Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1925

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.333.892/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 2 onder a BWArt. 1:377a lid 3 onder c BWArt. 1:377a lid 3 onder d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling zorgregeling wegens falen jeugdhulp en gebrek aan contactherstel

In deze zaak vordert de vader de vaststelling van een zorgregeling voor zijn minderjarige dochter, geboren in 2009. Het hof constateert dat ondanks eerdere tussenbeschikkingen en adviezen van de raad voor de kinderbescherming, de noodzakelijke jeugdhulpverlening niet van de grond is gekomen. Er is sprake van een patstelling tussen de moeder, de raad en hulpverleners, waardoor het contact tussen vader en dochter al bijna twee jaar ontbreekt.

De minderjarige heeft meerdere malen haar weigering tot contact met haar vader kenbaar gemaakt, wat door het hof als zorgelijk wordt beschouwd. De moeder heeft onvoldoende actie ondernomen om de hulpverlening te bevorderen, terwijl de vader wel openstaat voor contact, maar dit niet wil afdwingen. Het hof benadrukt het belang van contactherstel voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige, maar verliest het vertrouwen in het vrijwillige kader van hulpverlening.

Gezien de leeftijd van de minderjarige (16 jaar) en haar uitgesproken bezwaren tegen contact, acht het hof het opleggen van contact zonder adequate hulpverlening niet in haar belang. Het verzoek van de vader wordt daarom afgewezen. Het hof vernietigt tevens de eerdere beschikking van de rechtbank Midden-Nederland voor zover deze aan het oordeel van het hof onderworpen is.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling wordt afgewezen wegens het uitblijven van noodzakelijke hulpverlening en het ontbreken van contact tussen vader en minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.892/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 543337)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H. Hooijer te Zeist.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 24 april 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht namens de vader van 25 augustus 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 29 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 8 september 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 21 november 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 1 december 2025;
- een mail van [naam1] ( [naam1] ) van 20 januari 2026, waarin [naam1] zich afmeldt voor de zitting.
1.3
De minderjarige dochter van partijen ( [de minderjarige] ) heeft bij brief, ingekomen op
12 februari 2026, aan het hof (opnieuw) haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling.
1.4
Op 17 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. Nijenhuis en een tolk in de Russische taal;
- de vader, bijgestaan door mr. Hooijer;
- een vertegenwoordiger van de raad die ook het raadsonderzoek heeft gedaan en de aanvullende rapportage heeft opgesteld.

