Art. 11 ZvwArt. 13 ZvwArt. 14 ZvwArt. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep over contractuele tarieven hulpmiddelenaanbieders luchtwegaandoeningen tegen zorgverzekeraar ONVZ
De zaak betreft een geschil tussen aanbieders van hulpmiddelen voor luchtwegaandoeningen en zorgverzekeraar ONVZ over de contractuele tarieven voor 2025. De hulpmiddelenaanbieders vorderden aanpassing van de tarieven wegens vermeende onredelijkheid en niet-kostendekkendheid, en stelden dat ONVZ misbruik maakt van haar machtspositie. De voorzieningenrechter had een deel van de vorderingen toegewezen, maar ONVZ ging in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat de hulpmiddelenaanbieders afhankelijk zijn van ONVZ, waardoor de contracteervrijheid van ONVZ voorop staat. Ook is niet bewezen dat de tarieven niet kostendekkend zijn of dat sprake is van misbruik van machtspositie. De stellingen over schending van publiekrechtelijke regels en de zorgplicht uit de Zorgverzekeringswet leiden niet tot toewijzing van de vorderingen.
Verder wijst het hof de vordering af dat ONVZ de beperking op de CPAP-aanspraak voor patiënten met een AHI tussen 5 en 15 moet verwijderen. Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter grotendeels en veroordeelt de hulpmiddelenaanbieders in de proceskosten van ONVZ in eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders af en vernietigt grotendeels het vonnis van de voorzieningenrechter.
hierna afzonderlijk: Westfalen, Mediq, Vivisol, VitalAire, Total Care
hierna tesamen: de hulpmiddelenaanbieders
advocaat: mr. D.W.L.A. Schrijvershof
1.Het verloop van de procedure
1.1.
Westfalen, Mediq en Vivisol hebben ONVZ gedagvaard voor de voorzieningenrechter
in de rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht). VitalAire (op dat moment nog genaamd: Air Liquide Healthcare Nederland en Air Liquide Homecare Nederland) en Total Care zijn door de voorzieningenrechter op hun verzoek toegelaten als tussenkomende partijen. Bij vonnis van 10 april 2025 heeft de voorzieningenrechter een aantal vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders toegewezen.
1.2.
ONVZ heeft de hulpmiddelenaanbieders in hoger beroep gedagvaard. Daartegen hebben de hulpmiddelenaanbieders zich verweerd en ook van hun kant beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter ingesteld. Daarna zijn de memories van grieven en antwoord genomen.
Op 25 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling bij dit hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2.De kern van de zaken
2.1.
De hulpmiddelenaanbieders zijn aanbieders van hulpmiddelen, bedoeld voor verschillende luchtwegaandoeningen. Zij hebben ieder contracten met zorgverzekeraar ONVZ, op basis waarvan ONVZ deze hulpmiddelen bij de hulpmiddelenaanbieders inkoopt. De hulpmiddelenaanbieders menen dat de tarieven in de contracten voor 2025 niet reëel en kostendekkend zijn, omdat er geen indexatie heeft plaatsgevonden en de tarieven ten opzichte van 2024 zelfs fors zijn verlaagd. Daarom hebben zij bij de voorzieningenrechter gevorderd dat deze ONVZ veroordeelt om 1) de tariefverlaging voor 2025 ten opzichte van 2024 ongedaan te maken, 2) de tarieven te vermeerderen met de NZa-index en 3) te gebieden dat ONVZ het inkoopbeleid voor 2026 objectief, transparant en niet-discriminatoir vormgeeft, zonder gebruik te maken van het zogenaamde “Gupta-onderzoek” als grondslag voor tariefbepaling.
2.2
ONVZ heeft zich hiertegen verweerd. Uitgangspunt is volgens haar contracteervrijheid bij de inkoop van basispakketzorg, waartoe deze hulpmiddelen behoren. Dat is alleen anders als de zorgaanbieders en zorgverzekeraars van elkaar afhankelijk zijn. Dat is niet het geval. Ook van (alleen) een afhankelijkheid van de hulpmiddelenaanbieders ten opzichte van ONVZ is geen sprake.
Ook als daarvan wel sprake zou zijn en ONVZ bij haar inkoopgedrag rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van de hulpmiddelenaanbieders, zijn de met de hulpmiddelenaanbieders afgesproken tarieven reëel en kostendekkend voor een redelijk efficiënt functionerende aanbieder.
2.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de markt waarin partijen opereren, sprake is van afhankelijkheid van de hulpmiddelenaanbieders ten opzichte van ONVZ.
