Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1933

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
21-003097-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijspraak poging tot doodslag op zoontje met verbetering van gronden

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd waarin verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag op zijn zoontje van ongeveer 4,5 maand oud. Het hof kon net als de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen hoe en wanneer het letsel bij het kind was ontstaan en wie daarbij aanwezig was.

De advocaat-generaal had gevorderd dat verdachte werd veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf en een contactverbod, maar het hof volgde dit niet. De verdediging had vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van bewijs over het ontstaan van het letsel.

Het hof verbeterde enkele gronden van de rechtbank, met name op basis van aanvullingen van een deskundige over de moeilijkheid om het tijdstip van het letsel vast te stellen. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak.

Het hof benadrukte het belang van wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling en erkende dat de uitkomst teleurstellend is voor betrokkenen. Het arrest werd uitgesproken op 31 maart 2026 door een meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003097-23
Uitspraakdatum: 31 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 29 juni 2023 met parketnummer 16-004198-22 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor gemelde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 en 31 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Reisinger, de benadeelde partij [benadeelde] en haar advocaat, mr. P. van der Geest hebben aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis is de verdachte geheel vrijgesproken van het primair, subsidiair, en meer subsidiair tenlastegelegde. De rechtbank heeft daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Tenslotte heeft de rechtbank het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter zitting gerekwireerd tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd om een 38v-maatregel op te leggen aan de verdachte, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en [benadeelde] , met toepassing van de vervangende hechtenis van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden. De advocaat-generaal heeft tevens verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft in lijn met hetgeen is aangevoerd bij de rechtbank vrijspraak bepleit, omdat - kortgezegd - niet duidelijk is hoe het letsel is ontstaan, wanneer het letsel is ontstaan en dus ook niet bewezen kan worden dat het letsel is toegebracht door de verdachte. Volgens de verdediging dient verdachte dan ook geheel te worden vrijgesproken en kan de vordering van de benadeelde partij niet worden toegewezen.

Het oordeel van het hof

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de rechtbank. Wel zal het hof naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is besproken, enkele gronden in het vonnis verbeteren.
De conclusie is dat het hof, net als de rechtbank, zal oordelen dat de verdachte geheel wordt vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Ook onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de benadeelde partij als gevolg van de vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Dat betekent dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met verbetering van onderstaande gronden.
Verbetering van gronden
Het hof verbetert de gronden van de rechtbank in verband met hetgeen in hoger beroep is besproken. Het hof verbetert de gronden als volgt:
- Op pagina 7 direct onder het kopje:
‘Wat zeggen de deskundigen over het tijdstip van het ontstaan van het letsel bij [slachtoffer] ?’wordt de volgende alinea (gebaseerd op pagina 26 van het rapport van [deskundige 1] van 25 augustus 2022) toegevoegd:
[deskundige 1] rapporteert dat bij een zich geleidelijk in ernst ontwikkelend beeld, al dan niet met epileptische activiteit, na een periode met ogenschijnlijk normaal of niet verontrustend afwijkend functioneren, datering van het ontstaansmoment van de combinaties van letsels in het hoofd minder goed mogelijk is. Dit, omdat het laatste moment van normaal functioneren niet goed kan worden vastgesteld op basis van het beloop van gemelde klinische verschijnselen of functioneren van het kind.
- Gelet op de nadere aanvulling van [deskundige 1] van 12 juli 2023, wordt de derde alinea op pagina 8 van het vonnis (met handhaving van de daar genoemde voetnoot) vervangen door:
[deskundige 1] heeft ter zitting verklaard dat het aantreffen van de klinische verschijnselen voor hem
waarschijnlijkerzijn onder de hypothese van een krachtsinwerking leidend tot het geconstateerde hersenschedelletsel in een beperkt tijdsbestek voorafgaand aan het knikmoment, dan op een eerder moment die dag.
- De conclusie van de rechtbank op pagina 9, tweede alinea wordt, gelet op de nadere aanvulling van [deskundige 1] van 12 juli 2023, door het hof niet gehandhaafd. In dat schrijven, aangehecht aan het appelschriftuur van de officier van justitie, merkt [deskundige 1] namelijk op dat hij niet is teruggekomen op zijn eerdere uitspraak op dit punt. Deze alinea komt daarom te vervallen.

Afsluitend

Omdat het hof zich realiseert dat deze uitkomst voor verschillende procesdeelnemers zeer teleurstellend is, wil het hof nog het volgende opmerken.
Evenals de behandeling door de rechtbank, heeft ook de behandeling door het hof geen duidelijkheid kunnen brengen over het ontstaan van het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel. Dat is voor veel betrokkenen zeer onbevredigend.
In lijn met de overwegingen van de rechtbank wil het hof hierbij evenwel het belang benadrukken van het uitgangspunt dat volgens het Nederlandse strafrecht iemand alleen kan worden veroordeeld als op basis van wettig en overtuigend bewijs komt vast te staan dat hij heeft gedaan waarvan hij wordt verdacht. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat dat bewijs er in dit specifieke geval niet is.
Het hof realiseert zich ook dat een (vrijwel) integrale bevestiging van het vonnis in een zaak als deze voor betrokkenen teleurstellend kan zijn. Er staat immers ook in hoger beroep veel op het spel voor verdachte en de overige betrokkenen. Bovendien heeft het hof alle door de rechtbank genomen beslissingen, opnieuw beoordeeld.
Het hof hecht er daarom aan op te merken dat de bedoeling van de wetgever is dat het hof het vonnis van de rechtbank bevestigt, als het zich met de belangrijkste beslissingen in dat vonnis verenigt. Dat past immers binnen het karakter van het zogeheten ‘voortbouwend appèl’ en is een belangrijk instrument om de rechtsontwikkeling te sturen en de rechtseenheid te bevorderen. Ook de Hoge Raad heeft hier eerder in zijn rechtspraak op gewezen (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256). Dat betekent dat de aard en omvang van de zaak, de mogelijke straftoemeting, alsmede de mate waarin verweer is gevoerd, op zichzelf geen relevante factoren vormen om van dat uitgangspunt af te wijken.
Dat alles betekent dat het hof ook in dit geval tot bevestiging van het vonnis, met aanvulling van de hiervoor genoemde gronden, zal beslissen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. A. van Maanen, mr. N.I.S. Boers en mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffiers mr. R. Harsveld en R.H.D. de Roo, MSc, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 31 maart 2026.