Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1757

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
21-004411-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs verkrachting

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 maart 2026 in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en verdachte vrijgesproken van verkrachting. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, en een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend.

In hoger beroep heeft het hof het bewijs opnieuw gewogen en geconcludeerd dat er onvoldoende overtuiging bestaat dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Verdachte heeft verklaard dat de seksuele handelingen vrijwillig waren, wat hij eerder niet durfde toe te geven uit angst voor de gevolgen voor zijn relatie. De verklaring van de benadeelde partij vertoonde tegenstrijdigheden en de emoties van de benadeelde konden niet eenduidig worden geplaatst binnen het kader van de vermeende dwang.

Het hof oordeelde dat zowel de verklaring van de benadeelde als die van verdachte aannemelijk konden zijn en dat er bij redelijke twijfel vrijspraak moest volgen. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd daarom afgewezen en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard. Het hof veroordeelde de benadeelde partij tot vergoeding van de door verdachte gemaakte proceskosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende overtuigend bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004411-24
Uitspraakdatum: 23 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 oktober 2024 met parketnummer 16-272802-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor de aan hem ten laste gelegde verkrachting tot een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en gehele toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Koppert, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. W. van Egmond, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 2 oktober 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld voor de aan hem ten laste gelegde verkrachting tot een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen tot € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof zal het vonnis daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 januari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, iemand, te weten [benadeelde] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam immers heeft hij, verdachte,
- die [benadeelde] gezoend en/of
- het lichaam van die [benadeelde] betast en/of
- zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde] gebracht en/of
- zijn penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en/of
- aan/in de tepel(s) en/of borst(en) van die [benadeelde] gesabbeld en/of gebeten bestaande het geweld en/of een andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, terwijl die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, tegen verdachte heeft gezegd het niet te willen en/of verdachte heeft gesommeerd te stoppen en/of verdachte heeft weggeduwd en/of probeerde weg te komen,
- die [benadeelde] aan haar arm(en) vastgepakt en/of
- die [benadeelde] (meermaals) op het bed heeft getrokken en/of
- die [benadeelde] op het bed heeft gegooid waardoor ze hard met haar hoofd op het bed kwam en/of
- die [benadeelde] haar broek naar beneden heeft getrokken en/of
- die [benadeelde] haar benen (met kracht) uit elkaar geduwd en/of haar benen op haar borst heeft geduwd en/of
- de deur van verdachtes kamer op slot draaide terwijl hij en die [benadeelde] daarbinnen verbleven terwijl die [benadeelde] zich in verdachtes kamer bevond, welke zij niet kon verlaten