Ten aanzien van vier contracten heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de door ONVZ voor 2025 gehanteerde tarieven niet kostendekkend zijn. Voor die vier contracten moet ONVZ haar tariefverlaging voor 2025 ten opzichte van 2024 ongedaan maken en vervolgens met [percentage1] indexeren. Voor de overige contracten tussen de hulpmiddelenaanbieders en ONVZ zijn de vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders afgewezen. Wel is ONVZ daarnaast verboden het Gupta-onderzoek op enige wijze als grondslag te gebruiken voor tariefbepaling.
2.4
ONVZ is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen, met als doel dat alle vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders alsnog worden afgewezen. Ook de hulpmiddelenaanbieders hebben beroep ingesteld. Zij beogen daarmee dat al hun vorderingen alsnog worden toegewezen, daaronder begrepen een vermeerdering van eis.
2.5
Het hoger beroep van ONVZ slaagt grotendeels. Het incidenteel beroep van de hulpmiddelenaanbieders faalt. Het hof zal het bestreden vonnis grotendeels vernietigen en de vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders grotendeels afwijzen.
3.Feiten
3.1
De hulpmiddelenaanbieders zijn, als gezegd, aanbieders van hulpmiddelen voor verschillende luchtwegaandoeningen. Het betreft de volgende hulpmiddelen, die alle in het basispakket zijn opgenomen:
CPAP: beademing en anti-apneu en snurk-apparatuur;
SPT: sleep position trainer tegen slaap-apneu;
PEP: therapie voor Cystic Fibrosis en COPD;
MRA: beugel tegen slaapapneu en snurken;
Zuurstof: medische zuurstof (apparaten);
Vernevelaars;
Slijmuitzuigapparatuur.
3.2
Deze hulpmiddelen worden bij patiënten geleverd en geplaatst door de hulpmiddelenaanbieders nadat een verwijzer (bijvoorbeeld een longarts) deze voor de betreffende patiënt heeft voorgeschreven. Betaling voor deze leveringen en diensten vindt plaats door de zorgverzekeraars van de patiënten. De voorwaarden, waaronder de tarieven die de hulpmiddelenaanbieders in rekening kunnen brengen bij de zorgverzekeraars, worden in de regel vastgelegd in jaarcontracten tussen enerzijds de zorgverzekeraar en anderzijds een hulpmiddelenaanbieder.
Hoewel de Zorgverzekeringswet (Zvw) ook voorziet in de mogelijkheid dat door de hulpmiddelenaanbieders zogenaamde ongecontracteerde zorg wordt geleverd, is daarvan bij deze hulpmiddelenaanbieders nu geen sprake. Zij hebben met alle andere zorgverzekeraars over het jaar 2025 een contract voor deze hulpmiddelen afgesloten.
3.3
Tot en met 2024 zijn de contracten tussen ONVZ en (elk van) de hulpmiddelenaanbieders na onderhandeling tot stand gekomen. Voor het contractjaar 2025 heeft ONVZ aan de hulpmiddelenaanbieders een contract voorgelegd, waarover niet kon worden onderhandeld en waarin ten opzichte van 2024 voor de meeste contracten tariefsverlagingen tussen de [percentage2] en [percentage3] zijn doorgevoerd. De hulpmiddelenaanbieders hebben de contracten 2025 uiteindelijk onder protest getekend. De contracten voor 2026 zijn weer na onderhandelingen tussen partijen tot stand gekomen.
3.4
ONVZ heeft op de zorgverzekeringsmarkt een marktaandeel van [percentage4] . Tussen partijen staat vast dat het aandeel van ONVZ in de portefeuille van elk van de hulpmiddelenaanbieders ongeveer rond dat percentage ligt.
3.5
Per 1 januari 2027 draagt ONVZ haar verzekerden over aan VGZ, een van de grotere zorgverzekeraars in Nederland.
3.6
Een aantal van de hulpmiddelenaanbieders maakt onderdeel uit van een internationaal opererend concern.
4.De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
Omvang van het hoger beroep en spoedeisend belang
4.1
ONVZ is tegen het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen, met als doel dat alle vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders alsnog worden afgewezen. Tegen de toewijzing door de voorzieningenrechter (onder 4.4 van het dictum) van een verbod aan ONVZ om het Gupta-onderzoek op enige wijze als grondslag voor tariefbepaling te gebruiken, heeft zij geen grieven gericht. Evenmin is dit verbod door de hulpmiddelenaanbieders in hun incidenteel beroep betrokken. Daarmee maakt dit verbod geen onderdeel uit van de rechtsstrijd in beroep. In zoverre faalt het principaal beroep van ONVZ. Met haar overige grieven in het principaal beroep en de grieven van de hulpmiddelenaanbieders in het incidenteel beroep, ligt het geschil in volle omvang in hoger beroep voor. Het hof zal -gezien de samenhang tussen het principale en het incidentele beroep- deze hierna gezamenlijk behandelen.
