Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1942

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.349.743
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:204 BWArt. 7:206 BWArt. 7:207 BWArt. 7:247 BWArt. 7:257 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurprijsvermindering en dwangsommen bij gebrekkige verwarmingsinstallatie in monumentaal landhuis

Appellanten huren een deel van een monumentaal landhuis van Het Hexel. In een eerdere procedure oordeelde de kantonrechter dat de verwarmingsinstallatie gebreken vertoonde en veroordeelde Het Hexel tot herstelmaatregelen onder dwangsom en tot vergoeding van gederfd huurgenot.

Het Hexel voerde in mei 2022 de herstelmaatregelen uit, maar de installatie functioneerde nog niet naar behoren. Appellanten stelden dat Het Hexel de dwangsommen had verbeurd en dat de huurprijsvermindering doorliep. De kantonrechter wees deze vorderingen af, waarop hoger beroep werd ingesteld.

Het hof oordeelt dat Het Hexel tijdig aan de veroordeling heeft voldaan door de zes herstelmaatregelen uit te voeren en geen dwangsommen heeft verbeurd. De huurprijsvermindering uit het eerdere vonnis liep af bij uitvoering van deze maatregelen, maar een nieuwe periode van huurprijsvermindering begint vanaf 13 juni 2022 tot 21 oktober 2024 vanwege het voortduren van het gebrek.

Daarnaast kent het hof buitengerechtelijke incassokosten toe aan appellanten en veroordeelt Het Hexel in de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter. In hoger beroep dragen partijen ieder hun eigen kosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof kent huurprijsvermindering toe vanaf juni 2022 tot oktober 2024, wijst buitengerechtelijke kosten en proceskosten toe en oordeelt dat dwangsommen niet zijn verbeurd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.743
zaaknummer rechtbank 10439732
arrest van 31 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant]

die woont in [woonplaats]
2. [appellante]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A. Visser
hierna samen in enkelvoud: [appellanten]
en
B.V. Exploitatie-maatschappij Het Hexel
die is gevestigd in Nuenen
advocaat: mr. R.F.A. Rorink

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de kantonrechter) op 10 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • een akte van [appellanten] ;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 februari 2026 is gehouden.
1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellanten] huurt een woning van Het Hexel, te weten een gedeelte van een monumentaal landhuis aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). In een uitspraak van 8 maart 2022 (hierna: het 2022 Vonnis) heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat de verwarmingsinstallatie in het gehuurde gebreken vertoonde. Het Hexel is toen veroordeeld tot het nemen van maatregelen op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft de kantonrechter [appellanten] een vergoeding voor gederfd huurgenot toegekend. Ter uitvoering van het 2022 Vonnis heeft het Hexel in mei 2022 werkzaamheden laten verrichten aan de verwarmingsinstallatie. De verwarmingsinstallatie functioneerde ook daarna nog niet naar behoren. Partijen twisten in deze procedure onder meer over de vraag of Het Hexel de dwangsommen uit het 2022 Vonnis heeft verbeurd en of de toegewezen vergoeding voor gederfd huurgenot (hierna ook: de huurprijsvermindering) is blijven doorlopen na de uitvoering van de werkzaamheden door het Hexel in mei 2022.
2.2.
[appellanten] heeft in deze procedure bij de kantonrechter een machtiging c.q. veroordeling van Het Hexel gevorderd tot het doen uitvoeren van die werkzaamheden en leveranties die benodigd zijn om de verwarmingsinstallatie naar behoren te laten functioneren. Verder heeft [appellanten] gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Het Hexel de dwangsommen zoals opgelegd het 2022 Vonnis heeft verbeurd en dat de huurprijsvermindering uit het 2022 Vonnis ook na mei 2022 van kracht is gebleven.
2.3.
