De vader en moeder zijn gescheiden en hebben samen het gezag over hun twee minderjarige kinderen. In het ouderschapsplan is vastgelegd dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de vader zorg en omgang in even weken heeft. De moeder heeft de zorgregeling stopgezet en een wijziging aangevraagd bij de rechtbank.
De vader vordert bij de voorzieningenrechter nakoming van de oorspronkelijke zorgregeling, maar de moeder vraagt opschorting. De voorzieningenrechter stelt een voorlopige zorgregeling vast met begeleide omgang en een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming. De vader gaat in hoger beroep tegen deze voorlopige regeling.
Het hof oordeelt dat de vader een spoedeisend belang heeft bij duidelijkheid over het contact met de kinderen, maar wijst zijn vordering tot nakoming van de oorspronkelijke zorgregeling af. De voorlopige regeling blijft tot 30 april 2026 van kracht, waarna deze kan worden uitgebreid als Humanitas BOR bij evaluatie concludeert dat begeleiding niet langer nodig is. De uitbreiding houdt in dat de kinderen om de week op zondag bij de vader zijn, met behoud van contact tijdens de maandagse voetbaltraining.
De kostenveroordeling wordt afgewezen en iedere partij draagt haar eigen kosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de bodemprocedure zal het definitieve oordeel over de zorgregeling geven.