4.2
De hulpmiddelenaanbieders hebben (ook nu nog) een spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorzieningen. Zij hebben aannemelijk gemaakt dat de beslissing in dit kort geding over de tarieven 2025 zal doorwerken in de tariefstelling voor de komende jaren, zowel bij ONVZ als bij de andere zorgverzekeraars. Daarbij komt dat de tariefstelling voor het daarop volgende contractjaar rond 1 april wordt bekendgemaakt.
Grondslagen van de hulpmiddelenaanbieders
4.3
Het hof begrijpt de hulpmiddelenaanbieders aldus dat zij aan hun vorderingen het volgende ten grondslag leggen.
ONVZ handelt om de volgende drie redenen jegens hen onrechtmatig:
A. ONVZ handelt in strijd met de bepalingen van onder meer:
- Gedragscode Goed Zorgverzekeraarschap door geen inzicht te bieden in de totstandkoming van haar tarieven.
B. ONVZ handelt in strijd met haar uit artikel 11 ZvwPro voortvloeiende zorgplicht omdat zij met niet reële en kostendekkende tarieven afbreuk doet aan een toekomstbestendig zorglandschap.
C. De hulpmiddelenaanbieders zijn afhankelijk van ONVZ, die zich daarom op basis van de eisen van redelijkheid en billijkheid bij haar inkoopgedrag mede moet laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van de hulpmiddelenaanbieders. Door deze niet reële en kostendekkende tarieven aan te bieden, schendt ONVZ deze eisen.
Om deze redenen maakt ONVZ misbruik van haar (economische) machtspositie in de hulpmiddelenmarkt en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar in de zin van artikel 6:248, lid 2 BW om de hulpmiddelenaanbieders te houden aan de overeengekomen tarieven en dient de voorzieningenrechter de tarieven 2025, zoals vastgelegd in de onder protest door de hulpmiddelenaanbieders met ONVZ gesloten contracten, aan te passen. Die aanpassing dient er toe te leiden dat de tariefkortingen/afslagen ten opzichte van 2024 ongedaan moeten worden gemaakt en op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248, lid 1 BW moeten worden verhoogd, aldus de hulpmiddelenaanbieders.
4.4
ONVZ heeft elk van deze grondslagen betwist. Haar verweren komen in de beoordeling van het hof hierna aan de orde.
Beoordeling door het hof
Ad A
4.5
De hulpmiddelenaanbieders verwijten ONVZ dat zij in strijd handelt met een aantal publiekrechtelijke regelingen die door de NZa in het kader van de Wet marktordening gezondheidszorg zijn uitgevaardigd, waaronder de Regeling Transparantie zorginkoopproces Zvw. Ter onderbouwing daarvan wijzen zij onder meer op het handhavingsverzoek van de NZa in het kader van de inkoop van de hulpmiddelenzorg 2025 en het voornemen van de NZa om in dat kader aan ONVZ een boete op te leggen.
Voorts menen de hulpmiddelenaanbieders dat ONVZ in strijd handelt met de Gedragscode Goed Zorgverzekeraarschap. Dat is een vorm van zelfregulering van de zorgverzekeraars, waaraan zij zichzelf hebben gebonden. Door in strijd met die Code te handelen, is er sprake van een onrechtmatige daad van ONVZ.
ONVZ heeft deze verwijten weerlegd en betoogd dat ook als deze verwijten doel zouden treffen dat geen ingrijpen in de voor 2025 gesloten contracten met de hulpmiddelenaanbieders rechtvaardigt.
4.6
Naar het voorshands oordeel van het hof kan in het midden blijven of sprake is van handelen in strijd met door de NZa uitgevaardigde regelgeving en de genoemde Code. Immers, ook als van schending daarvan sprake zou zijn, kan dat niet leiden tot toewijzing van de door de hulpmiddelenaanbieders gevorderde voorzieningen. Schending van de door de NZa uitgevaardigde regels kan leiden tot ingrijpen van de NZa, maar vormt geen basis om de overeengekomen tarieven over 2025 tussen de hulpmiddelenaanbieders en ONVZ aan te passen, althans niet op de wijze waarop in dit geschil door de hulpmiddelenaanbieders wordt gevorderd. De NZa gaat hier immers alleen over de totstandkoming van de contracten en niet over de inhoud daarvan (de artikelen 50 tot en met 56 van de Wmg aangaande tariefstelling zijn uitgesloten voor hulpmiddelenzorg [2] ). In deze zaak gaat het de hulpmiddelenaanbieders om de aanpassing van de inhoud van de contracten door de tarieven over 2025 aan te passen.
Datzelfde geldt voor de gestelde schending van de Code, die een vorm van zelfregulering door private partijen is. Schending daarvan kan niet leiden tot aanpassing van tarieven, zoals hier is gevorderd. Dit betekent dat het gevorderde op grond van de grondslag onder A niet kan worden toegewezen.
