebben, zoals de rechtbank heeft vastgelegd. [naam1] is bereid om te onderzoeken hoe de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader kan worden opgestart en is in gesprek met de moeder en de jeugdconsulent van de gemeente over de invulling hiervan. Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen en bepalen dat moet worden toegewerkt naar één keer per week omgang tussen [de minderjarige] en de vader, onder begeleiding van een locatie overstijgende instantie.
5.9.
Het is voor [de minderjarige] belangrijk dat de omgangsregeling voortvarend wordt opgestart. [naam1] is bereid om de omgang te begeleiden en de moeder heeft verteld dat zij zich kan vinden in het plan van aanpak dat met de jeugdconsulent van de gemeente en [naam1] is opgesteld. Als gevolg van de problemen in de communicatie met [naam1] , zoals onder 5.7. is overwogen, hebben de ouders weinig vertrouwen in de betrokken instanties. Om het vertrouwen in [naam1] te herstellen, is – zoals de raad tijdens de zitting ook heeft benadrukt – van belang dat de zorgmanager van [naam1] , die de vader verkeerde informatie heeft gegeven, niet betrokken is bij de begeleide omgang.
De dwangsom
5.10.
Het hof zal geen dwangsom verbinden aan nakoming van de voorlopige omgangsregeling, vanwege de aard van de omgangsregeling. De omgangsregeling bevat geen concrete contactmomenten waarvan de nakoming kan worden getoetst. Bovendien ligt de regie voor de uitvoering van de omgangsregeling bij de omgangsbegeleiding en niet (alleen) bij de moeder, wat maakt dat het niet (alleen) aan de moeder kan worden toegerekend wanneer de regeling niet van de grond komt.
5.11.
Tijdens het kort geding bij de rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 hebben de ouders afgesproken dat de vader het derdenbeslag op het inkomen van de moeder (onder het UWV) zal opheffen en de aangezegde executie van de dwangsommen zal staken. Het hof zal daarom het verzoek van de moeder tot terugbetaling van de geïncasseerde dwangsommen afwijzen.
Proceskosten
5.12.
Het hof bepaalt dat beide ouders de eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij allebei gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Dat heet ‘compensatie van proceskosten’. De verzoeken van de moeder en de vader om elkaar in de proceskosten te veroordelen, worden daarom afgewezen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met nummer 200.362.586/02 (het verzoek tot schorsing)
wijst het verzoek van de moeder af;
in de zaak met nummer 200.362.586/01 (de hoofdzaak)
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 september 2025, en opnieuw beschikkende:
stelt als voorlopige omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast dat moet worden toegewerkt naar één keer per week omgang tussen [de minderjarige] en de vader onder begeleiding van een locatie overstijgende instantie;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, K.A.M. van Os - ten Have en
D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.