Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1797

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.352.718
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 7:61 BWArt. 4:34 lid 1 WftArt. 7:2A BWArt. 7:76 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake consumentenkredietovereenkomst en rechtsgeldigheid vervroegd opeisen krediet

Defam B.V. heeft een persoonlijke lening verstrekt aan de debiteur, die in gebreke bleef met betalingen. Defam vordert terugbetaling van het resterende kredietbedrag met rente en kosten. De kantonrechter wees de vordering af omdat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd was opgeëist en niet alle verplichte informatie was verstrekt.

In hoger beroep toetst het hof ambtshalve of Defam heeft voldaan aan de precontractuele en contractuele informatieplicht en de kredietwaardigheidstoets, ook al is de debiteur in gebreke gebleven en niet verschenen. Het hof stelt vast dat het ESIC-formulier tijdig is verstrekt en dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst, zodat aan de informatieplichten is voldaan.

De kredietwaardigheidstoets is onvoldoende onderbouwd; het hof vraagt Defam om nadere toelichting. Daarnaast is onduidelijkheid over twee verschillende contractnummers in de correspondentie over het opeisen van het krediet. Het hof geeft Defam gelegenheid om deze punten nader toe te lichten en houdt verdere beslissing aan tot de rolzitting van 21 april 2026.

Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor nadere onderbouwing van de kredietwaardigheidstoets en het opeisen van het krediet door Defam.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.352.718/02
zaaknummer rechtbank 11336126
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
Defam B.V.
die is gevestigd in Bunnik
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser
hierna: Defam
advocaat: mr. E. Stammers
tegen
[de debiteur]
die woont in [woonplaats]
hierna: [de debiteur]
niet verschenen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Defam heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, (hierna: de kantonrechter) op 17 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met daarin de gronden voor het hoger beroep
  • de verstekverlening tegen [de debiteur]
  • de ambtshalve doorhaling van de procedure door het hof
  • de hervatting van de procedure door Defam.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Defam heeft een kredietovereenkomst gesloten met [de debiteur] op grond waarvan Defam een persoonlijke lening heeft verstrekt aan [de debiteur] . Defam vordert terugbetaling van het resterende kredietbedrag te vermeerderen met (contractuele dan wel wettelijke) rente en proceskosten. Defam legt aan haar vordering ten grondslag dat [de debiteur] gedurende tenminste twee maanden een achterstand in de betaling heeft laten bestaan.
2.2.
De kantonrechter heeft de vordering van Defam afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een consumentenkrediet en heeft Defam het krediet niet rechtsgeldig vervroegd opgeëist. Dit betekent volgens de kantonrechter dat de kredietovereenkomst nog doorloopt zodat [de debiteur] nog steeds de maandelijkse termijnen moet voldoen en niet verplicht is om het krediet ineens terug te betalen. Hoewel hij daaraan geen sancties heeft verbonden, heeft de kantonrechter daarnaast geoordeeld dat niet is gebleken dat Defam alle (op grond van wet) verplichte informatie heeft opgenomen in de kredietovereenkomst.
2.3.
De bedoeling van het door Defam ingestelde hoger beroep is dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [de debiteur] veroordeelt om aan Defam te voldoen een bedrag van € 16.246,53, te vermeerderen met (a) de overeengekomen rente van 0,659% per maand, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding op grond van artikel 35 Wet Pro op het consumentenkrediet/ artikel 7:76 lid 2 BW Pro of (b) de wettelijke rente en te vermeerderen met de proceskosten van Defam in beide instanties. Defam komt met drie grieven op tegen het vonnis van de kantonrechter.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

De feiten
3.1.
Naar aanleiding van een kredietaanvraag van [de debiteur] heeft Defam aan hem een offertepakket verstrekt. Het offertepakket bestond uit een offerte voor een persoonlijke lening (tevens de concept kredietovereenkomst, in tweevoud), de productvoorwaarden en het zogenoemde formulier Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (hierna: het ESIC-formulier).
3.2.
In het “
Informatieblad DEFAM - Huiseigenaar Persoonlijke Lening (EUROPESE STANDAARDINFORMATIE INZAKE CONSUMENTENKREDIET)”(het ESIC-formulier) is, naast de identiteit en de contactgegevens van Defam en de tussenpersoon, een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en de kosten van het krediet, een aantal juridische aspecten en overige gegevens, onder meer, opgenomen:
“(…)
De voorwaarden voor kredietopneming
(…)
U ondertekent de kredietovereenkomst en stuurt deze met alle stukken naar
ons. Als de stukken in orde zijn, maken wij het geld naar u over.
