De betrokkene is door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor een opzettelijke overtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het hof heeft in hoger beroep vastgesteld dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft behaald.
Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €20.600,-, terwijl de verdediging kosten van €6.884,- in mindering bracht vanwege extra transportbewegingen veroorzaakt door het gebruik van uienwater in plaats van slootwater. Het hof acht deze kosten terecht en stelt het voordeel vast op €13.716,-.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaar, vermindert het hof de betalingsverplichting met 10%, waardoor betrokkene €12.344,- moet betalen aan de Staat. Tevens bepaalt het hof de maximale duur van gijzeling op 123 dagen. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.