Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1810

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.358.816
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beschikking over kostgeld en hypothecaire zekerheid bewindvoerders

De zaak betreft een hoger beroep van bewindvoerders tegen een beschikking van de kantonrechter Gelderland waarin zij werden verplicht een deel van het te veel in rekening gebracht kostgeld aan de rechthebbende terug te betalen en hypothecaire zekerheid te stellen voor een lening van € 90.000,-.

De bewindvoerders hadden in 2024 € 19.200,- aan kostgeld in rekening gebracht, terwijl de kantonrechter dit op € 13.200,- had vastgesteld, gebaseerd op werkelijke bruto hypotheeklasten. De bewindvoerders voerden aan dat hun berekening gebaseerd was op een fictieve huurprijs en dat het hogere bedrag redelijk was vanwege onderhoud en belastingen, maar het hof volgde de kantonrechter in het uitgangspunt van werkelijke woonlasten.

Daarnaast hadden de bewindvoerders een borgstellingsovereenkomst gesloten in plaats van de vereiste hypothecaire zekerheid te stellen. Het hof oordeelde dat het aan de kantonrechter is om te beoordelen of deze borgstelling voldoende is en bekrachtigde de verplichting tot het stellen van hypothecaire zekerheid.

Het hof verwierp alle grieven van de bewindvoerders en bekrachtigde de bestreden beschikking, waarmee de bewindvoerders gehouden blijven tot terugbetaling van het teveel in rekening gebrachte kostgeld en het stellen van zekerheid voor de lening.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de kantonrechterlijke beschikking dat bewindvoerders teveel kostgeld moeten terugbetalen en hypothecaire zekerheid moeten stellen voor de lening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.816
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11472830)
beschikking van 26 maart 2026
inzake
[appellant1] en [appellant2],
wonende in Ede,
verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerders,
advocaat: mr. J. Veninga.
Als belanghebbende is ook aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende in Ede,
verder te noemen: [belanghebbende] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 5 september 2025;
- het journaalbericht van mr. Veninga van 12 februari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij was de bewindvoerder [appellant1] aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat.
De bewindvoerder [appellant2] en [belanghebbende] zijn uitgenodigd, maar zij waren niet aanwezig.