(…)
Periode gedurende welke de
kredietgever door de
precontractuele informatie is
gebonden
Deze informatie is geldig tot en met 30-03-2019.
(…)
(…)”.
3.3.
Op 1 maart 2019 heeft Defam, via tussenkomst van een tussenpersoon, de door [de debiteur] getekende offerte met daarbij de aanvullende documenten retour ontvangen. De door [de debiteur] ondertekende “
Overeenkomst Huiseigenaar Persoonlijke Lening”met een contractnummer eindigend op 430 (hierna: de kredietovereenkomst) is gedateerd op 5 maart 2019. Op 6 maart 2019 heeft Defam de kredietaanvraag van [de debiteur] definitief geaccepteerd en het kredietbedrag aan hem beschikbaar gesteld.
3.4.
Naast het soort krediet, de gegevens van partijen, de looptijd van de kredietovereenkomst, het kredietbedrag, de debetrentevoet, het jaarlijks kostenpercentage, het totaal te betalen bedrag, de hoogte, het aantal en de frequentie van de door [de debiteur] te verrichten betalingen en het recht op vervroegde aflossing is in de kredietovereenkomst, onder meer, opgenomen:
“(…)
Bij het afsluiten van deze overeenkomst vragen wij u om een aantal documenten. Wij gaan deze overeenkomst met u aan onder de opschortende voorwaarde dat wij deze documenten van u ontvangen en op basis van deze documenten de kredietaanvraag accepteren. Indien wij op basis van de verstrekte documenten besluiten de kredietaanvraag niet te accepteren, dan komt de overeenkomst niet tot stand.
(…)
In dit schema ziet u naar wie wij geld overmaken en om welke bedragen het gaat:
Naam begunstigde
Plaats
Omschrijving
Rekeningnummer (IBAN)
Bedrag
[de debiteur] , MHA
[plaats]
Contractnr. (…)430
€ 15.000,00
(…)
Kenmerk machtiging: (…)430
(…)
Voordat u deze overeenkomst aangaat, ontvangt u het formulier "Europese Standaardinformatie Inzake Consumentenkrediet" (ESIC). U kunt zo een overwogen besluit nemen voor het sluiten van deze overeenkomst.
De Voorwaarden Persoonlijke Lening DEFAM B.V. (v20180601) zijn van toepassing op deze overeenkomst. Deze voorwaarden ontvangt u van ons als onderdeel van deze overeenkomst.
Door deze overeenkomst te ondertekenen, geeft u aan bovengenoemd ESIC, deze overeenkomst (…) en de Voorwaarden Persoonlijke Lening DEFAM B.V. (v20180601) te
hebben ontvangen, dat u op de hoogte bent van de inhoud en dat u akkoord gaat met de inhoud.
Er zijn twee exemplaren van deze overeenkomst.
(…)”.
3.5.
In de voorwaarden Persoonlijke Lening Defam B.V. (v20180601) is naast het recht op een gratis aflossingsschema, de vertragingsvergoeding, het herroepingsrecht en de informatie over een klachten- en beroepsprocedure, onder meer, opgenomen:
”(…)
8. In bepaalde gevallen mogen wij de overeenkomst direct opzeggen en het totale kredietbedrag opeisen. Wij mogen dit doen als:
a. u een verschuldigde termijn na tenminste twee maanden nog niet heeft betaald. Ook niet nadat wij u hebben gevraagd te betalen en u in gebreke hebben gesteld;
(…)”.
3.6.
Op 22 september 2023 heeft Defam een brief gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “
betalingsherinnering en ingebrekestelling contractnummer (…)701”. In deze brief is, onder meer, opgenomen:
“ (…) We hebben u meerdere brieven gestuurd met de vraag om uw betalingsachterstand op uw lening te voldoen. Helaas heeft u ons nog steeds niet (volledig) betaald. U ontvangt deze brief omdat wij u in gebreke stellen. Wij vragen u dringend het bedrag van€ 5.619,06over te maken naar ons. (…)
Zorgt u ervoor dat het bedrag binnen 8 dagen na de datum van deze brief bijgeschreven is op
rekeningnummer (…). Vermeld bij uw betaling altijd uw contractnummer (…)701. (…)
Als we geen bericht of betaling van u ontvangen, dan eisen we het totale openstaande bedrag van uw lening direct en in één keer op. (…)”.
3.7.