De kantonrechter heeft, na benoeming van een deskundige, het Hexel veroordeeld om die maatregelen te nemen die volgens de deskundige nodig waren om de verwarmingsinstallatie naar behoren te laten functioneren. Bij deze veroordeling hebben partijen zich neergelegd, zodat deze geen onderwerp vormt van het hoger beroep. De gevorderde verklaringen voor recht ten aanzien van de dwangsom en de huurprijsvermindering heeft de kantonrechter afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat deze afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Daarnaast heeft [appellanten] in hoger beroep zijn eis vermeerderd en (subsidiar) gevorderd dat de door [appellanten] aan Hexel te betalen huurprijs over de periode mei 2022 tot en met november 2024 zal worden verminderd met € 250,-- per maand althans met een door het hof te bepalen bedrag per maand.
2.4.
Het hof zal beslissen (i) dat de dwangsommen niet zijn verbeurd, (ii) dat [appellanten] recht heeft op een huurprijsvermindering vanaf 13 juni 2022 tot en met oktober 2024, (iii) dat [appellanten] recht heeft op buitengerechtelijke incassokosten en (iv) dat Het Hexel alsnog in de kosten van de procedure bij de kantonrechter wordt veroordeeld. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter daarmee deels in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De achtergrond van de zaak
3.1.
[appellanten] huurt het gehuurde sinds 5 oktober 2016 van Het Hexel. [appellanten] heeft Het Hexel er – in ieder geval vanaf 2021 – meerdere malen op gewezen dat de verwarmingsinstallatie in het gehuurde niet naar behoren functioneerde. Partijen hebben daar vervolgens een procedure over gevoerd (hierna: de 2022 Procedure) die heeft geleid tot het 2022 Vonnis. In deze 2022 Procedure heeft [appellanten] een rapport van de door hem ingeschakelde deskundige [naam] in het geding gebracht waarin werd beschreven welke gebreken [naam] aan de verwarmingsinstallatie had geconstateerd en welke herstelmaatregelen [naam] adviseerde (hierna: het [naam] rapport). De vordering tot herstel van [appellanten] sloot aan op deze geadviseerde herstelmaatregelen. Mede op grond van dit rapport heeft de kantonrechter geoordeeld dat het niet naar behoren functioneren van de verwarming een gebrek is in de zin van artikel 7:204 BW Pro. De kantonrechter heeft Het Hexel in het 2022 Vonnis veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, een zestal nader genoemde herstelmaatregelen te treffen. Ook heeft de kantonrechter in het 2022 Vonnis Het Hexel veroordeeld tot vergoeding van het door [appellanten] gederfd huurgenot van € 50,-- per maand vanaf 1 januari 2021 tot de dag waarop de gebreken zijn hersteld. Een voorwaardelijk ingestelde vordering van [appellanten] die onder meer inhield dat Het Hexel zou worden veroordeeld tot het doen uitvoeren van aanvullende maatregelen voor het geval de gevorderde herstelmaatregelen niet tot afdoende resultaat leiden, is afgewezen.
3.2.
Het Hexel heeft in mei 2022 de in rechtsoverweging 5.5 van het 2022 Vonnis genoemde herstelmaatregelen uit laten voeren. [appellanten] liet Het Hexel op 13 juni 2022 weten dat zij vermoedde dat de herstelmaatregelen niet naar behoren dan wel niet deugdelijk waren uitgevoerd. [appellanten] stuurde vervolgens diverse sommaties aan Het Hexel. [appellanten] stelde zich daarin op het standpunt dat de herstelmaatregelen niet hebben geleid tot een goed functionerende verwarmingsinstallatie en dat Het Hexel het systeem in ieder geval nog had moeten laten inregelen. In december 2022 heeft Het Hexel de verwarmingsinstallatie laten inregelen. Ook dit leidde er in de visie van [appellanten] niet toe dat de verwarmingsinstallatie naar behoren functioneerde. [appellanten] heeft Het Hexel vervolgens wederom in rechte betrokken. Dat is de procedure die onderwerp is van dit hoger beroep. De kantonrechter heeft daarop een deskundige benoemd. Deze kwam tot het oordeel dat de verwarmingsinstallatie inderdaad nog niet naar behoren functioneerde. De kantonrechter heeft geoordeeld dat nog steeds sprake was van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro en Het Hexel veroordeeld om de maatregelen te nemen die volgens het deskundigenbericht nodig waren om de verwarmingsinstallatie naar behoren te laten functioneren, wederom op straffe van een dwangsom. Partijen zijn het erover eens dat, nadat Het Hexel deze maatregelen heeft laten uitvoeren, de verwarmingsinstallatie vanaf oktober 2024, behoudens enkele restklachten, naar behoren functioneert.
