In deze strafzaak stond een rechtspersoon die een mesthandel drijft terecht voor het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM’s) en het gebruik daarvan. De rechtbank Overijssel sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Zowel verdachte als het Openbaar Ministerie stelden hoger beroep in tegen het vonnis. Het hof heeft de zaak behandeld op zittingen in februari en maart 2026, waarbij de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging zijn besproken.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep van verdachte tegen de vrijspraak niet-ontvankelijk is, omdat hoger beroep tegen een vrijspraak van een meervoudige kamer niet openstaat volgens artikel 404, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. Daarnaast verwierp het hof het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn wegens schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat meerdere vennootschappen binnen hetzelfde concern werden vervolgd.
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank Overijssel en verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen de vrijspraak. De vrijspraak blijft daarmee in stand.