Op 23 november 2023 heeft Defam een brief gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp “
wij eisen uw lening met contractnummer (…)701 op”. In deze brief is, onder meer, opgenomen:
“(…) Wij hebben u meerdere brieven gestuurd met het verzoek om uw betalingsachterstand op uw lening te voldoen. Helaas heeft u ons nog steeds niet (volledig) betaald. Daarom eisen wij het totale openstaande bedrag van uw lening op.(…)
Het totale openstaande bedrag van uw lening is € 18.527,68 en dit eisen wij per direct op. Dit betekent dat u dit bedrag binnen 8 dagen volledig moet overmaken naar rekeningnummer
(…) o.v.v. uw contractnummer. Betaalt u niet binnen 8 dagen na datum van deze brief, dan dragen wij uw dossier over aan een (gerechts)deurwaarder. U betaalt ook alle kosten die hieraan verbonden zijn. (…)”.
3.8.
Op 2 januari 2024 heeft de gemachtigde van Defam een brief gestuurd aan [de debiteur] . In deze brief heeft de gemachtigde laten weten dat zij opdracht heeft gekregen van Defam om een uit hoofde van een persoonlijke lening openstaande schuld van € 16.570,05 te incasseren bij [de debiteur] . Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven dat de schuld uiterlijk op 9 januari 2024 moet zijn voldaan.
3.9.
Op 10 januari 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp
“ (…) Ref. opdrachtgever: (…)430”.In deze e-mail heeft de gemachtigde bevestigd dat er een betalingsregeling is getroffen met [de debiteur] voor een af te lossen bedrag van € 17.186,73.
3.10.
Op 8 maart 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp
“(…), Ref. opdrachtgever: (…)701”. In deze e-mail heeft de gemachtigde aan [de debiteur] geschreven dat de betalingsregeling niet correct is nagekomen. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven dat het totale openstaande bedrag opeisbaar is.
3.11.
Op 27 maart 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp
“(…) Ref. opdrachtgever: (…)701”. In deze e-mail heeft de gemachtigde bevestigd dat de betalingsregeling weer is geactiveerd.
3.12.
Op 8 mei 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp
“(…), Ref. opdrachtgever: (…)701”. In deze e-mail heeft de gemachtigde laten weten dat de ontstane betalingsachterstand uiterlijk op 13 mei 2024 moet zijn ingelopen.
3.13.
In reactie op de e-mail van de gemachtigde van 8 mei 2024 heeft [de debiteur] diezelfde dag een e-mail gestuurd met als onderwerp
“ RE:(…), Ref. opdrachtgever: (…)701”. In deze e-mail heeft [de debiteur] aangegeven dat hij niet aan zijn betalingsverplichting kan voldoen vanwege het loonbeslag dat door het kantoor van de gemachtigde op zijn salaris is gelegd.
3.14.
Op 17 mei 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp
“(…), Ref. opdrachtgever: (…)701”. In deze e-mail heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat de betalingsregeling (opnieuw) is komen te vervallen.
3.15.
Op 17 juli 2024 heeft de gemachtigde een e-mail gestuurd aan [de debiteur] met als onderwerp
“(…) Ref. opdrachtgever: (…)701”. In deze e-mail heeft de gemachtigde aangegeven dat de betaling van het openstaande bedrag van € 16.056,34 binnen vijf dagen moet zijn ontvangen
.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Ambtshalve toets aan het Europees consumentenrecht
4.1.
Defam is als professionele kredietgever een kredietovereenkomst aangegaan met [de debiteur] die daarbij heeft gehandeld als consument. Dit betekent dat de vordering van Defam betrekking heeft op een zogenoemde consumentenkredietovereenkomst in de zin van de Richtlijn consumentenkrediet. [1] Op grond van de consumentenbeschermende bepalingen in de Richtlijn consumentenkrediet (die in het nationale recht zijn opgenomen in afdeling 1 van titel 7:2A BW en de Wet financieel toezicht (Wft)) moet het hof ambtshalve beoordelen of Defam haar precontractuele en contractuele informatieplichten ten opzichte van [de debiteur] is nagekomen. Daarnaast moet het hof ambtshalve toetsen of Defam aan de kredietwaardigheidstoets heeft voldaan. [2] Het hof moet deze ambtshalve beoordeling ook verrichten als de debiteur (in dit geval: [de debiteur] ) verstek laat gaan. [3]
Precontractuele informatieplicht
4.2.
