ECLI:NL:GHARL:2026:1769

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.363.653/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland stelde een minderjarige onder toezicht en machtigde zijn uithuisplaatsing vanwege ernstig letsel en zorgen over zijn ontwikkeling. De ouders, die gezamenlijk gezag hebben, gingen in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof overwoog dat de minderjarige ernstig letsel had opgelopen kort na de geboorte, wat waarschijnlijk opzettelijk was toegebracht. Er waren zorgen over de hechting met de moeder en het ontbreken van betrokkenheid van de vader. De ouders werkten onvoldoende mee aan vrijwillige hulpverlening en het perspectiefbepalingstraject kon daardoor niet worden opgestart.

Het hof vond dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. Het contact tussen de minderjarige en zijn ouders verloopt moeizaam en is zelfs tijdelijk stopgezet. De situatie in het pleeggezin is goed en het hof acht het in het belang van het kind dat deze situatie wordt gehandhaafd. De beschikking van de kinderrechter wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.653
zaaknummer rechtbank Gelderland 457002
beschikking van 24 maart 2026
over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. I.P. van Rossen
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Arnhem
en
[belanghebbende](de vader)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. S. Pershad
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden,(de GI)
die is gevestigd in Doetinchem.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 oktober 2026 en uithuisgeplaatst tot 15 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2025 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft bij (tussen)beschikking van
15 juli 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 oktober 2025 en een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een ziekenhuis en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg tot 12 augustus 2025.
2.5.
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 28 juli 2025 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 oktober 2025.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De raad heeft ook verzocht om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen voor de duur van een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad (voor een deel) toegewezen en [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 oktober 2026 en de GI gemachtigd om [de minderjarige] voor de duur van een half jaar uit huis te plaatsen tot 15 april 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De vaderis het ook niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil ook dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.3.
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de vader
  • het verweerschrift van de raad
  • de stukken van de vader ingediend op 23 februari 2026
4.5.
De zitting bij het hof was op 24 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [2] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [3] .
Standpunten
5.3.
De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Zij vindt dat er minder ingrijpende alternatieven zijn die onvoldoende zijn onderzocht. Volgens de moeder had de kinderrechter haar opvoedsituatie afzonderlijk en zelfstandig moeten beoordelen van de opvoedsituatie van de vader. De kinderrechter heeft volgens de moeder bovendien ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de medische bevindingen rondom het letsel dat [de minderjarige] kort na zijn geboorte had.
5.4.
De vader stelt dat hij niets met genoemd letsel van doen heeft en vindt dat de kinderrechter hem ten onrechte heeft aangemerkt als een ouder van [de minderjarige] gedurende een periode dat hij nog geen juridische ouder van [de minderjarige] was en ook geen gezag over hem had. Volgens de vader had er onderscheid gemaakt moeten worden tussen de opvoedsituatie van de vader en die van de moeder. Door de samenvoeging van de opvoedsituaties van de ouders heeft de kinderrechter volgens de vader miskend dat een eventuele ontwikkelingsbedreiging die (mogelijk) voortvloeit uit de opvoedsituatie bij de moeder, met name het genoemde letsel, niet aan de vader kan worden toegerekend. Volgens de vader stelt de GI als voorwaarde voor een verdere samenwerking dat de ouders openheid geven over hoe het letsel van [de minderjarige] is ontstaan. De vader wil hier geen verantwoordelijkheid voor nemen omdat het letsel volgens de vader niet onder zijn verantwoordelijkheid is ontstaan. Om dezelfde reden wil de vader ook niet meewerken aan de begeleide omgang met [de minderjarige] , omdat hij dan gezien wordt als iemand die een kind iets heeft aangedaan. Dit zou volgens de vader zijn goede naam en eer aantasten.
5.5.
Volgens de raad wordt [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] heeft in de eerste weken na zijn geboorte ernstig letsel opgelopen. Het letsel is onderzocht door het LECK (Landelijk Expertise centrum kindermishandeling). Volgens de raad is de kans groot dat het letsel van [de minderjarige] is toegebracht. Dit maakt dat [de minderjarige] waarschijnlijk al te maken heeft gehad met onveiligheid, stress en spanning en mogelijk een traumatische ervaring heeft gehad. Ook tijdens de kraamweek zijn er zorgen ontstaan over de hechting van [de minderjarige] met de moeder. Volgens de raad was er een gebrek aan interactie tussen de moeder en [de minderjarige] en was de vader in deze periode afwezig. De raad heeft geen zicht gekregen op de thuissituatie van de ouders omdat zij niet op huisbezoek mochten komen. De moeder beschikt op dit moment niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Veilig Thuis heeft na de geboorte geprobeerd om met de moeder een plan te maken en hulpverlening in te zetten, ter voorkoming van een uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De moeder heeft er volgens de raad voor gekozen om niet naar een moeder-kindhuis te gaan, bij de vader was de moeder niet welkom en de vader wilde niet meewerken aan het veiligheidsplan.