Ad B
4.7
Voorts verwijten de hulpmiddelenaanbieders ONVZ dat zij in strijd met het bepaalde in artikel 11 ZvwPro handelt door voor 2025 zodanig lage tarieven te hanteren voor hulpmiddelen dat daarmee de hulpmiddelenaanbieders in een ‘race to the bottom’ langzaam in een positie worden gebracht waarin zij van de markt verdwijnen. Door deze gang van zaken komt de toekomstbestendigheid van het zorgstelsel in gevaar. ONVZ heeft dat betwist.
4.8
Op grond van artikel 11 lid 1 ZvwPro heeft de verzekerde jegens de zorgverzekeraar recht op prestaties bestaande uit (de vergoeding van de kosten van) de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft. Op grond van artikel 11 ZvwPro zijn de zorgverzekeraars namelijk verplicht ervoor te zorgen dat al hun verzekerden in staat zijn aanspraak te maken op (de vergoeding van) die basispakketzorg waarop zij zijn aangewezen. De inhoud van het basispakket ligt vast in de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving. De zorgverzekeraar kan niet van dit basispakket, waarin ook deze hulpmiddelen zijn opgenomen, afwijken. Om aan die zorgplicht te voldoen kopen zorgverzekeraars zorg in bij zorgaanbieders. Daarbij komen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder overeen welke zorg de zorgaanbieder voor rekening van de zorgverzekeraar aan verzekerden van de zorgverzekeraar zal verlenen, onder welke voorwaarden en voor welke prijs. De zorgverzekeraar heeft daarbij een regisseursrol die met zich brengt dat hij moet toezien op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg en tevens moet streven naar kostenbeheersing, om de zorg betaalbaar te houden.
4.9
De normen die het stelsel van de Zvw bevat omtrent de zorgplicht van de zorgverzekeraars zijn in de eerste plaats geschreven ten behoeve van de verzekerden, maar de Zvw beoogt, als onderdeel van de daarin nagestreefde doelmatigheid, mede de voorwaarden te scheppen voor een behoorlijk functionerende markt in de gezondheidszorg. Dit laatste houdt verband met de door de wetgever verwachte gunstige effecten van marktwerking in welk verband ook, in samenhang met de Zvw, de Wmg tot stand is gekomen. De verlening van de zorg waarop de Zvw aanspraak geeft, is daarbij uitgangspunt. Het is die zorg die moet worden ingekocht, dan wel vergoed.
In verband daarmee kunnen ook de aanbieders van zorg, als marktpartijen wier positie mede geregeld wordt door de Zvw, op grond van de Zvw aanspraak erop maken dat verzekeraars met betrekking tot zorgovereenkomsten geen beleid voeren dat tot gevolg heeft dat de zorg waarop de Zvw aanspraak geeft, wordt beperkt. In die zin kunnen ook de hulpmiddelenaanbieders rechten aan artikel 11 ZvwPro ontlenen. [3]
4.1
In dit geschil is naar het voorshands oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de tarieven 2025 voor de hulpmiddelenaanbieders niet kostendekkend zijn. Partijen hebben daarover heel verschillende standpunten ingenomen, die het hof in het kader van deze kort gedingprocedure niet kan behandelen, nu daarvoor bewijslevering noodzakelijk zou zijn. Evenmin is aannemelijk geworden dat de tarieven 2025 zodanig zouden doorwerken voor de daarop volgende jaren dat daarmee een race to the bottom’ is ingezet die de toekomstbestendigheid van het zorgstelsel aantast. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat over de tarieven 2026 (wel weer) tussen partijen is onderhandeld.
Bovendien verliezen de hulpmiddelenaanbieders uit het oog dat ook de mogelijkheid bestaat dat verzekerden van ONVZ hun hulpmiddelen betrekken bij niet gecontracteerde aanbieders. Op grond van artikel 13 ZvwPro en het in dat kader door de Hoge Raad geaccepteerde hinderpaalcriterium mag de vergoeding voor de kosten van niet gecontracteerde zorg niet zo laag zijn dat die daardoor voor de verzekerde een feitelijke hinderpaal oplevert om zich tot een niet gecontracteerde zorgaanbieder van zijn keuze te wenden [4] . Onder die (vergoedings-)voorwaarde handelt ONVZ niet in strijd met de zorgplicht van artikel 11 ZvwPro jegens haar verzekerden die op deze hulpmiddelen zijn aangewezen. Ook daarom kan -als het al zo zou zijn dat de tarieven 2025 niet kostendekkend zouden zijn- niet gesproken worden van schending van artikel 11 ZvwPro: de mogelijkheid om hulpmiddelen te betrekken bij niet gecontracteerde zorgaanbieders blijft naast de gecontracteerde zorg ook in dat geval bestaan.