2.De motivering van de beslissing

2.1
In zijn tussenbeschikking van 24 april 2025 heeft het hof in niet mis te verstane bewoordingen laten weten wat het van de gang van zaken tot dan toe vond. Het hof moest destijds vaststellen dat niet voor het eerst in deze kwestie geen uitvoering was gegeven aan een door de rechter vastgestelde (voorlopige) zorgregeling en dat er (weer) geen omgang plaatsvond tussen de vader en [de minderjarige] . Het in een eerdere tussenbeschikking door het hof gevraagde raadsonderzoek naar de mogelijkheden van contact tussen de vader en [de minderjarige] was op 26 juli 2024 afgerond met een rapport. De raad zag geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . Vervolgens is in de uitvoering van de te organiseren jeugdhulp een patstelling ontstaan. Er was sprake van onenigheid tussen de moeder en de raad enerzijds en [naam1] anderzijds, omdat [naam1] eerst zelfstandig een onderzoek wilde uitvoeren om te onderzoeken welke hulpverlening noodzakelijk was en de moeder en de raad dit overbodig vonden omdat de raad dit al had onderzocht en hierover had geadviseerd. Het lukte daardoor niet om de ouders naar een hulpverleningstraject bij [naam2] te leiden, dat gericht is op contactherstel/omgangsondersteuning, terwijl dat wel was wat er volgens de raad moest gebeuren in het belang van [de minderjarige] en beide ouders daarvoor ook openstonden (nadat de raad de nodige overtuigingskracht richting de moeder had gebruikt). Het hof noemde de situatie op dat moment buitengewoon betreurenswaardig. In zijn tussenbeschikking van 24 april 2025 heeft het hof geprobeerd om de voor [de minderjarige] noodzakelijk geachte hulpverlening gericht op contactherstel met de vader alsnog te bewerkstelligen. De moeder had ter zitting van 13 maart 2025 aangegeven daar nog steeds voor open te staan. Het hof heeft toen een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld in die zin dat met hulp en ondersteuning van [naam2] wordt toegewerkt naar minimaal één ontmoeting per maand, tenzij de hulpverlening daarvoor belemmeringen ziet, waarbij de regie zoveel mogelijk bij [de minderjarige] ligt en het aan de hulpverlening is om te bepalen wanneer het eerste contact tussen de vader en [de minderjarige] zal plaatsvinden. Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de voortgang van de hulpverlening.
2.2
Inmiddels is gebleken dat de beschikking van 24 april 2025 geen beweging in de zaak heeft gebracht. Er is nog altijd geen contact tussen de vader en [de minderjarige] en er is ook geen hulpverlening gestart die de situatie zou kunnen verbeteren. De laatste ontmoeting tussen de vader en [de minderjarige] is bijna twee jaar geleden en daarvoor hadden zij ook al langere tijd geen contact. Uit de onder 1.2 genoemde berichten van de ouders blijkt dat na die tussenbeschikking aan beide kanten onduidelijkheid bestond over de rol van de raad in het geheel. De vraag was of de aanmelding bij [naam1] wel of niet via de raad zou gaan. In tegenstelling tot de moeder heeft de vader zich in ieder geval ook zelfstandig (opnieuw) aangemeld bij [naam1] . [naam1] heeft de vader op 29 oktober 2025 bericht het dossier (wederom) te hebben gesloten, omdat geen aanvraag van de moeder was ontvangen.
2.3
Naar aanleiding van het verzoek van de vader van 21 november 2025 heeft het hof een nieuwe zitting bepaald die primair tot doel had te bespreken op welke manier betrokkenen zouden kunnen worden doorverwezen naar voor hen passende hulpverlening, zoals in de tussenbeschikking van 24 april 2025 was bepaald. Het hof heeft besloten [naam1] als informant aan te merken en op te roepen voor de zitting van 17 februari 2026. [naam1] heeft aan de oproep van het hof geen gehoor willen geven, omdat zij niet meer betrokken zijn. De door [naam1] telefonisch toegezegde schriftelijke toelichting op hun werkwijze is achterwege gebleven. Op uitdrukkelijk verzoek van het hof was ter zitting een medewerker van de raad aanwezig die inhoudelijk nauw bij (het onderzoek in) de zaak betrokken is. Ter zitting kwam naar voren dat de raad na de laatste tussenbeschikking de zaak niet verder heeft opgepakt en sindsdien niet meer betrokken is geweest.
2.4
