Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1948

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.363.962
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling met voorwaardelijke uitbreiding na stopzetting omgang vader-kind

De vader en moeder zijn gescheiden en hebben samen het gezag over hun twee minderjarige kinderen. In het ouderschapsplan is vastgelegd dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de vader zorg en omgang in even weken heeft. De moeder heeft de zorgregeling stopgezet en een wijziging aangevraagd bij de rechtbank.

De vader vordert bij de voorzieningenrechter nakoming van de oorspronkelijke zorgregeling, maar de moeder vraagt opschorting. De voorzieningenrechter stelt een voorlopige zorgregeling vast met begeleide omgang en een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming. De vader gaat in hoger beroep tegen deze voorlopige regeling.

Het hof oordeelt dat de vader een spoedeisend belang heeft bij duidelijkheid over het contact met de kinderen, maar wijst zijn vordering tot nakoming van de oorspronkelijke zorgregeling af. De voorlopige regeling blijft tot 30 april 2026 van kracht, waarna deze kan worden uitgebreid als Humanitas BOR bij evaluatie concludeert dat begeleiding niet langer nodig is. De uitbreiding houdt in dat de kinderen om de week op zondag bij de vader zijn, met behoud van contact tijdens de maandagse voetbaltraining.

De kostenveroordeling wordt afgewezen en iedere partij draagt haar eigen kosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de bodemprocedure zal het definitieve oordeel over de zorgregeling geven.

Uitkomst: De voorlopige zorgregeling wordt bekrachtigd tot 30 april 2026 en voorwaardelijk uitgebreid vanaf 1 mei 2026 afhankelijk van evaluatie begeleide omgang.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.962
zaaknummer rechtbank Gelderland 460169
arrest in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. E.M. Elfrink
en
[verweerster] (de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat mr. S.L. Geeraths

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De vader heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 24 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met de gronden van het hoger beroep (grieven)
  • de memorie van antwoord
  • een journaalbericht van mr. Elfrink van 17 februari 2026 met een productie.
1.3.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige1] en [minderjarige2] gevraagd of zij hun mening willen geven. Op 9 maart 2026 hebben een raadsheer en een griffier van het hof met [minderjarige1] gesproken. [minderjarige2] heeft een brief gestuurd aan het hof.
1.4.
Op 10 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Hierbij waren de vader, de moeder, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) aanwezig.