In r.o. 4.13 van dit arrest bespreekt het hof de stelling van de hulpmiddelenaanbieders dat niet gecontracteerde zorg slechts op papier bestaat, onwerkbaar zou zijn en actief wordt tegengegaan. Zijn oordeel op dat punt, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
AD C
4.11
De hulpmiddelenaanbieders zijn van mening dat zij van ONVZ afhankelijk zijn en dat vanwege die afhankelijkheid ONVZ gehouden is rekening te houden met hun gerechtvaardigde belangen en zij zich niet naar redelijkheid en billijkheid jegens hen gedraagt met de tarieven 2025. Die afhankelijkheid blijkt onder meer uit de langdurige relatie die ONVZ met de hulpmiddelenaanbieders heeft, haar marktaandeel, de wijze waarop wordt gecontracteerd (zogenaamd KROG-contracten waarbij KROG staat voor Kruisje Rechts Onder Graag). Daar komt bij dat het alternatief, namelijk het leveren van ongecontracteerde zorg wordt tegengewerkt en de facto onmogelijk is geworden. Ook de werkwijze van verwijzers voor deze hulpmiddelen (bijvoorbeeld longartsen en verpleegkundigen) leidt er toe dat alleen als de hulpmiddelenaanbieders contracten hebben met alle zorgverzekeraars de patiënt voor de hulpmiddelen in kwestie naar deze hulpmiddelenaanbieders wordt verwezen.
ONVZ heeft een en ander betwist. Volgens haar zijn de hulpmiddelenaanbieders niet van haar afhankelijk en zelfs als dat zo zou zijn, is zij vrij in haar contracteerbeleid in die zin dat zij mag contracteren met wie zij wil en tegen de voorwaarden die haar goeddunken. Alleen als sprake is van een wederzijdse afhankelijkheid tussen ONVZ en de hulpmiddelenaanbieders zou dat anders zijn. Ook daarvan is geen sprake, aldus ONVZ.
4.12
In het kader van de Zvw heeft de zorgverzekeraar als uitgangspunt contracteervrijheid bij de inkoop van basispakketzorg, waartoe ook de hulpmiddelen horen. De zorgverzekeraar heeft daarbij als gezegd een regisseursrol die met zich brengt dat hij moet toezien op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg en tevens moet streven naar kostenbeheersing, om de zorg betaalbaar te houden. Hij mag daarom in beginsel zelf bepalen bij welke zorgaanbieder hij bepaalde basispakketzorg wil inkopen en tegen welke voorwaarden.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd en vindt onder andere haar beperking in het feit dat zorgverzekeraar en zorgaanbieder op grond van de Zvw een gedeelde verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de patiënt/basispolisverzekerde aanspraak kan maken op toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare basispakketzorg. De zorgverzekeraar draagt daaraan bij door op de zorgmarkt die zorg in te kopen en de zorgaanbieder door op de zorgmarkt die zorg aan te bieden. Indien een zorgaanbieder van een zorgverzekeraar afhankelijk is, kan hij die zorg alleen aan zijn patiënten bieden als de betrokken zorgverzekeraar hem daartoe in staat stelt. Hieruit volgt dat als een zorgaanbieder afhankelijk is van een zorgverzekeraar, deze zich naar redelijkheid en billijkheid moet gedragen en bij zijn inkoopgedrag voldoende rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van de zorgaanbieder [5] .
4.13
Naar het voorshands oordeel van het hof is in deze zaak niet aannemelijk geworden dat de hulpmiddelenaanbieders afhankelijk zijn van ONVZ. Daarvoor geldt het volgende.