(i) dwangsommen – Het Hexel heeft voldaan aan het 2022 Vonnis
3.3.
Het hof zal zich eerst buigen over de vraag of Het Hexel dwangsommen heeft verbeurd op grond van het 2022 Vonnis. Het Hexel is daarin veroordeeld om
die maatregelen te treffen die benodigd zijn om de verwarmingsinstallatie naar behoren te laten functioneren, een en ander conform is overwogen in r.o. 5.5. van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag dat het Hexel hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-- is bereikt.
3.4.
Rechtsoverweging 5.5. bepaalt dat Het Hexel “zal worden veroordeeld om de gebreken aan de verwarmingsinstallatie te verhelpen. Het herstel zou - samengevat -, conform de rapportage van [naam] en zoals gevorderd, moeten bestaan uit: (…).
Hierna volgt een opsomming van een zestal specifieke maatregelen.
3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat Het Hexel tijdig de in rechtsoverweging 5.5. genoemde maatregelen heeft getroffen. [appellanten] stelt dat Het Hexel (toch) niet aan de veroordeling heeft voldaan – en dus de dwangsommen heeft verbeurd. Volgens [appellanten] was het doel en de strekking van de veroordeling dat Het Hexel ervoor zou zorgen dat de verwarmingsinstallatie naar behoren zou functioneren. [appellanten] stelt dat de opsomming in rechtsoverweging 5.5 niet limitatief is bedoeld en dat van Het Hexel in ieder geval kon worden verlangd dat zij de installatie zou laten inregelen. Het Hexel betwist dit. Volgens Het Hexel heeft zij voldaan aan de veroordeling en hoefde zij geen additionele maatregelen te nemen. Het Hexel verwijst in dit kader onder meer naar de bewoordingen van rechtsoverweging 5.5 en het feit dat de kantonrechter de voorwaardelijke vordering van [appellanten] om aanvullende maatregelen te nemen voor het geval de gevorderde maatregelen niet tot afdoende resultaat zouden leiden, in het 2022 Vonnis heeft afgewezen.
Maatstaf voor de beoordeling
3.6.
De beoordeling van de vraag of Het Hexel de in het 2022 Vonnis opgelegde dwangsommen heeft verbeurd moet volgens vaste jurisprudentie plaatsvinden door hetgeen ter uitvoering van het 2022 Vonnis door Het Hexel is verricht, te toetsen aan de inhoud van de veroordeling. De inhoud van de veroordeling moet door uitleg worden vastgesteld. Bij die uitleg moet het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Het doel en de strekking van de veroordeling moet, omdat deze met een dwangsom is verstrekt, met een zekere terughoudendheid ten gunste van Het Hexel te worden uitgelegd. [1]
De beoordeling aan de hand van deze maatstaf
3.7.
De vorderingen van [appellanten] in de 2022 Procedure waren erop gericht om Het Hexel die maatregelen te laten treffen die nodig waren om het verwarmingssysteem in het gehuurde naar behoren te laten functioneren. In het petitum vorderde [appellanten] “waaronder in elk geval” expliciet de zes in het [naam] rapport genoemde herstelmaatregelen. Daarnaast vorderde [appellanten] voorwaardelijk, voor het geval het in het vonnis opgedragen herstel (verkort weergeven) niet voldoende zal blijken, aanvullende maatregelen. Het staat vast dat Het Hexel de zes herstelmaatregelen uit het [naam] rapport heeft uitgevoerd, maar dat de genomen maatregelen in mei 2022 niet het beoogde effect hebben gehad. Het hof begrijpt dat dat voor [appellanten] vervelend is. Het hof begrijpt ook dat het voor [appellanten] vervelend is dat hij nog een procedure heeft moeten starten voordat de verwarming alsnog naar behoren functioneerde.
