Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1949

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.366.030
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen voorlopige toevertrouwing van kinderen aan vader

De moeder stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dat de voorlopige toevertrouwing van haar kinderen aan de vader toewijst. De kinderen verblijven sinds 9 maart 2026 bij de vader, na een periode van vier jaar zonder contact tussen vader en kinderen. De raad voor de kinderbescherming stelde dat sprake is van ouderverstoting en dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Het hof oordeelt dat het in het belang van de kinderen is om het contact met de vader te herstellen en het patroon van contactbreuk te doorbreken. Ondanks de lastige ontwikkelingsfase van de kinderen en de emotionele spanningen bij de overdracht, is het hof van mening dat de voorlopige toevertrouwing aan de vader de juiste maatregel is. De moeder heeft geen concreet voorstel gedaan om het contact te herstellen en volhardt in haar weigering tot omgang.

De moeder heeft haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingetrokken, waarna het hof haar niet-ontvankelijk verklaart. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.030
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 605681
arrest in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellante](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen
en
[geïntimeerde](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J. van Vonderen-Jagersma

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 19 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • een journaalbericht van mr. De Blieck-Willemsen van 12 maart 2026 met bijlagen
  • een journaalbericht van mr. Van Vonderen-Jagersma van 13 maart 2026 met bijlage
  • een bericht van mr. De Blieck-Willemsen met bijlage
  • een journaalbericht van mr. Van Vonderen-Jagersma van 16 maart 2026 met bijlage
  • een journaalbericht van mr. De Blieck-Willemsen van 17 maart 2026 met bijlage
1.3.
Op 16 maart 2026 hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met een rechter van het hof, in bijzijn van de griffier, gesproken. Zij hebben verteld wat hun mening is over hun voorlopige toevertrouwing aan de vader, bij wie zij op grond van de genoemde beslissing van de voorzieningenrechter sinds 9 maart 2026 verblijven.
1.4.
Op 17 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming;
- drie vertegenwoordigers van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI) als informant.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2011 ( [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2014 ( [de minderjarige2] ),
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.2.
De ouders hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de kinderen om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn.
2.3.
Tussen de vader en de kinderen is sinds 10 april 2022 geen contact meer geweest, op drie contactmomenten onder begeleiding van hulpverlening na.
2.4.
De kinderen staan onder toezicht van de GI sinds 1 december 2023. De ondertoezichtstelling duurt vooralsnog tot 1 september 2026.
2.5.
In de beschikking van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader thuis verblijven. Deze regeling wordt binnen een half jaar onder regie van de GI opgebouwd naar een ‘week-op-week-af’ regeling, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag uit school.
2.6.
De GI heeft op 20 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De kinderrechter heeft deze schriftelijke aanwijzing op 9 december 2025 bekrachtigd. In de schriftelijke aanwijzing is, kort gezegd, opgenomen dat de moeder aanwezig is bij het startmoment om van daaruit samen met [naam1] de kinderen te begeleiden naar de omgangslocatie, dat zij wekelijks een vast moment met [naam1] heeft voor een hulpverleningsgesprek en dat zij de zorgregeling nakomt zoals is vastgelegd in de beschikking van 15 augustus 2025.
2.7.
In een beschikking van (eveneens) 19 februari 2026 heeft de rechtbank – in nauwe samenhang met het bestreden vonnis en uitvoerbaar bij voorraad – de GI opgedragen de voorlopige plaatsing van de kinderen als bedoeld in meergenoemd vonnis bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met inzet van passende hulpverlening bij vader thuis. Ook heeft de rechtbank de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling tussen de kinderen en de moeder in handen van de GI gelegd, waarbij de GI zelfstandig de aanvang, plaats en duur van het contact moet bepalen.
Verder heeft de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een NIFP onderzoek te gelasten vanwege een gebrek aan grondslag. Het verzoek van de moeder om een bijzondere curator voor de kinderen te benoemen, is afgewezen.

