ECLI:NL:GHARL:2026:1762

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.349.910
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats en zorgregeling na raadsonderzoek in complexe ouderschapssituatie

In deze zaak staat de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarige kinderen centraal. Het hof heeft het advies van de Raad voor de Rechtspraak gevolgd, die na uitgebreid onderzoek concludeerde dat de huidige situatie, waarbij de kinderen bij de moeder verblijven, het meest in hun belang is. De raad constateerde een moeizame en zorgelijke situatie tussen de ouders, waarbij de kinderen stresssignalen vertonen en hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende blijkt.

De vader betwist het advies en stelt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, met onvoldoende aandacht voor belangrijke medische en diagnostische informatie. Hij wil dat de hoofdverblijfplaats bij hem wordt vastgesteld en verzoekt om nader onderzoek indien het hof zijn verzoek niet toewijst. De moeder steunt het advies van de raad en benadrukt het belang van rust en duidelijkheid voor de kinderen.

Het hof oordeelt dat de huidige regeling rust heeft gebracht en dat een wijziging niet in het belang van de kinderen is. De zorgen van de vader worden door diverse professionals niet bevestigd. Het hof wijst het verzoek tot nader onderzoek af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 11 oktober 2024, waarmee de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft en de zorgregeling wordt voortgezet.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking waarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder blijft en de huidige zorgregeling wordt voortgezet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.910
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 553949)
beschikking van 24 maart 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R. Bottenheft,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , Gemeente [gemeentenaam] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.I. Robert.
Als informant is aangemerkt:
stichting
Samen Veilig Midden-Nederland,
die is gevestigd in Utrecht
verder te noemen: de GI.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 15 mei 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de raad van 18 september 2025;
- een journaalbericht van mr. Bottenhelft van 7 oktober 2025 met producties;
- een rapport van de raad van 26 januari 2026;
- een journaalbericht van de man van 12 februari met producties.
1.3
Op 24 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door de zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad.
1.4
Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Robert van 25 februari 2026 met als bijlage de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2026. In deze beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van
9 februari 2026 tot 9 augustus 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van
15 mei 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de vakantieregeling.
Raadsrapport
2.3
De raad heeft in zijn rapport van 26 januari 2026 – samengevat – het volgende aangegeven en geadviseerd. Volgens de raad groeien [de minderjarige1] en [de minderjarige2] al langere periode op in een situatie waarin sprake is van een zeer moeizame en zorgelijke situatie tussen de ouders. Zij bevinden zich daardoor in een ingewikkelde situatie, waarbij ze toenemend klem zitten tussen de ouders en inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende toereikend is gebleken. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geven signalen van stress en onrust af. Het lukt de ouders volgens de raad onvoldoende om in het belang van de kinderen samen te werken en hun eigen visie los te laten. De vader blijft zorgen over de situatie bij de moeder benoemen en lijkt onvoldoende in te zien dat dit belastend is voor de kinderen en niet helpt in de samenwerking met de moeder. De moeder lijkt uit angst voor een reactie van de vader niet meer de emotionele ruimte te ervaren om zaken adequaat op te pakken op een manier die haar passend lijkt. Hierdoor is er een situatie ontstaan waarin veel zaken bij de moeder liggen, omdat de kinderen daar grotendeels verblijven, maar moeder zich afwachtend en passief opstelt.
De raad adviseert het hof om geen wijzigingen aan te brengen in de huidige situatie. De raad is van mening dat nu wisselen van hoofdverblijfplaats of zorgregeling niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Voor de huidige regeling hebben de ouders zelf gekozen, omdat zij de kinderen meer rust wilden geven en om de belasting door de botsende opvoedstijlen en visies van de ouders te verminderen. Volgens de raad is er met de huidige regeling rust gekomen en die dient niet verstoord te worden.
Standpunten
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader toegelicht waarom hij het niet eens is met het advies van de raad. Volgens de vader is het onderzoek van de raad niet zorgvuldig genoeg omdat er door de raad geen onderzoek is gedaan naar een alternatief van de huidige situatie waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Volgens de vader zijn belangrijke informatie over het gewicht van de kinderen, diagnostische informatie van school en het tandartsdossier van de kinderen onvoldoende meegenomen in het onderzoek. De huidige situatie heeft volgens de vader ook niet tot rust bij de kinderen geleid. De vader maakt zich zorgen om het gewicht en het gebit van de kinderen. Volgens de vader volgt de moeder de hierover gegeven adviezen niet of onvoldoende op. De vader vindt dat de situatie alleen maar is verslechterd, hij staat dan ook niet meer achter het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder. De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij hem wordt vastgesteld en er een zorgregeling komt met de moeder. Voor het geval het hof dit niet toewijst vraagt de vader om een nader onderzoek.
2.5
De moeder is het eens met het advies van de raad. Volgens de moeder is er sprake van een zorgvuldig onderzoek met een duidelijke conclusie. De zorgen van de vader worden volgens de moeder door de raad niet herkend. De moeder vindt het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Oordeel van het hof
2.6
Het hof ziet, gelet op wat uit de stukken naar voren is gekomen en wat door partijen naar voren is gebracht op de zitting, geen gronden om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof volgt het advies van de raad en zal de bestreden beschikking in stand laten (bekrachtigen).
2.7
Net als de raad is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat er rust komt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is (wederom) gebleken dat de visie van de ouders over de ernst van de zorgen van elkaar verschillen en dat het de ouders niet lukt om constructief met elkaar te communiceren. De vader uit al langere tijd grote zorgen over de gezondheid en de veiligheid van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de opvoedsituatie bij de moeder. Deze zorgen zijn beoordeeld door verschillende professionals, maar worden tot heden – en binnen het raadsonderzoek – niet herkend of bevestigd. Zolang de ouders niet in staat zijn hun samenwerking te verbeteren en patronen te doorbreken, zullen de kinderen klem en verloren tussen ouders blijven en is enkel hulpverlening voor de kinderen onvoldoende toereikend. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling lost deze problemen niet op. Nu er met de huidige regeling voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] rust lijkt te zijn gekomen, acht het hof het in hun belang dat de huidige situatie wordt voortgezet.
2.8
Het hof volgt de vader niet in zijn standpunt dat het onderzoek van de raad onzorgvuldig is geweest en dat de raad geen antwoord heeft gegeven op de onderzoeksvragen. De raad adviseert het hof, op grond van een uitgebreid onderzoek waarin zowel met de ouders, de kinderen als met alle betrokken hulpverleners en andere informanten (zoals de school) is gesproken, dat het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is om de huidige situatie te wijzigen. Dit maakt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder, waar zij nu ook hun hoofdverblijfplaats hebben, en het voortzetten van de huidige zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. De raad heeft hiermee naar het oordeel van het hof duidelijk antwoord gegeven op de door het hof gestelde onderzoeksvragen. Het hof schat in dat nog meer onderzoek de ouders en de kinderen ook niet verder zal brengen. De onrust zal blijven en het patroon waarbij de moeder afwachtend is en de vader ongerust blijft zal niet veranderen. Het is ook de vraag of de vader gerustgesteld kan worden als de zorgen waarvan hij overtuigd is, niet door anderen worden (h)erkend. Het hof zal het verzoek van de vader, om de procedure aan te houden in afwachting van een nader onderzoek, dan ook afwijzen.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 11 oktober 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, P.B. Kamminga en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 24 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.