Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1950

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.356.683/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:402 BWArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling, wijziging BRP-inschrijving en kinderalimentatie na scheiding

De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen, geboren in 2011 en 2012. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen bij de moeder verbleven, met een bijdrage in kinderalimentatie door de vader. De moeder ging in hoger beroep tegen de zorgregeling en de ingangsdatum van de alimentatie, terwijl de vader incidenteel hoger beroep instelde over alimentatie voor het oudste kind en wijziging van het inschrijfadres in de Basisregistratie Personen (BRP).

Het hof constateerde dat de vader zich negatief uitlaat over de moeder en de zorgregeling niet wordt nageleefd, wat de ontwikkeling van de kinderen belemmert. Daarom stelde het hof een gelijkwaardige week-op-week-af zorgregeling vast, met een opbouwperiode in april 2026. De vader werd nadrukkelijk aangesproken op naleving. De wijziging van het inschrijfadres van het jongste kind in de BRP naar het adres van de vader werd afgewezen, omdat het hoofdverblijf bij de moeder is vastgesteld.

De ingangsdatum van de kinderalimentatie voor het jongste kind bleef gehandhaafd op 7 april 2025, conform de rechtbank. Het incidenteel hoger beroep van de vader voor alimentatie voor het oudste kind werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep werd gedaan. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof stelt een week-op-week-af zorgregeling vast, wijst wijziging BRP-inschrijving af en verklaart het incidenteel hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.683/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 310469)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. van Vonderen-Jagersma te De Meern,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers te Zwolle.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 30 april 2024, van 29 november 2024 en van 7 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 7 juli 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 26 augustus 2025 met bijlagen;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 20 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 25 februari 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de moeder van 27 februari 2026 en 2 maart 2026.
2.2.
Mr. Plantema-Volkers heeft bezwaar gemaakt tegen acceptatie door het hof van de op 25 februari 2026 en daarna binnengekomen stukken aangezien deze te laat zijn ingediend. Zoals het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft beslist, worden de tot en met 25 februari 2026 binnengekomen stukken wel aan het procesdossier toegevoegd, omdat deze vrij eenvoudig te doorgronden zijn en mr. Plantema-Volkers in redelijkheid moet worden geacht daarvan kennis te hebben kunnen nemen. De stukken binnengekomen na 25 februari 2026 laat het hof buiten beschouwing, als te laat ingediend, met uitzondering van het door het hof opgevraagde proces-verbaal van de zitting van 22 november 2024.
2.3.
De hierna te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 2 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de (lopende) zorgregeling. De voorzitter heeft op de mondelinge behandeling een korte samenvatting van die gesprekken gegeven.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder met mr. Van Vonderen-Jagersma en, als toehoorder, de advocaat mr. I.M. Verhaar;
- de vader met mr. Plantema-Volkers;
- een vertegenwoordiger van de raad; en
- twee vertegenwoordigers van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI) als informant.