Voor een kredietverlening zoals hier aan de orde moet een kredietgever de consument op grond van artikel 7:60 BW Pro geruime tijd voordat deze wordt gebonden door een kredietovereenkomst of een aanbod, de in artikel 5 van Pro de Richtlijn consumentenkrediet voorgeschreven precontractuele informatie verstrekken. Uit artikel 5 van Pro de Richtlijn consumentenkrediet volgt dat de kredietgever kan voldoen aan de precontractuele informatieverplichting door het verstrekken van het ESIC-formulier. Het hof stelt vast dat Defam het ESIC-formulier heeft verstrekt aan [de debiteur] (zie hiervoor 3.1). Dit brengt mee dat Defam [de debiteur] heeft voorzien van de vereiste precontractuele informatie. Per geval moet worden beoordeeld wat precies dient te worden verstaan onder
“geruime tijd”in artikel 7:60 BW Pro. Daarbij gaat het erom dat de consument voldoende tijd moet hebben om de verstrekte informatie te doorgronden en desgewenst op basis van de verstrekte informatie verschillende aanbiedingen te vergelijken. [4] De enkele omstandigheid dat de consument geen gebruik maakt van de mogelijkheid om langer over de verstrekte precontractuele informatie na te denken en de kredietovereenkomst vrijwel onmiddellijk aangaat, dwingt niet tot het oordeel dat de precontractuele informatie niet geruime tijd voordat de consument door de kredietovereenkomst is gebonden, is verstrekt. [5] In het ESIC-formulier is vermeld dat de daarin opgenomen informatie geldig was tot en met 30 maart 2019. Defam heeft de door [de debiteur] getekende offerte met daarbij de aanvullende documenten retour ontvangen op 1 maart 2019. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat het ESIC-formulier op of voor 1 maart 2019 aan [de debiteur] is verstrekt. De door [de debiteur] ondertekende kredietovereenkomst is gedateerd op 5 maart 2019 en Defam heeft de kredietovereenkomst goedgekeurd en het kredietbedrag aan [de debiteur] ter beschikking gesteld op 6 maart 2019 (zie hiervoor 3.2 en 3.3). In het licht van het voorgaande heeft [de debiteur] voldoende tijd - te weten (tenminste) 30 dagen - gehad om de informatie uit het ESIC-formulier te doorgronden. Dit betekent dat hij goed geïnformeerd heeft kunnen besluiten over het aangaan van de kredietovereenkomst. Dat [de debiteur] er zelf voor heeft gekozen om de overeenkomst enkele dagen na de ontvangst van het ESIC-formulier te ondertekenen en aan Defam te retourneren, doet daaraan niet af. Hieruit volgt dat Defam heeft voldaan aan haar precontractuele informatieplicht.
Contractuele informatieplicht
4.3.
Als uitwerking van artikel 10 lid 1 en Pro lid 2 van de Richtlijn consumentenkrediet zijn in artikel 7:61 lid 1 BW Pro de vormvereisten en in artikel 7:61 lid 2 BW Pro de inhoudseisen opgenomen die gelden voor de kredietovereenkomst. Het is niet vereist dat alle in artikel 7:61 lid 2 BW Pro vermelde informatie is opgenomen in één document. Het is voldoende dat de informatie is opgenomen op papier (of een andere duurzame drager) en deel uitmaakt van de kredietovereenkomst. Wanneer de te verstrekken informatie niet in zijn geheel is opgenomen in het contractdocument, moet dat document duidelijk en nauwkeurig verwijzen naar de andere vóór het sluiten van de overeenkomst overhandigde duurzame drager(s). [6] De door Defam op grond van artikel 7:61 lid 2 BW Pro te verstrekken informatie staat deels vermeld in de kredietovereenkomst (zie hiervoor 3.4). De overige door Defam te verstrekken informatie is opgenomen in de Voorwaarden Persoonlijke Lening DEFAM B.V. (v20180601) (hierna: de algemene voorwaarden, zie hiervoor 3.5). De kredietovereenkomst is tot stand gekomen op 6 maart 2019 (zie hiervoor 3.3). Nu in de op 5 maart 2019 gedateerde kredietovereenkomst die [de debiteur] voor akkoord heeft ondertekend, staat vermeld dat [de debiteur] de algemene voorwaarden als onderdeel van de kredietovereenkomst heeft ontvangen (zie hiervoor 3.4), moet het ervoor worden gehouden dat Defam de algemene voorwaarden voor het sluiten van de overeenkomst, op een duurzame gegevensdrager, heeft verstrekt aan [de debiteur] . Dit betekent dat Defam heeft voldaan aan haar contractuele informatieplicht.
Kredietwaardigheidsonderzoek
4.4.