Het hof kan niet anders dan concluderen dat het systeem van jeugdhulp ten aanzien van [de minderjarige] faalt. Het lukt maar niet om gedaan te krijgen wat in het belang van [de minderjarige] nodig is. Het hof vindt dat beschamend en verdrietig. Daarnaast heeft de opstelling van de moeder in het hele proces het tot stand brengen van betekenisvol contact tussen [de minderjarige] en haar vader nog verder bemoeilijkt. Niet blijkt dat de moeder na de tussenbeschikking enige actie heeft ondernomen om de voor [de minderjarige] noodzakelijke hulpverlening van de grond te krijgen, ondanks dat het hof de moeder duidelijk heeft aangesproken op haar verantwoordelijkheden als verzorgende ouder. De moeder blijft erbij dat zij heeft geprobeerd om [de minderjarige] te stimuleren, maar dat het voor haar ophoudt als [de minderjarige] niet wil. [de minderjarige] weigert contact(herstel) met de vader en daarop gerichte hulpverlening. Voor [de minderjarige] is er geen vader meer in haar leven, aldus de moeder. Het hof vindt dat zorgelijk om te horen. De moeder voert nu als extra complicerende factor aan dat [de minderjarige] sinds zij 16 jaar is zelf een handtekening moet zetten voor de aanvraag van jeugdhulpverlening. Het hof acht dat een gelegenheidsargument, omdat het belang van [de minderjarige] bij contactherstel met de vader en de daarvoor benodigde hulpverlening de moeder in deze langslepende procedure ook al duidelijk was toen [de minderjarige] nog maar 14 jaar was en het toen ook al niet is gelukt.
2.5
[de minderjarige] heeft het hof op eigen initiatief een brief geschreven voor de zitting van 17 februari 2026. Daarin schrijft zij dat zij nog steeds geen contact met de vader wil en waarom zij dat niet wil.
De grote wens van de vader is nog altijd dat het contact met [de minderjarige] wordt hersteld, hoe minimaal en in welke vorm dan ook. Het frustreert de vader dat de daarvoor benodigde hulpverlening niet van de grond komt.
2.6
Het hof staat nog volledig achter de inhoud van zijn tussenbeschikking van 24 april 2025 en acht contactherstel met de vader onverminderd belangrijk voor de (identiteits)ontwikkeling van [de minderjarige] . Net als de raad is het hof nog steeds van oordeel dat het goed zou zijn voor [de minderjarige] om de vader minimaal eenmaal per maand te ontmoeten. Wel acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat zij daarop met hulpverlening wordt voorbereid en ondersteuning krijgt bij het op gang brengen van het contact met haar vader. Het hof heeft het vertrouwen dat die hulpverlening en ondersteuning voor [de minderjarige] in het vrijwillig kader van de grond komen echter verloren. De raad heeft ter zitting gezegd dat zonder de juiste hulpverlening het vastleggen van een contactregeling met de vader niet in het belang van [de minderjarige] is. Het hof onderschrijft dat standpunt, hoe frustrerend deze uitkomst ook is. Dat betekent dat het hof in het huidige vrijwillige kader geen andere mogelijkheid heeft dan het inleidende verzoek van de vader af te wijzen. Aan de gronden voor ontzegging van de omgang is voldaan. [1] [de minderjarige] is inmiddels 16 jaar en heeft bij herhaling blijk gegeven van ernstige bezwaren tegen contact met de vader. Hoe [de minderjarige] ook tot haar standpunt ten aanzien van de vader is gekomen, het is nu wat het is. Gelet op haar leeftijd laat [de minderjarige] zich onderhand niet meer dwingen en zal het tegen haar zin opleggen van contact de weerstand van [de minderjarige] tegen haar vader mogelijk enkel verder doen toenemen. De vader heeft ter zitting aangegeven [de minderjarige] ook niet te willen dwingen. De vader spreekt de hoop uit dat [de minderjarige] op een later moment zelf contact met hem opneemt. Zijn deur staat altijd voor haar open. Daarbij acht het hof verplicht contact met de vader zonder dat adequate hulpverlening verzekerd is in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . [de minderjarige] zal als 16-jarige niet tekenen voor het starten van jeugdhulpverlening waar zij niet achter staat. Daarmee loopt de weg in het vrijwillig kader dood. De raad heeft ter zitting gezegd een beschermingsonderzoek te overwegen.
2.7
Het hof realiseert zich dat het vorenstaande betekent dat de vader door het instellen van incidenteel hoger beroep in een juridisch nadeliger positie komt te verkeren dan wanneer hij dat hoger beroep niet had ingesteld (reformatio in peius). In zaken betreffende omgang en gezag kan de rechter in het belang van het kind echter afwijken van hetgeen de ouders verzoeken. [2] De rechter kan dus in het belang van het kind buiten de rechtsstrijd treden. Het verbod van reformatio in peius geldt dan ook niet of in mindere mate in zaken betreffende gezag en omgang. Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] in dit geval prevaleert boven de procesrechtelijke waarborg die het verbod van reformatio in peius biedt. Bovendien verandert er voor de vader niets in de feitelijke situatie.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 3 augustus 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst af het verzoek van de vader tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen ten aanzien van [de minderjarige] , geboren [in] 2009.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, C. Coster en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:253a lid 2 onder a juncto artikel 1:377a lid 3 onder c en d BW.
2.Artikel 1:253a lid 1 BW.