Tussen partijen staat vast dat het marktaandeel van ONVZ op de hulpmiddelenmarkt
[percentage4] is. Op basis daarvan heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis (r.o. 3.7) geoordeeld dat het marktaandeel van ONVZ in de portefeuille van iedere hulpmiddelenaanbieder ongeveer gelijk is aan dat percentage. Daartegen is niet gegriefd;
Van KROG-contracten is niet steeds sprake. Weliswaar is het contract tussen ONVZ en de hulpmiddelenaanbieders over 2025 tot stand gekomen op basis van een eenzijdig aanbod van ONVZ waarover niet onderhandeld kon worden, maar dat ligt anders voor de contracten tot en met 2024, die tot stand zijn gekomen na onderhandelingen. Datzelfde geldt voor de tarieven over 2026. In ieder geval leidt het feit dat over de tarieven 2025 niet is onderhandeld, niet per se tot een afhankelijkheidsrelatie, zeker niet als daarbij de overige feiten en omstandigheden worden meegewogen;
Ook het feit dat de hulpmiddelenaanbieders en ONVZ al lang met elkaar zaken doen, leidt niet per se tot afhankelijkheid van ONVZ. Daarvoor is onder meer van belang dat partijen elk jaar een nieuw contract sluiten en er in die zin geen sprake is van een duurrelatie. Het is immers mogelijk dat er voor een bepaald jaar geen contract tot stand komt en in dat geval kunnen de hulpmiddelenaanbieders -zoals ook uit het voorgaande volgt- hulpmiddelen leveren via ongecontracteerde zorg;
Niet aannemelijk is geworden dat het zonder contract leveren van hulpmiddelen aan de verzekerden onmogelijk is en wordt tegengewerkt door ONVZ. Het systeem van de Zvw kent zowel gecontracteerde als niet-gecontracteerde zorg. Anders dan de hulpmiddelenaanbieders betogen, volgt uit de wet niet de voorkeur voor de ene of de andere vorm. In artikel 13 ZvwPro -zoals uitgelegd door de HR- [6] ligt besloten dat de vergoeding van ongecontracteerde zorg door de zorgverzekeraar niet dusdanig laag mag zijn dat dit een belemmering vormt voor de toegankelijkheid van deze zorg voor een verzekerde. Niet is aannemelijk geworden dat het systeem van de Zvw, dat nu ruim 20 jaar geldt, met daarin naast elkaar de mogelijkheid van gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg de facto niet functioneert en een dode letter is geworden, zoals de hulpmiddelenaanbieders ten onrechte betogen. Evenmin zijn obstakels aannemelijk gemaakt die het leveren van niet-gecontracteerde zorg door de hulpmiddelenaanbieders beletten. Dat de verwijzers (artsen en verpleegkundigen) alleen verwijzen naar hulpmiddelenaanbieders die met alle zorgverzekeraars een contract hebben en dat aldus het niet hebben van een contract met ONVZ er toe leidt dat de hulpmiddelenaanbieders hun hele markt kwijtraken, is niet aannemelijk gemaakt. Hoewel het hof onderkent dat de (administratieve) druk op verwijzers mogelijk zou kunnen leiden tot een voorkeur voor aanbieders die met alle zorgverzekeraars een contract hebben zodat zij niet per patiënt hoeven uit te zoeken of deze het hulpmiddel volledig vergoed krijgt, betekent dat niet dat dit in dit geschil voor rekening van ONVZ komt. Op de verwijzers rust ingevolge artikel 4 vanPro de Regeling transparantie zorgaanbieders [7] de plicht om de patiënt te informeren over de aan- of afwezigheid van een contract met de zorgverzekeraar en over de mogelijke gevolgen daarvan voor de vergoeding en te wijzen op de keuzevrijheid van de patiënt, maar dat betekent niet dat de verwijzer geen hulpmiddelen van een ongecontracteerde zorgaanbieder kan voorschrijven. Ook in dat geval schrijft de Zvw (als benoemd) voor dat de patiënt een zodanige vergoeding krijgt dat dat geen belemmering vormt voor het krijgen van het hulpmiddel. Overigens mogen de verwijzers zich bij de verwijzing alleen laten leiden door zorginhoudelijke en kwaliteitsargumenten en indien de hulpmiddelenaanbieders reden hebben om aan te nemen dat dat in de praktijk anders is, dienen zij de verwijzers in kwestie daarop aan te spreken. Dat de verwijzers voorkeur hebben voor hulpmiddelen die dezelfde uitlees-/monitoringssystemen hebben (dan wel de uitleessystemen tot twee of drie varianten willen beperken om de controle van de patiënt werkbaar te houden) kan zo zijn, maar ook dat is geen omstandigheid die aan ONVZ kan worden toegerekend. Daarmee zou het stelsel van de Zvw op onaanvaardbare wijze worden ondergraven. Het ligt op de weg van de hulpmiddelenaanbieders om daarover in gesprek te gaan met de verwijzers om te bezien of daarover werkbare afspraken kunnen worden gemaakt. Datzelfde geldt voor het niet kunnen gebruiken van behandelkamers in (sommige) ziekenhuizen voor het aanmeten van hulpmiddelen.