2.De kern van de zaak

De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [minderjarige1] Gerrit ten Brinke, geboren [in] 2014 en
  • [minderjarige2] Johan ten Brinke, geboren [in] 2017.
2.2.
De vader en de moeder hebben samen het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] .
2.3.
De vader en de moeder zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij de echtscheiding hebben de ouders afspraken met elkaar gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] . Deze afspraken staan in een ouderschapsplan, dat door de ouders is ondertekend op 21 november 2022. Het ouderschapsplan maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking van 16 december 2022 van de rechtbank Gelderland.
2.4.
De ouders zijn in het ouderschapsplan – onder meer – overeengekomen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Ook zijn zij een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen, waarbij de kinderen in de even weken van maandag na school (of vanaf 10.00 uur) tot dinsdag naar school (of 10.00 uur) en van vrijdag na school (of 10.00 uur) tot maandag naar school (of tot 10.00 uur) bij de vader verblijven. Ook zijn zij een vakantieregeling overeengekomen.
2.5.
De moeder heeft op 24 november 2025 bij de rechtbank een verzoek ingediend om
te komen tot een wijziging van de zorgregeling (de bodemprocedure) en vervolgens de zorgregeling stopgezet.
De procedure bij de voorzieningenrechter in de rechtbank
2.6.
De vader heeft op 5 december 2025 bij de voorzieningenrechter gevorderd dat de moeder wordt veroordeeld om de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals die is vastgelegd in het ouderschapsplan van 21 november 2022, na te komen.
2.7.
De moeder heeft op haar beurt gevorderd deze zorgregeling op te schorten voor de duur van de procedure bij de rechtbank die gaat over de wijziging van de zorgregeling.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft een voorlopige zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige2] en [minderjarige1] elke maandag tijdens de voetbaltraining contact hebben met de vader en dat zij om de week op vrijdagmiddag tot na het avondeten begeleid contact hebben met de vader. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de raad gelast om in de bodemprocedure een onderzoek te doen en uiterlijk 19 juni 2026 te rapporteren.
2.9.
De vader is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter om een voorlopige zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat hij de kinderen veel minder en onder begeleiding ziet. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat de moeder alsnog wordt veroordeeld om de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 21 november 2022 na te komen, op straffe van een dwangsom. Ook wil de vader dat de moeder in de proceskosten (bij de rechtbank en bij het hof) wordt veroordeeld.
2.10.
De moeder is het eens met de door de voorzieningenrechter vastgestelde voorlopige zorgregeling en vindt dat die moet blijven gelden zolang de procedure bij de rechtbank loopt.
2.11.
Het hof zal beslissen dat de voorlopige zorgregeling in ieder geval tot en met april 2026 hetzelfde blijft en dat deze daarna – voorwaardelijk – wordt uitgebreid. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het hof is van oordeel dat de vader een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Het hof vindt het in het belang van de kinderen dat op korte termijn beslist wordt hoe vaak en wanneer er contact is tussen de vader en de kinderen.
3.2.
De rechtbank heeft de raad gelast om in de bodemprocedure onderzoek te doen. De raad zal onderzoeken of een wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] is, of er omstandigheden (bij de kinderen en de ouders) zijn die een zorgregeling belemmeren, zo ja, hoe en op welke termijn die op te lossen zijn en hoe een zorgregeling er in het belang van de kinderen uit zou moeten zien.
3.3.
De raad heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat waarschijnlijk vier weken na de mondelinge behandeling bij het hof het raadsonderzoek wordt gestart en dat dit binnen twee maanden is afgerond. De rechtbank zal – naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek – uiteindelijk een beslissing nemen over de (definitieve) zorgregeling. In de procedure die nu aan het hof voorligt, zal het hof dus uitsluitend oordelen over de voorlopige zorgregeling.
3.4.
De vader wil dat de zorgregeling, zoals die in het ouderschapsplan staat en tot eind 2025 is uitgevoerd, weer herleeft. Hij stelt dat de moeder de zorgregeling ten onrechte heeft stopgezet. De vader voert aan dat de moeder haar stelling dat de kinderen zich niet veilig voelen bij de vader, niet met bewijs heeft onderbouwd. Dat met name [minderjarige1] angstig is, ligt niet aan de vader, maar zit in [minderjarige1] zelf, volgens de vader.
Hoewel het hof begrijpt dat de vader geschrokken is van het plotseling stopzetten van de zorgregeling door de moeder, overweegt het hof dat de aard van het kort geding zich niet leent voor (diepgaand) onderzoek naar de bron van de zorgen die door de moeder zijn geuit. De vraag of er omstandigheden (bij de kinderen en bij de ouders) zijn die aan de zorgregeling in de weg staan, zal juist in het raadsonderzoek en in de bodemprocedure bij de rechtbank aan de orde komen. Het hof vindt het niet in het belang van de kinderen om daarop vooruit te lopen. Het hof zal daarom de vordering van de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan afwijzen.
3.5.