3.De kern van de zaak

3.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 9 maart 2026 voorlopig aan de vader heeft toevertrouwd.
De moeder wil dat het hof die beslissing ongedaan maakt en wil dat het hof de werking van die beslissing schorst totdat er in het hoger beroep een beslissing is genomen.
3.2.
De vader is het wel eens met de beslissing van de voorzieningenrechter.
Hij wil dat het hof die beslissing in stand laat.
3.3.
Het hof zal beslissen dat de kinderen voorlopig aan de vader toevertrouwd blijven en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter dus in stand.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
4.1.
Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. [1]
4.2.
De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.
4.3.
Uit de aard van de zaak – het recht van de kinderen op contact met beide ouders – en de gevorderde voorzieningen volgt naar het oordeel van het hof zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een spoedeisend belang van de ouders bij een beslissing van de voorzieningenrechter.
De toevertrouwing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vader
4.4.
Het hof is net als de voorzieningenrechter, en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om hen voorlopig aan de vader toe te vertrouwen. Dit is nodig om het patroon waarin de moeder met de kinderen is beland – en waarin de kinderen al vier jaren geen contact hebben met de vader – te kunnen doorbreken en om mogelijkheden te creëren. Het is in het belang van de kinderen dat zij contact hebben met beide ouders; het ontbreken daarvan is beschadigend voor de kinderen. De raad heeft op de zitting van het hof verklaard dat sprake is van ouderverstoting en dat de kinderen als gevolg daarvan fiks in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn grote zorgen over de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Zij leven met een zwart gat over de helft van zichzelf, zoals de raad dat ter zitting noemde, en dat is het effect van de situatie die de afgelopen jaren door de moeder is opgebouwd. Er zijn veel pogingen gedaan om het contact te herstellen en er is allerlei hulpverlening ingezet, maar dit heeft niet geleid tot een voortdurend contactherstel. Het hof is dan ook met de raad eens dat de ingezette weg moet worden voortgezet, hoe moeilijk dat op dit moment wellicht ook is voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en ondanks de lastige ontwikkelingsfase waarin zij zich voor wat betreft hun leeftijd bevinden. Mede vanwege hun ontwikkelingsfase is het voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] erg lastig om in te zien dat deze rigoureuze stap het beste is voor hun toekomst. Zij zullen het moeten gaan ervaren; het is aan kinderen van deze leeftijd niet (goed) uit te leggen, aldus nog steeds de raad. Het vraagt een kans en het kost tijd, zoals de raad op zitting verklaarde, maar het heeft naar verwachting een positief effect.
De voorzieningenrechter heeft zorgvuldig alle mogelijkheden afgewogen en is terecht tot het oordeel gekomen dat deze vergaande maatregel onder deze omstandigheden de enig juiste is.
Het hof vindt het overigens opvallend dat de moeder, ondanks het bestreden vonnis en haar grote bezwaren daartegen, bij het hof geen concreet voorstel heeft gedaan of doet richting de vader om daadwerkelijk te komen tot enige vorm van contactherstel met de kinderen. Integendeel: zij volhardt duidelijk in alle opzichten in de weigering tot omgang te komen.
4.5.
De GI heeft de overdracht van de kinderen naar de vader goed voorbereid en heeft daartoe twee nieuwe jeugdbeschermers aangesteld. De aanloop naar en de daadwerkelijke overdracht op 9 maart 2026 ging, naar het hof begrijpt, gepaard met veel spanningen en emoties. Daarbij heeft de moeder in strijd met de afspraken de kinderen zelf voortijdig op de hoogte gebracht van de beslissing en de aanstaande overgang en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] donderdag 5 maart 2026 van school weggehouden en hen ondergebracht bij een derde, zodat de jeugdbeschermers de kinderen niet aantroffen bij de moeder op het moment dat zij daadwerkelijk naar de vader zouden gaan. Een extra belastende situatie voor de kinderen. De overdracht heeft uiteindelijk met interventie van de politie plaatsgevonden en de kinderen verblijven sinds 9 maart 2026 bij de vader. Het gezin van de vader wordt intensief begeleid door [naam2] en de situatie wordt zorgvuldig gevolgd en geobserveerd.
Ondanks de enorme impact die de beslissing heeft voor zowel de kinderen als de ouders lijkt er al een voorzichtige opening zichtbaar te zijn in de situatie tussen de vader en de kinderen. Van de vader en de GI begrijpt het hof dat er tussen de momenten waarbij de emoties hoog kunnen oplopen en de kinderen zich verzetten tegen de vader, ruimte is voor wat rust en fijne momenten. De kinderen hebben op dit moment overigens geen contact met hun moeder.
Schorsing
4.6.
Op de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder erkend dat zij momenteel geen belang meer heeft bij de schorsing, omdat het vonnis al is uitgevoerd. Het hof begrijpt dat de moeder de vordering tot schorsing heeft ingetrokken.
Het hof zal de moeder in die vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
De conclusie
4.7.
Het hoger beroep slaagt niet.
4.8.
Het hof bepaalt dat beide ouders de eigen kosten moeten dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

5.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis;
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 februari 2026;
compenseert de kosten in dit kort geding;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en A.T. Bol, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437