Vrijspraak

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft hiertoe verwezen naar de stukken in het dossier. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat verdachte in het proces meerdere keren wisselend heeft verklaard. Zijn verklaring op de zitting bij het hof is om die reden niet geloofwaardig.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte is op de zitting in hoger beroep teruggekomen op zijn eerdere verklaring dat hij en aangeefster geen geslachtsgemeenschap hebben gehad. Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij en aangeefster seks hebben gehad en dat dit met wederzijdse toestemming heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft dit niet eerder willen vertellen, omdat hij bang was voor de gevolgen voor z’n relatie. In dat licht heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is en dat er tegenstrijdigheden bestaan in het dossier.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Aangeefster en verdachte hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben samen een zoon, met wie verdachte geruime tijd geen contact heeft gehad. Omwille van eventueel contactherstel tussen verdachte en de zoon, hebben verdachte en aangeefster bij verdachte thuis afgesproken om het hierover te hebben. Via WhatsApp is er over en weer contact geweest. Op 30 januari 2023 is aangeefster naar het huis van verdachte gegaan. Tijdens die ontmoeting hebben verdachte en aangeefster seks met elkaar gehad. Volgens aangeefster is er sprake geweest van fysieke dwang.
Verdachte is op de zitting in hoger beroep teruggekomen op zijn eerdere afgelegde verklaringen. Hij heeft bij het hof verklaard dat hij en aangeefster seks hebben gehad en dat dit vrijwillig heeft plaatsgevonden. Aangeefster zou boos geworden zijn omdat hij daarna aangegeven heeft dat dit eenmalig was en hij geen nieuwe relatie met haar wilde. Daarnaast heeft hij verklaard waarom hij voor het eerst in hoger beroep met deze verklaring is gekomen, te weten omdat zijn vriendin er dan achter zou komen dat hij vreemdgegaan was. Nu verdachte een niet op voorhand te weerleggen verklaring heeft afgelegd over wat er tussen hen gebeurd is, acht het hof de tijdlijn van de gebeurtenissen in de ochtend van 30 januari 2023, met name nadat aangeefster en verdachte seks met elkaar hebben gehad van groot belang. Het hof heeft hier geen eenduidig beeld over gekregen. Het hof kan in ieder geval vaststellen dat aangeefster na haar bezoek aan verdachte overstuur was. Dit blijkt onder andere uit een zich in het dossier bevindend proces-verbaal en de verklaring van [naam] . Gelet op de stukken die zich in het dossier bevinden, waaronder de WhatsAppberichten die in aanloop naar dit incident tussen aangeefster en verdachte zijn uitgewisseld, kan het hof onvoldoende plaatsen binnen welk kader de emoties van aangeefster nadat zij met de verdachte seks heeft gehad, passen. Over de geëmotioneerdheid van aangeefster bestaat geen twijfel, maar bij het hof bestaan teveel twijfels over de vraag of die emoties in verband stonden met de door haar niet gewilde seks of met een andere reden, zoals de boodschap van de verdachte dat hij geen relatie meer met haar wilde. Dat hierover gesproken zou zijn, zoals verdachte aangeeft, vindt ondersteuning in de door verdachte ter zitting overgelegde WhatsAppberichten, waarin door aangeefster aan verdachte onder andere gevraagd wordt of hij nog wat voor haar voelt. Dit betreffen WhatsAppberichten direct voorafgaande aan de berichten die wel al in het dossier zaten.
Verder heeft aangeefster verklaard dat zij bang was dat verdachte haar telefoon zou controleren, reden dat zij aan haar vriendin [naam] kort appte dat zij haar moest ophalen, maar die apps vervolgens verwijderde, zodat verdachte die apps niet kon zien. Zij appte vanaf 10.49 uur tot 10.52 uur met [naam] . Zij heeft echter direct daarna (vanaf 10.52 uur tot zij om 11.14 uur appte ‘ [naam] is er’) vrijwel elke minuut geappt met een andere vriendin, [naam] . Aangeefster appt haar om 11.13 uur “En hij moet er echt niet achter komen dat ik jullie dit gezegd heb, want ik zit nu nog in huis met em”. Aangeefster heeft echter verklaard dat zij, tot [naam] haar ophaalde, met verdachte een sigaretje in de tuin aan het roken was. Het is niet te plaatsen dat aangeefster niet met [naam] in bijzijn van verdachte heeft durven appen uit angst dat hij haar telefoon zou controleren, maar dat kennelijk wel met [naam] durfde. Ook passen de tekst van de appjes en de tijdstippen waarop er geappt werd niet met de verklaring van aangeefster.
Te veel vragen blijven in dit dossier onbeantwoord. Het hof ziet zich gesteld voor het dilemma dat zowel de verklaring van aangeefster als de lezing van verdachte op basis van het dossier voor waar kan worden aangenomen. Ook de lezing van verdachte wordt namelijk niet weerlegd door de beschikbare bewijsmiddelen, waardoor er onvoldoende grond is om zijn verklaring zonder meer als niet aannemelijk of ongeloofwaardig terzijde te schuiven. In dat geval rest niets anders dan bij redelijke twijfel de verdachte daarom vrij te spreken.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.500,00 ingediend, volledig bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft deze vordering bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaartniet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaartde benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeeltde benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. L. Pieters en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 maart 2026.