Als uitwerking van artikel 8 van Pro de Richtlijn consumentenkrediet is in artikel 4:34 lid 1 Wft Pro bepaald dat een kredietgever voorafgaand aan de totstandkoming van een kredietovereenkomst informatie moet inwinnen over de financiële positie van de consument en moet beoordelen of het aangaan van de kredietovereenkomst verantwoord is. Defam heeft gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van [de debiteur] heeft gecontroleerd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Defam de financiële informatie overgelegd die zij heeft ontvangen van [de debiteur] . Daarnaast heeft Defam een afschrift vertrekt van de door haar opgevraagde BKR-registratie. Het hof stelt voorop dat van de aanbieder van een consumentenkrediet mag worden verwacht dat hij voorsorteert op de door de rechter te verrichten ambtshalve toetsing. Hieruit volgt dat de kredietgever de rechter in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure dient te voorzien van alle benodigde informatie om de ambtshalve toetsing mogelijk te maken. Dat geldt ook voor de ambtshalve beoordeling van de kredietwaardigheidstoets. Het hof stelt vast dat het zonder een nadere toelichting op de door Defam overgelegde stukken niet kan beoordelen of Defam de kredietwaardigheid van [de debiteur] heeft getoetst op de in artikel 4:34 lid 1 Wft Pro voorgeschreven wijze. Het hof zal Defam de gelegenheid bieden haar stelling dat is voldaan aan de kredietwaardigheidstoets nader te onderbouwen door middel van een akte. [7] Het hof vraagt Defam daarbij in ieder geval in te gaan:
  • i) op de vraag wat wordt aangetoond met de overgelegde stukken; en
  • ii) - meer in het bijzonder - op de vraag wat de betekenis is van het bedrag van € 230,76 dat staat vermeld in het overgelegde inkomsten overzicht, mede in relatie tot andere in de stukken vermelde bedragen over de aflossing van het gevraagd krediet.
Opeisen van het krediet
4.5.
Defam heeft aangevoerd dat zij het krediet op grond van artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden rechtsgeldig vervroegd heeft opgeëist. Defam heeft toegelicht dat zij [de debiteur] in haar brief van 22 september 2023 in gebreke heeft gesteld nadat [de debiteur] meerdere vervallen termijnbedragen niet had voldaan. Aangezien [de debiteur] vervolgens opnieuw ten minste twee maanden achterstallig is gebleven in het betalen van die termijnen, heeft zij in haar brief van 23 november 2023 het totale krediet opgeëist, aldus Defam. Het hof stelt vast dat in de kredietovereenkomst het contractnummer (…)430 staat vermeld. Dit contractnummer komt niet terug in de door Defam overgelegde brief van 22 september 2023. Het contractnummer staat ook niet vermeld in de door Defam overgelegde brief van 23 november 2023. In plaats daarvan wordt in de door Defam overgelegde documenten steeds verwezen naar contractnummer (…)701. Dit geldt ook voor de door Defam als productie 9 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde specificatie en het overzicht financiële mutaties. Daarnaast is het contractnummer (…)430 in de correspondentie van de gemachtigde van Defam uitsluitend vermeld in de e-mail van 10 januari 2024 die ziet op een getroffen betalingsregeling. In de overige door Defam overgelegde correspondentie van haar gemachtigde, is steeds een verwijzing opgenomen naar
“Ref. opdrachtgever: (…)701”. Het contractnummer (…)430 komt in deze correspondentie van de gemachtigde niet voor. Voordat het hof zal beoordelen of Defam - gelet op haar verwijzing naar, onder meer, de hiervoor aangehaalde brieven van 22 september 2023 en 23 november 2023 - heeft voldaan aan haar stelplicht dat zij het krediet rechtsgeldig heeft opgeëist, zal het Defam in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten in de hiervoor onder 4.4 vermelde akte. Het hof vraagt Defam om daarbij in ieder geval in te gaan op:
  • iii) de vraag waarom er twee verschillende contractnummers zijn vermeld in de door Defam overgelegde documenten;
  • iv) de vraag waardoor het verschil in contractnummers is ontstaan;
  • v) de vraag of [de debiteur] wist dat het contractnummer is gewijzigd en, zo ja, waaruit dit blijkt.
4.6.
Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2026 voor het nemen van de hiervoor onder 4.4 en 4.5 omschreven akte;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen, G.J. Meijer en W.H. van Boom, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.Richtlijn nr. 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten.
2.HvJ EU 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283 en HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008.
3.HvJ EU 30 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:518.
4.TK, vergaderjaar 2009-2010, 32 339, nr. 3, blz. 16.
5.HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008.
6.HvJ EU 9 november 2016, ECLI:EU:C:2016:842.
7.HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008 r.o. 3.6.8.