Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verder te noemen: de vrouw,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- de man veroordeeld om € 5.000 aan de vrouw te betalen (wegens aan zijn zuster in bewaring gegeven geld);
- bepaald dat de man € 8.500 aan de vrouw moet betalen als verrekening van het geld dat in de kluis ligt;
- de man veroordeeld € 4.165 aan de vrouw te betalen voor betaalde huur en Eneco vanaf de peildatum.
4.De omvang van het geschil
- te beslissen dat de vrouw aan hem € 1.543,47 dient te betalen voor de betaalde huur over de periode september 2024 tot en met februari 2025; en
- te beslissen dat de vrouw het bedrag wat ze uit hoofde van de beschikking van de rechtbank na vernietiging door het hof van delen van die beschikking ten onrechte heeft ontvangen, te weten € 9.165, moet terugbetalen aan de man, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht.
in zaaknummer 200.358.547)
- de man te veroordelen
- te man te veroordelen inzage te geven in zijn agenda’s van de jaren 2019 tot en met 2021 op straffe van het verbeuren van een dwangsom;
- de verwervingsdeelnemingen op grond van de inzichten uit die agenda’s te verrekenen, waarbij de man zijn aandeel verbeurt;
- de man te veroordelen € 20.000 aan te vrouw te betalen wegens de door de man aan zijn zuster in bewaring gegeven gelden;
- te bepalen dat een onderzoek door een (schrift)deskundige dient plaats te vinden, waarvan de kosten voor de man zijn of, subsidiair, voorlopig ten laste van ’s Rijks kas komen;
- met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties en in de beslagkosten;
zaaknummer 200.358.511, het incidenteel hoger beroep)
- te bepalen dat de man in de interne verhouding draagplichtig is voor de teveel ontvangen huurtoeslag in 2024;
- de man te veroordelen om aan de vrouw € 263 te betalen wegens terugbetaalde huurtoeslag over 2023;
- de man te veroordelen de helft van het contante bedrag van € 20.000 dat hij aan zijn zus in bewaring heeft gegeven aan de vrouw te betalen;
- te bepalen dat de vrouw zich op 21 januari 2025 heeft uitgeschreven van het adres van de huurwoning;
- de man te veroordelen om € 5.305,89 aan de vrouw te betalen voor betaalde huur en Eneco lasten.
200.358.511) nog eens herhaald. In haar derde grief in zaaknummer
200.358.547stelt de vrouw dat de man in zijn ‘akte nadere uitlating’ bij de rechtbank heeft erkend dat in zijn aantekeningen in een agenda € 20.000 staat ten aanzien van het geld dat hij in bewaring zou hebben gegeven bij zijn zuster. In de grief stelt de vrouw dat de man € 20.000 aan de vrouw moet afdragen. De rechtbank heeft ten aanzien van de aantekening van de man overwogen dat daar een ‘1’ (€ 10.000) staat en geen ‘4’ (€ 40.000) zoals de vrouw stelde. Daar is ze het niet mee eens en de vrouw biedt daarvan expliciet bewijs aan door het inschakelen van een deskundige om dat vast te stellen.
200.358.547om de man te veroordelen € 20.000 aan haar te betalen wegens de door de man aan zijn zuster in bewaring gegeven gelden, terwijl zij in het incidenteel hoger beroep in zaaknummer
200.358.511verzoekt om de man te veroordelen
de helftvan het contante bedrag van € 20.000 wat aan zijn zus in bewaring heeft gegeven aan de vrouw te betalen. Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw gezegd dat het om de helft van de € 20.000 gaat die hij in bewaring heeft gegeven aan zijn zuster. Op de zitting is echter ook door de vrouw gesteld dat de man € 30.000 tot € 40.000 aan zijn zuster heeft gegeven. In het telefoongesprek tussen de vrouw en [naam3] en [naam1] heeft de vrouw het weer over € 40.000 en € 10.000:
200.358.547stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het zakje met € 7.000 in contanten niet aan de man toebehoort, maar aan de vader van zijn nichtje. De vrouw wijst daarbij op een transcript van een telefoongesprek wat zij met het nichtje [naam1] en dier vader [naam3] heeft gehad. Daaruit volgt volgens haar dat de € 7.000 ook tot de te verrekenen verwervingen van de man behoort. De man betwist dat. De vrouw heeft volgens hem niet het transcript van het gehele gesprek overgelegd, maar slechts fragmenten. De man legt een transcript van het hele gesprek over en daaruit blijkt volgens hem dat het geld van [naam3] is.
200.358.547en daarmee samenhangende vermeerdering van eis):
200.358.547stelt de vrouw enkel dat de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de woonlasten dient te worden bekrachtigd. Het hof ziet deze grief niet als een grief gericht tegen de beschikking van de rechtbank, maar als een verzoek. In haar grief II in zaaknummer
200.358.511stelt de vrouw echter dat de man haar € 5.305,89 moet betalen inzake de woonlasten en verzoekt ze het hof de man daartoe te veroordelen. De vrouw heeft dus ook op dit punt twee verschillende verzoeken. Zoals hiervoor al overwogen, zal het hof de beslissing van de rechtbank over de woonlasten in stand laten.
200.358.511stelt de vrouw dat zij zich op 21 januari 2025 heeft laten uitschrijven uit de echtelijke woning. De man heeft dit op de mondelinge behandeling bevestigd, zodat dit in rechte vast staat. Dit leidt echter niet tot een andere beslissing.
200.358.511faalt.