Dat in de praktijk dus mogelijk feitelijke obstakels de verwijzing naar de hulpmiddelenaanbieders in de weg staan, kan niet aan ONVZ worden verweten en komt in dit geschil niet voor haar rekening;
Ook het feit dat sprake is van een zogenaamde “Installed Base”, waardoor de hulpmiddelenaanbieders niet volledig betaald krijgen voor de geleverde hulpmiddelen en de in dat kader verrichte diensten als de patiënt/gebruiker van dat hulpmiddel naar een andere zorgaanbieder overstapt, is onvoldoende om te concluderen tot een afhankelijkheidsrelatie. Een en ander hangt samen met het gegeven dat de hulpmiddelenaanbieders via een dagtarief worden betaald voor de levering van een hulpmiddel en hun diensten. Dat hebben zij geaccepteerd. Bij het einde van het contract tussen de hulpmiddelenaanbieder en ONVZ zou aldus de hulpmiddelenaanbieders de terugverdienmogelijkheid met betrekking tot het hulpmiddel ophouden. Echter, niet is aannemelijk gemaakt dat het terugverdienen niet ook via ongecontracteerde zorg aan de patiënt/gebruiker van het hulpmiddel mogelijk is. Het bedrag dat de hulpmiddelenaanbieders bij niet-gecontracteerde zorg niet meer (volledig) van ONVZ krijgen, kunnen zij dan in rekening brengen bij hun verzekerde. Dat dat in de markt niet gebruikelijk zou zijn en dat de hulpmiddelenaanbieders aldus zelf opdraaien voor het gedeelte dat niet wordt vergoed, komt evenmin voor rekening van ONVZ en is in dat geval een eigen keuze van de hulpmiddelenaanbieders.
De hulpmiddelenaanbieders hebben overigens ook geen financiële onderbouwing gegeven van het niet kunnen terugverdienen van hun investering bij de Installed Base.
4.14
Uit de in r.o. 4.13 beschreven feiten en omstandigheden blijkt, noch elk voor zich noch in onderlinge samenhang, een afhankelijkheid van de hulpmiddelenaanbieders van ONVZ. Voor zover er factoren zijn die afhankelijkheid bevorderen, zoals mogelijk de werkwijze van de verwijzers, komen die factoren niet voor rekening van ONVZ en vormen die in deze zaak geen omstandigheid die de hulpmiddelenaanbieders aan ONVZ kunnen toerekenen.
Nu die afhankelijkheid niet aannemelijk is geworden, staat de contracteervrijheid van ONVZ voorop. Dat betekent naar het voorshands oordeel van het hof dat op ONVZ in dit geval niet de plicht rust om kostendekkende tarieven overeen te komen.
In verband hiermee kan in het midden blijven of voor die bijzondere zorgplicht sprake moet zijn van een wederzijdse afhankelijkheid tussen ONVZ en de hulpmiddelenaanbieders, zoals ONVZ heeft bepleit.
4.15
Bij deze stand van zaken kan de discussie van partijen in deze zaak over de door ONVZ gehanteerde tarieven versus de kostprijzen van de hulpmiddelenaanbieders voor de verschillende hulpmiddelen buiten beschouwing blijven.
Deelconclusie met betrekking tot A, B en C
4.16
Uit het voorgaande volgt dat onrechtmatig handelen door ONVZ jegens de hulpmiddelenaanbieders niet aannemelijk is geworden. Dat brengt mee dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de kortingen ten opzichte van 2024 in het contract over 2025 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn en dienen te worden geschrapt om (op grond van de aanvullende werking van artikel 6:248 lid 1 BWPro) te worden geïndexeerd met [percentage5] (zoals na vermeerdering van eis in hoger beroep is gevorderd). Evenmin is aannemelijk gemaakt dat -voor zover de hulpmiddelenaanbieders zich op die grondslag hebben willen beroepen- er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:258 BWPro.
Misbruik?
4.17
Voor zover de hulpmiddelenaanbieders hebben willen stellen dat ONVZ - los van het voorgaande - misbruik maakt van haar (economische) machtspositie geldt het volgende.
ONVZ heeft zich hiertegen verweerd onder meer door te wijzen op haar geringe marktaandeel van [percentage4] .
4.18
Het hof is voorshands van oordeel is dat de hulpmiddelenaanbieders in het licht van het arrest ANVR/IATA [8] onvoldoende heeft toegelicht waarom het tarief 2025 in dit geval leidt tot misbruik op de relevante markt, zoals bedoeld in artikel 24 MededingingswetPro. Daar komt bij dat gezien het marktaandeel van ONVZ (waarvan beide partijen uitgaan dat het [percentage4] is) het op de weg van de hulpmiddelenaanbieders had geleden feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan aannemelijk zou zijn dat ondanks dit (zeer) geringe marktaandeel er toch sprake is van een machtspositie van ONVZ. Dat hebben zij niet gedaan.
Belangenafweging
4.19
De door de hulpmiddelenaanbieders benoemde grondslagen bieden geen ruimte om het gevorderde toe te wijzen. Een belangenafweging leidt in dit geval niet tot een andere uitkomst. Allereerst omdat het contractjaar 2025, waarop de vorderingen zien, inmiddels is afgesloten. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat de tarieven over 2025 doorwerken in (de onderhandelingen over) de tarieven over 2026 en verder, maar daartegen hebben de hulpmiddelenaanbieders in een voorliggend geval rechtsmiddelen tot hun beschikking. Dat de impact van de tarieven 2025 mogelijk (veel) groter wordt omdat per 1 januari 2027 ONVZ haar verzekerden overdraagt aan VGZ is een omstandigheid waarmee in dit kort geding geen rekening kan worden gehouden, nu dat in de toekomst ligt.