3.De feiten

3.1
[belanghebbende] , geboren in Hoorn op 4 juni 1991, is de dochter van de bewindvoerders, bij wie zij in huis woont en van wie zij voor haar zorg afhankelijk is.
3.2
Bij beschikking van 6 juli 2009 heeft de kantonrechter in de rechtbank Alkmaar een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [belanghebbende] als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van de bewindvoerders.
3.3
De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft op 13 februari 2013 aan de bewindvoerders goedkeuring verleend voor het in rekening brengen bij [belanghebbende] van kostgeld van € 600,- per maand, als bijdrage in de kosten van haar huisvesting en levensonderhoud, inclusief zorgverzekering, kleding en dergelijke.
3.4
Bij beschikking van 23 december 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een machtiging verleend aan de bewindvoerders voor een lening van € 90.000,-onder de voorwaarde dat zekerheid gesteld zou worden voor de terugbetaling van de lening en aanpassing van artikel 2 van Pro de overeenkomst. Daarbij is overwogen dat dit bijvoorbeeld zou kunnen door het vestigen van een (tweede) recht van hypotheek op de woning of door het vestigen van het recht van pand op de op naam van [appellant1] staande koopsompolis.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter bepaald dat de bewindvoerders:
- een bedrag van € 4.127,58 (€ 1.800,- + € 6.000,- -/- € 3.672,42) moeten terugstorten op
de beheerrekening van [belanghebbende] ;
- alsnog binnen drie maanden na 6 juni 2025 hypothecaire zekerheid moeten stellen voor de
lening van € 90.000,-.
4.2
De bewindvoerders zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof om die beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat zij:
- een bedrag van € 6.000,- aan [belanghebbende] dienen te voldoen in het kader van teveel in rekening
gebracht kostgeld en
- hypothecaire zekerheid moeten stellen voor de lening van € 90.000,-
en opnieuw beschikkende:
- te bepalen dat [belanghebbende] een bedrag van € 1.872,42 (€ 3.672,42 -/- € 1.800,-) moet voldoen op
hun rekening,
althans de beslissing te nemen die het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Uit de stukken en wat tijdens de zitting van het hof is gezegd is het volgende gebleken. De bewindvoerders hebben in 2020 een machtiging gevraagd om van [belanghebbende] € 90.000,- te lenen voor de aankoop van een woning voor henzelf die volledig is aangepast voor [belanghebbende] .
Die machtiging is door de kantonrechter in de, in 3.4 genoemde, beschikking verleend onder de voorwaarde dat de (toen overgelegde) (concept-)overeenkomst zou worden aangepast in die zin dat de lening direct opeisbaar zou worden als over de goederen van de bewindvoerders een bewind of een faillissement zou worden uitgesproken of als zij surseance van betaling zouden aanvragen alsmede onder de voorwaarde dat zekerheid zou worden gesteld.
In een e-mailbericht van 20 september 2024 hebben de bewindvoerders de kantonrechter geïnformeerd over het feit dat [belanghebbende] maandelijks een bedrag van € 1.800,- aan kostgeld aan hen betaalt, welk bedrag door hen in de rekening en verantwoording over 2024 werd opgenomen. Die rekening en verantwoording werd op dat onderdeel afgekeurd, waarna zij € 6.000,- aan teveel in rekening gebracht kostgeld aan [belanghebbende] moesten terugbetalen. De kantonrechter heeft toen ook geconstateerd dat de bewindvoerders niet hadden voldaan aan de eerder in de beschikking van 23 december 2020 gestelde voorwaarde om zekerheid te stellen in verband met de lening en dit alsnog zouden moeten doen.
5.2
De bewindvoerders kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de kantonrechter dat zij in het jaar 2024 € 6.000,- te veel aan kostgeld bij [belanghebbende] in rekening hebben gebracht en dat zij dat bedrag aan [belanghebbende] moeten terugbetalen. Zij hadden in genoemd jaar € 19.200,- (€ 1.600,- per maand) aan kostgeld bij [belanghebbende] in rekening gebracht, terwijl de kantonrechter na een herberekening uitkwam op een bedrag van € 13.200,- per jaar (€ 1.100,- per maand). De bewindvoerders hebben in hun eigen kostgeldberekening aansluiting gezocht bij de ‘huurprijscheck Zelfstandig’ van de Huurcommissie en komen op dit moment op een nog hoger maandbedrag van € 1.802,-. De kantonrechter heeft geoordeeld dat kostgeld dient te worden bepaald volgens de richtlijnen van het Nibud. In zowel de berekening van de bewindvoerders als in die van de kantonrechter wordt zoveel mogelijk uitgegaan van 1/3 deel van de werkelijke kosten. Het grote verschil is echter ontstaan omdat de bewindvoerders in hun berekening, voor wat betreft de woonlasten, zijn uitgegaan van 1/3 deel van een fictieve huur van € 2.400,- per maand voor een vergelijkbare woning, terwijl de kantonrechter is uitgegaan van 1/3 deel van de werkelijke bruto hypotheeklasten van de bewindvoerders ten bedrage van € 460,83 per maand.
Het mag zo zijn dat de bewindvoerders het redelijk vinden dat met het hogere bedrag aan woonlasten rekening wordt gehouden omdat daarin ook een vergoeding is opgenomen voor onderhoud en belasting voor de woning, maar de kantonrechter kiest, zo blijkt uit de bestreden beschikking, er in dit soort zaken voor om uit te gaan van de werkelijke woonlasten. Het hof ziet geen aanleiding om van de laatstgenoemde benadering af te wijken en zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen. Het hof merkt in dit verband op dat het de bewindvoerders uiteraard vrij staat om in de toekomst, voorafgaand aan de indiening van een rekening en verantwoording, een verhoging van het in rekening te brengen kostgeld te vragen bij de kantonrechter.
5.3
De bewindvoerders kunnen zich ook niet verenigen met de bestreden beschikking voor zover de kantonrechter daarin heeft bepaald dat zij alsnog binnen drie maanden hypothecaire zekerheid moeten stellen voor de lening van € 90.000,-. De kantonrechter heeft in de eerdere beschikking van 23 december 2020 een machtiging verleend aan de bewindvoerders voor een lening van € 90.000,- van [belanghebbende] met -onder andere- de voorwaarde dat zekerheid gesteld zou worden voor de terugbetaling van de lening. Omdat de bewindvoerders aan die voorwaarde niet hadden voldaan heeft de kantonrechter in de bestreden beschikking bepaald dat zij alsnog en binnen drie maanden na de bestreden beschikking aan die voorwaarde moesten voldoen, door het stellen van hypothecaire zekerheid.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de bewindvoerders na de bestreden beschikking op 29 augustus 2025 een borgstellingsovereenkomst hebben gesloten met de broer van bewindvoerder [appellant1] , waarbij die broer zich, kort samengevat, jegens [belanghebbende] verbindt tot betaling van al hetgeen [belanghebbende] van de bewindvoerders heeft te vorderen uit hoofde van de geldovereenkomst, vermeerderd met in de toekomst verschuldigde rente. Ook is gebleken dat de bewindvoerders inmiddels in januari 2026 een bedrag van € 45.000,- (de helft van de totale lening) hebben afbetaald en dat het hun bedoeling is om het resterende deel binnen een jaar af te betalen. Het hof constateert dat de bewindvoerders niet exact hebben voldaan aan wat de kantonrechter hen heeft opgedragen. Zij hebben namelijk een borgstellingsovereenkomst gesloten terwijl de kantonrechter expliciet hypothecaire zekerheid verlangde. Het is niet aan het hof om te beoordelen of in dit specifieke geval de borgstellingsovereenkomst als een acceptabel alternatief voor een hypothecaire zekerheid kan worden gezien. De bewindvoerders dienen in lijn met de bestreden beschikking bij de kantonrechter te laten zien dat zij de genoegzaam voldaan hebben aan hetgeen de kantonrechter van hen verlangt in de bestreden beschikking en in dat kader de borgstellingsovereenkomst ter beoordeling aan de kantonrechter voor te leggen. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit onderdeel bekrachtigen.
5.4
Uit het voorgaande volgt dat alle grieven falen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 juni 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en C.M. Schönhagen, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.