3.8.
Toch is het hof is van oordeel dat Het Hexel met de herstelmaatregelen in mei 2022 tijdig aan de veroordeling uit het 2022 Vonnis heeft voldaan en geen dwangsommen heeft verbeurd. Weliswaar beoogde [appellanten] met zijn vorderingen een naar behoren functionerend verwarmingssysteem te bereiken, het doel en de strekking van de dwangsomveroordeling in het 2022 Vonnis kunnen niet zo worden uitgelegd dat deze ertoe strekte om Het Hexel te verplichten andere maatregelen te nemen dan die expliciet in rechtsoverweging 5.5 zijn opgenomen. De veroordeling behelst wel het treffen van maatregelen die nodig zijn om het verwarmingssysteem naar behoren te laten functioneren, maar dat wordt nader omlijnd door de verwijzing naar de concrete maatregelen genoemd in rechtsoverweging 5.5 van het vonnis, zoals blijkt uit de woorden “een en ander conform hetgeen is overwogen in r.o. 5.5” in het dictum. In rechtsoverweging 5.5 staan de zes herstelmaatregelen uit het [naam] rapport die door [appellanten] ook expliciet zo zijn gevorderd in de procedure.
3.9.
Bij deze uitleg van de veroordeling weegt voor het hof de afwijzing van de voorwaardelijke vordering in het 2022 Vonnis mee. In het [naam] rapport wordt de mogelijkheid benoemd dat de door [naam] voorgestelde maatregelen niet afdoende zouden zijn en dat mogelijk additionele maatregelen noodzakelijk zouden zijn om de verwarmingsinstallatie naar behoren te laten functioneren. Daarop heeft [appellanten] zijn voorwaardelijke vordering gebaseerd. De kantonrechter heeft die voorwaardelijke vordering van [appellanten] echter gemotiveerd afgewezen, omdat op voorhand niet te beoordelen is of en welke maatregelen (on)mogelijk zijn, welke uitgaven die vereisen en of die redelijkerwijs van Het Hexel zijn te vergen. Dit is naar het oordeel van het hof een duidelijke aanwijzing dat het doel en de strekking van de dwangsomveroordeling in het 2022 Vonnis niet was om Het Hexel te dwingen andere maatregelen te nemen dan die expliciet in rechtsoverweging 5.5 zijn opgenomen. Dit past ook in het stelsel van de wet, waarnaar de kantonrechter in rechtsoverweging 5.12 van het 2022 Vonnis verwijst. Artikel 7:206 BW Pro bepaalt immers dat de verhuurder verplicht is gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder kunnen worden gevergd. Die tenzij-toets heeft niet plaatsgevonden ten aanzien van andere maatregelen dan die expliciet zijn genoemd in rechtsoverweging 5.5.
3.10.
De kantonrechter heeft de concreet gevorderde maatregelen toegewezen. De veroordeling strekt dus ook niet tot een verplichting om de verwarmingsinstallatie te laten inregelen, zoals [appellanten] stelt. Het inregelen van de installatie was namelijk geen expliciet onderdeel van de vordering van [appellanten] , terwijl [appellanten] stelt dat hij Het Hexel al vanaf het begin van de discussie over de verwarmingsinstallatie heeft gewezen op de noodzaak van het inregelen en ook in het [naam] rapport onder de conclusies staat dat het systeem geen inregelvoorzieningen heeft. Het had naar het oordeel van het hof dan ook op de weg van [appellanten] gelegen om deze maatregel expliciet te vorderen.
3.11.
Zoals hiervoor opgemerkt, moet het doel en de strekking van de veroordeling, omdat deze met een dwangsom is verstrekt, met een zekere terughoudendheid ten gunste van Het Hexel worden uitgelegd. De restrictieve uitleg van de veroordeling zoals hiervoor uiteengezet past daarbij.
(ii) huurprijsvermindering - periode is niet blijven doorlopen, maar opnieuw begonnen vanaf 13 juni 2022
3.12.
