Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor opzettelijke brandstichting in zijn woning, waarbij levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en materiële schade ontstonden. De brand ontstond vermoedelijk door het aansteken van een brandbare stof, waarbij getuigen zagen dat verdachte met een vloeistof gooide en een ruit insloeg. Verdachte ontkende de brand te hebben waargenomen, maar dit werd door het hof ongeloofwaardig geacht.
De rechtbank had verdachte eerder veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf en een gedragsbeïnvloedende maatregel. Het hof bevestigde de bewezenverklaring, maar wijzigde de strafoplegging naar 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, om de ernst van het feit en het recidiverisico beter te weerspiegelen.
Psychiatrisch onderzoek toonde aan dat verdachte leed aan PTSS, cannabismisbruik en acculturatieproblemen, wat zijn toerekenbaarheid verminderde. Verdachte verkeerde op de dag van de brand in een geagiteerde stemming door televisiebeelden van de oorlog in Gaza. Het hof achtte een gedragsbeïnvloedende maatregel noodzakelijk vanwege het aanzienlijke recidiverisico.
Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 120 dagen bevolen, omdat verdachte tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegde. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en legde de straf en maatregel op conform de wettelijke bepalingen.