Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1857

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
21-000273-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens overtreding Wabo met matiging betalingsverplichting

De betrokkene is door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor een opzettelijke overtreding van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het hof heeft in hoger beroep vastgesteld dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft behaald.

Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €20.600,-, terwijl de verdediging kosten van €6.884,- in mindering bracht vanwege extra transportbewegingen veroorzaakt door het gebruik van uienwater in plaats van slootwater. Het hof acht deze kosten terecht en stelt het voordeel vast op €13.716,-.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaar, vermindert het hof de betalingsverplichting met 10%, waardoor betrokkene €12.344,- moet betalen aan de Staat. Tevens bepaalt het hof de maximale duur van gijzeling op 123 dagen. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €13.716,- en legt een betalingsverplichting van €12.344,- op met 10% matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000273-22
Uitspraakdatum: 17 maart 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 december 2021 met parketnummer 08-997011-18 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,
wonende in [woonplaats]

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de economische kamer van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissingen betrokken wat besproken is op de zittingen van het hof van 3 februari 2026 en 17 maart 2026 en de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door betrokkene en zijn raadslieden, mr. M.G. Bischop en mr. A.C. Huisman, is aangevoerd.

Beslissing

Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

Ontnemingsvordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 20.600,-. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep is het openbaar ministerie bij die vordering gebleven.

Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is bij vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2022 veroordeeld tot een geldboete, voor:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan.
Het hof neemt dit onherroepelijke vonnis als grondslag voor de ontnemingsvordering.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft behaald.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich blijkens de ter terechtzitting overgelegde conclusie aangesloten bij de inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben bepleit dat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 6.884,- aan kosten in aanmerking moet worden genomen. Verdachte heeft extra kosten gemaakt omdat een groter volume is vervoerd van de mestkelder naar de kavels waar de mest is uitgereden. De mest was in de mestkelder vermengd met uienwater, waardoor ten opzichte van de situatie waarin de mest ter plaatse van de kavels met slootwater zou zijn vermengd meer transportbewegingen zijn gemaakt.
Oordeel van het hof
Op grond van wettige bewijsmiddelen [1] schat het hof het door betrokkene behaalde voordeel op € 13.716,-. Daarbij is het volgende van belang.
Opbrengsten
De creditbedragen die Bakker Energie B.V. aan Dienstverlenend Agrarisch Bedrijf D. de Haan heeft gefactureerd, vormen de opbrengst van het strafbare handelen. Uit de beschikbare facturen blijkt dat het gaat om een bedrag van in totaal € 20.600,-. [2] Deze berekening is door de verdediging niet betwist.
Kosten
Als betrokkene slootwater had gebruikt zou de uit te rijden mest ter plaatse van de kavels zijn gemengd met slootwater. Nu is de uitgereden mest al in de opslag met uienwater/proceswater vermengd en heeft betrokkene meer volume mest – vermengd met uienwater/proceswater – naar de kavels verplaatst en daardoor extra vervoersbewegingen gemaakt. Betrokkene heeft voor het transport een loonbedrijf ingehuurd.
Het hof acht voldoende onderbouwd dat betrokkene in verband met het uitrijden van met uienwater/proceswater gemengde mest extra kosten heeft moeten maken. Deze kosten staan in directe relatie tot het delict en zouden zijn bespaard als het delict niet zou zijn gepleegd. Zij moeten daarom bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking worden genomen.
De berekening van de kosten is gebaseerd op uitgangspunten die voldoende zijn onderbouwd en door de advocaatgeneraal niet zijn betwist en zij komt het hof aannemelijk voor. Het hof brengt daarom bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel € 6.884,- op het brutovoordeel in mindering.
Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 13.716,- (€ 20.600,- ‑/- € 6.884,-).

Verplichting tot betaling aan de Staat

In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van de betrokkene gewaarborgd om binnen een redelijke termijn een beslissing op een ontnemingsvordering te ontvangen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een ontnemingsvordering moet zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Betrokkene heeft op 24 januari 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 17 maart 2026 uitspraak doet. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaren. Nu er geen sprake is van enige bijzondere omstandigheid die deze mate van overschrijding verklaart, dient de overschrijding tot matiging van de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting te leiden. Het hof vermindert de betalingsverplichting daarom met 10% bij een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 13.716,-.
Het hof verplicht betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (afgerond) € 12.344,- (€ 13.716,- -/- € 1.371,60) te betalen.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de uitspraak waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 13.716,00 (dertienduizend zevenhonderdzestien euro).
Legt betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 12.344,00 (twaalfduizend driehonderdvierenveertig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 123 dagen.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. J. Corthals, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit (de doorgenummerde) pagina’s uit het financieel dossier van onderzoekKoekoek, onderzoeksnummer [onderzoeksnummer] , van de politie Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, team Milieu, van 25 februari 2020 (aantal doorgenummerde pagina’s: 6263). Verwezen wordt steeds naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij hieronder anders wordt vermeld.
2.Financieel dossier, pagina 5993.