3.De feiten

3.1.
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
[de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2012.
3.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
3.3.
In de beschikking van 30 april 2024 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de vader bepaald en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de moeder.
In dezelfde beschikking is als voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld dat de
kinderen gezamenlijk de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijven,
waarbij de wisseling op zondag 18:00 uur voor het avondeten zal zijn, welke regeling zal
gelden tot het moment dat de ouders overeenstemming bereiken over de zorgregeling dan
wel dat de rechtbank een andere regeling vaststelt. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
In de beschikking van 29 november 2024 is de in de beschikking van 30 april 2024 voorlopig vastgestelde zorg- en contactregeling gewijzigd en is, voor zover hier van belang, als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat de kinderen samen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zijn, waarbij de wisseling plaatsvindt op zondag om 19:30 uur. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht om een onderzoek in te stellen en te adviseren over de voor de kinderen meest wenselijke zorg- en contactregeling. Iedere verdere beslissing is opnieuw aangehouden.
3.5.
De raad heeft geapporteerd op 13 februari 2025.
3.6.
In de bestreden beschikking van 7 april 2025 heeft de rechtbank de voorlopig vastgestelde zorg- en contactregeling (week op, week af) gewijzigd en inzake het recht van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders als regeling vastgesteld dat zij een weekend per veertien dagen bij hun moeder verblijven en dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld.
De door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] is door de rechtbank met ingang van 7 april 2025 bepaald op € 174,-
per maand.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de kosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
3.7.
De kinderen stonden sinds 22 november 2024 onder toezicht van Jeugdbescherming
Overijssel (de GI). De ondertoezichtstelling duurde tot 21 september 2025.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in geschil:
a. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling);
b. de wijziging van het adres van [de minderjarige2] in de Basisregistratie personen (Brp); en
c. de kinderalimentatie.
4.2.
De moeder is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 april 2025. Deze grieven zien op de zorgregeling en de ingangsdatum van de vastgestelde kinderalimentatie voor [de minderjarige2] . De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:
1. dat de bij beschikking van 30 april 2024 voorlopig vastgestelde zorgregeling herleeft en dat de gespecialiseerde hulpverlening voor complexe echtscheidingsproblematiek van ONS Trias wordt ingezet bij beide ouders;
alsmede te bepalen dat de herleving van de zorgregeling wordt opgebouwd in een periode van zes maanden, dan wel een door het hof te bepalen regeling vast te stellen voor het opbouwen van de zorgregeling naar de week op week af regeling;
alsmede te bepalen dat de Gl dan wel de raad nader onderzoek doet naar de oorzaken van de spanningen tussen ouders en het loyaliteitsconflict van de kinderen en advies te geven over een plan van aanpak om de kinderen uit de knel te halen gericht op hun specifieke problematiek;
2. te bepalen dat kinderalimentatie per ingangsdatum van het indienen van het verzoekschrift op 16 februari 2024 wordt bepaald;
3. kosten rechtens.
4.3.
De vader voert verweer en is op zijn beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De vader verzoekt het hof de moeder niet ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken in het principaal hoger beroep af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
I. te bepalen dat de moeder aan de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] van € 143,- per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen, met ingang van 7 april 2025 dan wel een door het hof te bepalen datum;
II. te bepalen dat de vader het inschrijfadres van [de minderjarige2] in de -naar het hof begrijpt- Basisregistratie personen mag wijzigen naar zijn adres.
4.4.
De moeder voert verweer en zij verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep.
4.5.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

