Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerders,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Die machtiging is door de kantonrechter in de, in 3.4 genoemde, beschikking verleend onder de voorwaarde dat de (toen overgelegde) (concept-)overeenkomst zou worden aangepast in die zin dat de lening direct opeisbaar zou worden als over de goederen van de bewindvoerders een bewind of een faillissement zou worden uitgesproken of als zij surseance van betaling zouden aanvragen alsmede onder de voorwaarde dat zekerheid zou worden gesteld.
Het mag zo zijn dat de bewindvoerders het redelijk vinden dat met het hogere bedrag aan woonlasten rekening wordt gehouden omdat daarin ook een vergoeding is opgenomen voor onderhoud en belasting voor de woning, maar de kantonrechter kiest, zo blijkt uit de bestreden beschikking, er in dit soort zaken voor om uit te gaan van de werkelijke woonlasten. Het hof ziet geen aanleiding om van de laatstgenoemde benadering af te wijken en zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen. Het hof merkt in dit verband op dat het de bewindvoerders uiteraard vrij staat om in de toekomst, voorafgaand aan de indiening van een rekening en verantwoording, een verhoging van het in rekening te brengen kostgeld te vragen bij de kantonrechter.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de bewindvoerders na de bestreden beschikking op 29 augustus 2025 een borgstellingsovereenkomst hebben gesloten met de broer van bewindvoerder [appellant1] , waarbij die broer zich, kort samengevat, jegens [belanghebbende] verbindt tot betaling van al hetgeen [belanghebbende] van de bewindvoerders heeft te vorderen uit hoofde van de geldovereenkomst, vermeerderd met in de toekomst verschuldigde rente. Ook is gebleken dat de bewindvoerders inmiddels in januari 2026 een bedrag van € 45.000,- (de helft van de totale lening) hebben afbetaald en dat het hun bedoeling is om het resterende deel binnen een jaar af te betalen. Het hof constateert dat de bewindvoerders niet exact hebben voldaan aan wat de kantonrechter hen heeft opgedragen. Zij hebben namelijk een borgstellingsovereenkomst gesloten terwijl de kantonrechter expliciet hypothecaire zekerheid verlangde. Het is niet aan het hof om te beoordelen of in dit specifieke geval de borgstellingsovereenkomst als een acceptabel alternatief voor een hypothecaire zekerheid kan worden gezien. De bewindvoerders dienen in lijn met de bestreden beschikking bij de kantonrechter te laten zien dat zij de genoegzaam voldaan hebben aan hetgeen de kantonrechter van hen verlangt in de bestreden beschikking en in dat kader de borgstellingsovereenkomst ter beoordeling aan de kantonrechter voor te leggen. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit onderdeel bekrachtigen.