[appellanten] stelt dat de verplichting van Het Hexel tot vergoeding van het gederfd huurgenot uit het 2022 Vonnis ook na 5 mei 2022 is blijven doorlopen. [appellanten] stelt in dit verband dat de verwarmingsinstallatie ook daarna nog niet naar behoren functioneerde. Het Hexel betwist dit en voert aan dat de maatregelen zoals genoemd in het 2022 Vonnis zijn genomen en dat daarmee de gebreken zijn verholpen. Dat de verwarmingsinstallatie ook nadien nog niet naar behoren functioneerde, is in dit kader niet relevant, aldus Het Hexel. Voor zover het hof oordeelt dat de verplichting niet is blijven doorlopen, stelt [appellanten] subsidiair dat vanaf mei 2022 tot en met november 2024 een nieuwe termijn is gaan lopen en dat hij ingevolge artikel 7:207 BW Pro recht heeft op huurprijsvermindering van € 250,--. Ten aanzien van deze subsidiaire vordering doet Het Hexel een beroep op de vervaltermijn van artikel 7:257 lid 1 jo Pro lid 3 BW.
3.13.
Het hof oordeelt als volgt. Het dictum van het 2022 Vonnis bepaalt op dit punt dat Het Hexel wordt veroordeeld tot vergoeding van het gederfd huurgenot van € 50,-- per maand vanaf 1 januari 2021 tot de dag waarop de gebreken zijn hersteld. Het hof is van oordeel dat de zinssnede “tot de dag waarop de gebreken zijn hersteld”, dient te worden gelezen in het licht van rechtsoverweging 5.5. van het 2022 Vonnis. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de dwangsommen, legt het hof dit zo uit dat de kantonrechter hiermee heeft bedoeld het herstel van de gebreken door het nemen van de maatregelen als gespecificeerd in rechtsoverweging 5.5. Nu Het Hexel die maatregelen op 5 mei 2022 heeft genomen, is daarmee de verplichting tot vergoeding van het gederfde huurgenot vanaf 5 mei 2022 geëindigd.
3.14.
Het voorgaande neemt niet weg dat vaststaat dat in hoger beroep als onomstreden vaststaat dat nog altijd sprake was van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro, zoals de kantonrechter in rechtsoverweging 3.6 van het bestreden vonnis heeft overwogen. Uit de email van [appellanten] ’s advocaat van 13 juni 2022 had Het Hexel kunnen en moeten begrijpen dat de verwarmingsinstallatie op dat moment, ondanks de getroffen maatregelen, nog niet naar behoren functioneerde en dat er aanvullende maatregelen nodig waren om het nog steeds bestaande gebrek te verhelpen. Daarmee is Het Hexel door [appellanten] behoorlijk van (het voortduren van) het gebrek in kennis gesteld in de zin van artikel 7:207 lid 1 BW Pro. Het gebrek is uiteindelijk op 21 oktober 2024 verholpen. Dit betekent dat [appellanten] naar het oordeel van het hof aanspraak kan maken op een huurprijsvermindering over de periode 13 juni 2022 tot en met 21 oktober 2024, nu er in die periode nog steeds sprake was van een substantiële vermindering van het huurgenot voor [appellanten] . Het beroep van Het Hexel op de vervaltermijn van artikel 7:257 BW Pro gaat niet op. Het gaat hier immers om een huurprijs boven de liberalisatiegrens en voor een dergelijke huurovereenkomst stelt artikel 7:247 BW Pro de vervaltermijn buiten werking. [appellanten] heeft de hoogte van haar vordering tot vergoeding van € 250,-- onvoldoende concreet onderbouwd. Mede gelet op het feit dat [appellanten] ook niet heeft gesteld dat het gederfde huurgenot méér is geworden in de periode vanaf 5 mei 2022, zal het hof aansluiten bij het eerder door de kantonrechter in het 2022 Vonnis vastgestelde bedrag van € 50,-- per maand, welk bedrag het hof redelijk voorkomt. Hierbij weegt het hof, evenals de kantonrechter, mee dat de gevolgen van de niet goed functionerende verwarming zich met name in de koudere maanden zal voordoen en niet in gelijke mate gedurende het hele jaar. Voor zover [appellanten] als gevolg van de huurprijsvermindering over de periode 13 juni 2022 tot en met 21 oktober 2024 teveel aan Het Hexel heeft betaald, heeft hij recht op terugbetaling van de teveel betaalde huurpenningen. Omdat dit niet door [appellanten] is gevorderd kan Het Hexel daartoe niet in deze beslissing worden veroordeeld.