De verdeling van de zorg- en opvoedtaken
5.1.
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd en kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
5.2.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.
5.3.
De zorgregeling tussen de moeder en de kinderen, de bezwaren van de moeder tegen de huidige, in haar ogen onevenwichtige verdeling, alsook haar zorgen over de kinderen, hun ontwikkeling en het bepalende karakter van de vader zijn ter zitting met partijen en de raad uitvoerig besproken.
5.4.
Het hof constateert dat de vader zich op de zitting voortdurend negatief over de moeder uitlaat, haar verwijten maakt over de ontstane situatie en dat hij hierin niet bereid of in staat lijkt te veranderen. Verder ziet het hof dat de huidige zorgregeling van een weekend per 14 dagen en de helft van de vakanties niet wordt nagekomen. De vader geeft de kinderen daarin alle ruimte, faciliteert hen daarin en lijkt niet in staat zijn gezag over deze kinderen van 13 en 15 jaar op zodanige wijze uit te oefenen dat de zorgregeling naar behoren, zoals deze door de rechtbank is bepaald, wordt uitgevoerd. Verder zijn kritische opmerkingen van de vader over de moeder één op één terug te horen bij de kinderen. Het hof maakt zich dan ook ernstige zorgen in hoeverre de kinderen toekomen aan een evenwichtige identiteitsontwikkeling waarbij zij zich niet te veel identificeren met alleen de vader en zich een goed eigen beeld kunnen vormen van hun moeder.
5.5.
Dit alles met elkaar maakt dat het hof zich eveneens grote zorgen maakt over het beperkte contact dat er nu is tussen de moeder en de kinderen. Om die reden acht het hof een gelijkwaardige verdeling van de tijd bij de vader en de moeder, zoals door de moeder is verzocht, aangewezen.
5.6.
Het hof acht het noodzakelijk dat beide ouders hulp gaan zoeken. De vader heeft echter, zo is het hof ter zitting gebleken, onvoldoende probleeminzicht en geen hulpvraag, zodat in het vrijwillig kader geen hulpverlening van de grond zal komen. Een verplicht kader, dat thans ontbreekt, lijkt daarvoor noodzakelijk.
5.7.
In het licht van het bovenstaande acht het hof een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen waarbij de kinderen gezamenlijk de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijven in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zodat in die zin zal worden beslist. Het hof wil de vader er hier met klem op wijzen dat hij er alles aan moet doen om ervoor te zorgen dat deze beslissing wordt nageleefd. Het doet namelijk de kinderen geen goed als de uitvoering ervan volledig aan henzelf wordt overgelaten, zoals in het recente verleden meer dan eens is geschied.
5.8.
Het hof ziet daarbij aanleiding om, zoals de moeder ter zake heeft verzocht, voor een beperkte periode een regeling vast te stellen voor het opbouwen naar de week op week af regeling. Bepaald zal worden dat na deze uitspraak de kinderen in het weekend van 10, 11 en 12 april 2026 en aansluitend daarop op 13 en 14 april 2026 (tot 19:30 uur) bij de moeder verblijven, alsmede in het weekend van 24, 25 en 26 april 2026 en aansluitend daarop op 27, 28, 29 en 30 april 2026 (tot 19:30 uur). De eerste volle week dat de kinderen hierna conform de week op week af regeling bij de moeder verblijven zal dan zijn de week van zondag 10 mei 2026 (vanaf 19:30 uur) tot zondag 17 mei 2026 (tot 19:30 uur).
5.9.
Het hof heeft aan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een brief geschreven waarin hun de beslissing over de zorgregeling wordt verteld.
De inschrijving van [de minderjarige2] in de gemeentelijke basisadministratie
5.10.
Het verzoek van de vader om het inschrijfadres van [de minderjarige2] in de Basisregistratie personen te mogen wijzigen naar zijn adres zal worden afgewezen.
Het hoofdverblijf van [de minderjarige2] is door de rechtbank in de beschikking van 30 april 2024 bij de moeder bepaald en [de minderjarige2] staat feitelijk ook op het adres van de moeder ingeschreven. Het hof ziet geen aanleiding om daarin wijziging aan te brengen. De vader acht het weliswaar van belang en praktisch dat de post voor [de minderjarige2] hem rechtstreeks bereikt, maar omdat het hoofdverblijf van [de minderjarige2] eerder bij de moeder is bepaald en zij binnenkort de helft van de tijd bij de moeder zal doorbrengen acht het hof acht het juist dat de inschrijving op het adres van de moeder ongewijzigd blijft.
De kinderalimentatie voor [de minderjarige2]
5.11.
Partijen hebben geen grieven gericht tegen de hoogte van de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige2] . Het geschil tussen partijen betreft enkel de ingangsdatum van de vastgestelde bijdrage.
5.12.
Als de rechter een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of laat eindigen, dan heeft hij (op grond van artikel 1:402 BW Pro) grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum.
De ingangsdatum is door de rechtbank bepaald op de datum van de bestreden beschikking, te weten 7 april 2025. Hoewel het in zaken waarin een alimentatiebijdrage wordt verzocht gebruikelijk is deze te doen ingaan op de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend - in de onderhavige zaak is dit op 16 februari 2024 geschied -, ziet het hof in de onderhavige zaak, waarin onduidelijk is geweest welke zorgregeling er definitief zou worden bepaald en beide kinderen gedurende een periode veel bij de vader hebben verbleven, aanleiding de rechtbank te volgen. Er zijn naar het oordeel van het hof geen argumenten naar voren gebracht die aanleiding geven anders te beslissen.
Het verzoek van de moeder om de ingangsdatum van de kinderalimentatie voor [de minderjarige2] te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift zal worden afgewezen.
De kinderalimentatie voor [de minderjarige1] / de ontvankelijkheid
5.13.
Het hof stelt vast dat het incidenteel hoger beroep van de vader feitelijk een verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie voor [de minderjarige1] betreft. Het betreft een zelfstandig verzoek dat voor het eerst in hoger beroep wordt gedaan. In artikel 362 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is bepaald dat – anders dan in de eerste aanleg – in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig verzoek kan worden gedaan. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

6.De slotsom

De bestreden beschikking moet worden vernietigd wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling en bekrachtigd voor het overige. Opnieuw beslissende zal het hof een zorgregeling vaststellen als na te melden. Ten aanzien van de kosten van de procedure ziet het hof aanleiding te bepalen dat de kosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zoals in familiezaken te doen gebruikelijk.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep
in het principaal hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 7 april 2025, voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen
[de minderjarige1] , geboren [in] 2011, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2012;
en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] na deze uitspraak bij de moeder zullen zijn:
- van vrijdag 10 april 2026 (na school) tot dinsdag 14 april 2026 (19:30 uur);
- van vrijdag 24 april 2026 (na school) tot dinsdag 30 april 2026 (19:30 uur);
- vervolgens eens per twee weken gedurende een week, telkens van zondag 19:30 uur tot zondag 19:30 uur, waarbij de eerste week aanvangt op 10 mei 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
in het incidenteel hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. van Dijk en mr. H. Mollema - de Jong, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.