In oktober 2025 is er een traject perspectiefbepaling van zes maanden ingezet om te bepalen of [de minderjarige] thuis kan wonen bij een van de ouders. Tot op heden is het de raad niet gelukt om de ouders te bewegen mee te werken aan de voorwaarden en de doelen die zijn gesteld.
Volgens de raad gaat het op dit moment goed met [de minderjarige] in het pleeggezin. Hij ontwikkelt zich goed en is vrolijk en ontspannen.
5.6.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat het motorisch gezien met [de minderjarige] steeds beter gaat. Hij heeft nog wel veel nabijheid nodig. Na een omgangsmoment met de moeder vertoont [de minderjarige] onrustig gedrag. De GI heeft geprobeerd om met de moeder in contact te komen om te spreken over de invulling van de omgang met [de minderjarige] . Volgens de GI houdt de moeder zich niet aan de afspraken. De vader heeft volgens de GI direct aangegeven niet betrokken te willen worden. Er is ook geen omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De vader heeft ook geen toestemming gegeven voor fysiotherapie voor [de minderjarige] , de moeder wel. Door de GI is daarom vervangende toestemming verzocht.
Hoe oordeelt het hof?
5.7.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] terecht onder toezicht gesteld en een machtiging aan de GI gegeven, omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. Naar het oordeel van het hof is aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van [de minderjarige] voldaan. [de minderjarige] heeft ernstig letsel opgelopen in de eerste weken van zijn leven. Het is in zijn belang dat hij hiervoor de nodige zorg krijgt en dat zijn ontwikkeling goed wordt gemonitord. Het is de ouders niet gelukt om de veiligheid van [de minderjarige] voldoende te waarborgen en hem de zorg te geven die hij na het ontstaan van het letsel nodig had. Daarnaast zijn er zorgen over de hechting van [de minderjarige] die zijn ontstaan tijdens de kraamweek. Deze zorgen zijn na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet verminderd. Sinds de uithuisplaatsing wil de vader geen contact met [de minderjarige] en de moeder zag [de minderjarige] 30 minuten per maand. Het contact tussen [de minderjarige] en de moeder verloopt moeizaam en het lukt de GI niet om dit met de moeder te bespreken. Recent is om deze reden door de GI besloten om het contact tussen [de minderjarige] en de moeder voorlopig helemaal stop te zetten. Voor een jong kind zoals [de minderjarige] is het ontbreken van een goed contact met zijn ouders een ernstige risicofactor voor een gezonde ontwikkeling. Dit kan leiden tot emotionele problemen zoals angst en onzekerheid, gedragsproblemen en op latere leeftijd een grotere kans op psychische stoornissen zoals depressie of angststoornissen.
5.8.
Het lukt de ouders niet om, in het belang van [de minderjarige] , tot een constructief gesprek te komen met de raad, de GI en de betrokken hulpverleners. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] kan daardoor niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ook het traject perspectiefbepaling, waarin onderzocht zou worden of [de minderjarige] weer thuis kon wonen, is niet opgestart omdat de ouders niet willen meewerken aan de opgestelde doelen en voorwaarden. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat één van de gestelde voorwaarden van de GI is dat de ouders openheid moeten geven over hoe het letsel van [de minderjarige] is ontstaan. Het antwoord op deze vraag lijkt een goede samenwerking tussen de ouders, de GI en de raad in de weg te staan. Het hof vindt dit niet in het belang van [de minderjarige] . Het is in zijn belang dat de vader en de moeder zich kunnen openstellen voor een samenwerking met de GI en de hulpverlening, zonder dat hieraan de voorwaarde is verbonden dat zij openheid moeten geven over het ontstaan van het letsel, hetgeen in feite mogelijk neerkomt op erkenning van “daderschap” van een van de ouders met betrekking tot dit letsel. Het is nu belangrijk dat er zicht komt op hun opvoedingsvaardigheden en de thuissituatie. Dit is nodig om de mogelijkheden van een terugplaatsing te onderzoeken. Op dit moment is een mogelijke terugplaatsing van [de minderjarige] , gelet op de zorgen over [de minderjarige] , het feit dat de moeder op dit moment niet beschikt over een vaste- woon of verblijfplaats en er geen zicht is op de opvoedsituatie van de vader, niet aan de orde. Het gaat goed met [de minderjarige] in het pleeggezin en hij lijkt zich goed te ontwikkelen. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat deze situatie wordt gewaarborgd.
5.9.
De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van
14 oktober 2025 over de over de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:265b lid 1 BW.
3.artikel 1:265c lid 2 BW.