(iii) buitengerechtelijke kosten - [appellanten] heeft recht op buitengerechtelijke kosten
3.15.
[appellanten] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, bestaande uit kosten voor werkzaamheden van zijn advocaat tot een bedrag van € 3.548,53. Volgens Het Hexel liggen de door [appellanten] gevorderde kosten besloten in de proceskostenveroordeling en komen deze niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Als [appellanten] al aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, dan moeten deze worden berekend aan de hand van de forfaitaire tarieven van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, aldus Het Hexel.
3.16.
Voor de beoordeling van deze vordering geldt de dubbele redelijkheidstoets. Dat betekent dat zowel het maken van de kosten als de omvang ervan redelijk moeten zijn. Het hof is van oordeel dat [appellanten] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zijn advocaat diverse brieven en sommaties aan het Hexel heeft gestuurd en dat [appellanten] daarmee buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Deze vallen naar het oordeel van het hof niet allemaal onder de kosten zoals bedoeld in artikel 241 Rv Pro, zijn in redelijkheid gemaakt en komen voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Ook de omvang van deze kosten dient redelijk te zijn. Het hof sluit daarvoor aan bij het Rapport BGK Integraal en zal een bedrag van € 735,-- toewijzen (berekend over de waarde van de door de deskundige aanbevolen herstelmaatregelen van € 7.200,--) met daarbij de rente vanaf 31 maart 2023, zoals door [appellanten] gevorderd en door Het Hexel niet betwist.
(iv) proceskosten - Het Hexel wordt veroordeeld in de proceskosten bij de kantonrechter
3.17.
Ten slotte heeft [appellanten] geklaagd over het feit dat de kantonrechter de proceskosten tussen partijen in de procedure bij de kantonrechter heeft gecompenseerd, wat wil zeggen dat beide partijen hun eigen kosten dragen. [appellanten] stelt dat Het Hexel in de daadwerkelijk door [appellanten] gemaakte proceskosten had moeten worden veroordeeld. Het Hexel betwist dit.
3.18.
Het hof is van oordeel dat Het Hexel in de procedure bij de kantonrechter grotendeels in het ongelijk is gesteld en daarom alsnog in de proceskosten in eerste aanleg dient te worden veroordeeld. Voor een volledige vergoeding van proceskosten door Het Hexel zou alleen plaats zijn in het geval Het Hexel misbruik maakt van procesrecht of sprake is van een onrechtmatige daad. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake en deze vordering wordt daarom afgewezen.
Bewijs
3.19.
Door [appellanten] is geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
De conclusie
3.20.
Het hoger beroep slaagt deels.
3.21.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten in hoger beroep moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen.
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 10 september 2024, behalve de beslissing 4.5 die hierbij wordt vernietigd en beslist:
4.2.
vermindert de huurprijs met € 50,-- per maand voor de periode vanaf 13 juni 2022 tot 24 oktober 2024;
4.3.
veroordeelt Het Hexel om aan [appellanten] te betalen de
buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 735,--, vermeerderd met de wettelijke
rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro over € 735,-- vanaf 31 maart 2023 tot aan de dag der
algehele voldoening;
4.4.
veroordeelt Het Hexel tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 244,-- aan griffierecht;
€ 129,14 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Het Hexel;
€ 1.017,-- aan salaris van de advocaat van [appellanten] (3 procespunten x het toepasselijke tarief € 339,--)
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten in hoger beroep draagt;
4.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.E. Lucassen, A.E.F. Hillen en G.D. Hoekstra, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.Vgl. o.a. Hoge Raad 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367 (NJ 1994/652) en Hoge Raad 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400