De vader heeft aan het hof verteld dat de voorlopige zorgregeling, zoals die door de voorzieningenrechter is vastgesteld, feitelijk sinds 6 februari 2026 loopt. Vanaf die datum was er namelijk begeleiding beschikbaar van Humanitas Begeleide Omgangsregeling (BOR). Sindsdien is Humanitas BOR aanwezig als [minderjarige1] en [minderjarige2] om de week op vrijdag van 15.00 tot 18.00 uur bij de vader zijn. Volgens de raad hoeft de omgang niet per se begeleid te blijven, maar heeft de begeleiding van Humanitas BOR voor een bepaalde tijd wel nog toegevoegde waarde. De vader kan namelijk profiteren van de adviezen van Humanitas BOR om beter aan te sluiten bij de kinderen én Humanitas BOR kan de raad – in het kader van het raadsonderzoek – informeren over het verloop van de omgang tussen de vader en de kinderen, aldus de raad.
Net als de raad vindt het hof dat de begeleiding door Humanitas BOR nog toegevoegde waarde heeft. Het hof zal daarom de voorlopige zorgregeling zoals die is vastgesteld door de voorzieningenrechter in ieder geval tot en met 30 april 2026 ongewijzigd in stand houden. Dan heeft Humanitas BOR een wat langere periode om tijdens de omgang mee te kijken en de vader zo nodig te adviseren. Ook kan Humanitas BOR, als zij door de raad wordt benaderd in het kader van het raadsonderzoek, de raad voorzien van informatie over een iets langere periode. Dat betekent dat [minderjarige1] en [minderjarige2] op vrijdagmiddag tot na het avondeten begeleid contact hebben met de vader. Daarnaast hebben [minderjarige2] en [minderjarige1] elke maandag tijdens de voetbaltraining contact met de vader.
Maar, het hof vindt ook dat het voor de vader en de kinderen fijner is als hun contact op termijn op een meer natuurlijke manier kan plaatsvinden. De vader heeft op de mondelinge behandeling verteld dat Humanitas BOR op 27 maart 2026 de evaluatie van de begeleide omgang heeft gepland. Het hof verwacht dat Humanitas BOR daarin kan aangeven of de begeleiding nog nodig is. Als Humanitas BOR bij de evaluatie concludeert dat geen begeleiding meer nodig is, dan wordt de voorlopige zorgregeling met ingang van 1 mei 2026 uitgebreid, in die zin dat de kinderen om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zijn en dat het contact op de vrijdag dan komt te vervallen. De regeling dat [minderjarige2] en [minderjarige1] elke maandag tijdens de voetbaltraining contact hebben met de vader blijft ongewijzigd.
3.6.
In zijn beslissing neemt het hof ook mee dat [minderjarige1] aan de raadsheer van het hof heeft verteld dat hij het fijn vindt dat hij zijn vader ziet en dat hij ook wel iets vaker naar zijn vader zou willen gaan. Hoewel [minderjarige2] aan het hof heeft geschreven dat hij op zaterdag wel naar zijn vader zou willen gaan, maar op zondag bij de moeder wil zijn, vindt het hof de uitbreiding van de contactregeling op de zondag het meest in het belang van de kinderen. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verteld dat de voorlopige regeling wel goed loopt en dat de jongens graag naar de vader gaan en opgewekt terugkomen. Als Humanitas BOR vindt dat begeleiding niet langer nodig is, kan zij zich daar wel achter scharen. Het hof heeft op de mondelinge behandeling met de ouders gesproken over een mogelijke uitbreiding van de zorgregeling. Beide ouders hebben uitgesproken dat in praktische zin de zondag het handigst is, omdat zowel [minderjarige1] als [minderjarige2] op zaterdag naar voetbal en naar scouting gaan. De vader heeft ook verteld dat als de kinderen op zaterdag bij hem zijn zij niet naar scouting gaan. Het hof vindt het voor de vader en de kinderen in dit stadium belangrijk dat zij een volledige dag met elkaar kunnen doorbrengen, en ook dat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun hobby’s gewoon kunnen blijven uitoefenen. Zondag is daarom op dit moment de meest geschikte dag.
3.7.
Als aan de voorwaarde wordt voldaan dat Humanitas BOR bij de evaluatie concludeert dat het contact tussen de vader en de kinderen niet meer begeleid hoeft te worden dan zal het hof de beslissing van de voorzieningenrechter (opgenomen in onderdeel 5.1 van dat vonnis) bekrachtigen voor de periode tot en met 30 april 2026 en vernietigen vanaf 1 mei 2026 en een uitbreiding van de zorgregeling vanaf 1 mei 2026 vaststellen.
Als niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, zal het hof de beslissing van de voorzieningenrechter (volledig) bekrachtigen.
3.8
Gelet op al het bovenstaande zal het hof de voorlopige zorgregeling voorwaardelijk aanpassen, maar de vordering van de vader tot nakoming van de zorgregeling uit het ouderschapsplan afwijzen. Voor het opleggen van een dwangsom is geen grond.
3.9.
De vordering van de vader om de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten bij de rechtbank en het hof wijst het hof af. Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
3.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt onderdeel 5.1 van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 december 2025, voor de periode tot en met 30 april 2026 indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat Humanitas BOR bij de evaluatie concludeert dat het contact tussen de vader en de kinderen niet meer begeleid hoeft te worden en vernietigt onderdeel 5.1 van het vonnis van de voorzieningenrechter vanaf 1 mei 2026 en beslist dat;
4.2.
de voorlopige zorgregeling met ingang van 1 mei 2026 wordt gewijzigd, in die zin dat:
  • [minderjarige1] en [minderjarige2] om de week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zijn; en
  • [minderjarige1] en [minderjarige2] elke maandag tijdens de voetbaltraining contact hebben met de vader;
4.3.
verklaart de beslissing onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
bekrachtigt onderdeel 5.1 van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 december 2025 indien niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat Humanitas BOR bij de evaluatie concludeert dat het contact tussen de vader en de kinderen niet meer begeleid hoeft te worden;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en E.H. Schijven-Bours, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.