Tenslotte is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken dat geen van de hulpmiddelenaanbieders het water zo aan de lippen staat, dat hun bedrijven in hun voortbestaan worden bedreigd of het aanbieden van deze hulpmiddelen direct in gevaar komt en zij de uitkomst van een bodemprocedure daarvoor niet zouden kunnen afwachten. Tegen deze achtergrond leidt een belangenafweging daarom niet tot een noodzaak om (ordenend) in te grijpen.
CPAP-aanspraak
4.2
In (incidenteel) hoger beroep hebben de hulpmiddelenaanbieders gevorderd dat ONVZ de beperking op de CPAP-aanspraak verwijdert uit het CPAP-contract. Volgens de hulpmiddelenaanbieders beperkt ONVZ deze aanspraak voor patiënten met een apneu hypopneu index (AHI) -dat wil zeggen (gedeeltelijke) ademstops per uur slaap- tussen de 5 en de 15 door in die gevallen een toestemmingsvereiste te stellen. Bovendien is onduidelijk welke criteria ONVZ gebruikt bij het al dan niet verlenen van toestemming. Dat is in strijd met de Zvw en de stand van de wetenschap en de praktijk waarin een aanspraak vanaf 5 AHI is aanvaard.
ONVZ heeft betwist dat zij de aanspraak op CPAP voor deze patiënten beperkt. Een voorafgaande toestemming/machtiging is in overeenstemming met artikel 14 ZvwPro en de in dat kader gewezen jurisprudentie. Ook is de stelling dat uit de stand van de wetenschap en praktijk zou blijken dat er een aanspraak bestaat vanaf 5 AHI, onjuist.
4.21
Met ONVZ is het hof voorshands van oordeel dat het door haar gestelde toestemmingsvereiste onder deze omstandigheden niet in strijd is met de Zvw of alleen door dat vereiste de aanspraak van deze groep van verzekerden wordt beperkt.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ONVZ toegezegd dat zij binnen twee weken (te rekenen vanaf 25 februari 2026) aan elk van de hulpmiddelenaanbieders en hun advocaten een schriftelijke toelichting zal sturen waarin is opgenomen welke elementen een aanvragend arts in zijn toestemmings-/machtigingsverzoek voor een patiënt met 5-15 ademstops moet meenemen. Zo wordt de door de hulpmiddelenaanbieders benoemde onduidelijkheid bij de aanvraag voor een vergoeding voor deze groep patiënten (deels) weggenomen. Uiteindelijk beslist de medisch adviseur van ONVZ over de toestemming/machtiging.
Overigens is niet gebleken van gevallen waarin de toestemming of machtiging door ONVZ is geweigerd. Aldus is voorshands niet aannemelijk geworden dat ONVZ de aanspraak op vergoeding van CPAP-apparatuur voor patiënten met een AHI 5-15 beperkt. Dat betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.
Conclusie
4.22
Het principaal hoger beroep slaagt (deels) en het incidenteel beroep faalt. Het hof zal het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen (met uitzondering van de onderdelen 4.4 en 4.9 van het dictum) en de door de hulpmiddelenaanbieders gevraagde voorzieningen afwijzen. De hulpmiddelenaanbieders zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van ONVZ in eerste aanleg en in haar proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, met wettelijke rente zoals gevorderd. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. Die rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
4.23
De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals ONVZ dat heeft gevraagd. Dit betekent dat de veroordeling ook ten uitvoer kan worden gelegd als een partij cassatieberoep instelt bij de Hoge Raad.
5.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep,
5.1
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 10 april 2025, met uitzondering van 4.4. en 4.9 van het dictum, en doet opnieuw recht:
5.2
wijst de vorderingen van de hulpmiddelenaanbieders af;
5.3
veroordeelt de hulpmiddelenaanbieders hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in eerste aanleg:
€ 10.188, - griffierecht;
€ 1.661, - aan salaris van de advocaat van ONVZ;
5.4
veroordeelt de hulpmiddelenaanbieders hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in het principaal hoger beroep:
€ 144,47 voor de appeldagvaarding;
€ 827,- griffierecht;
€ 2.580, - aan salaris van de advocaat van ONVZ (2 punten x tarief II);
5.5
veroordeelt de hulpmiddelenaanbieders hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in het incidenteel hoger beroep:
€ 1.290, - aan salaris van de advocaat van ONVZ (2 punten x tarief II x 0,5);
5.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, A.A. van Rossum en M.J.P. Heijmans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Voetnoten
1.Regeling TH/NR-034, vastgesteld op 19 maart 2024 (geldend tot en met 27 februari 2026).
2.Artikel 3, lid 1 aanhef en onder d Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg.