Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de minderjarige1]en
[de minderjarige2]
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
[de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2012 geboren.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die het verzoek van de raad voor de kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van haar twee minderjarige kinderen voor de resterende duur van een jaar heeft afgewezen. De kinderen stonden sinds november 2024 onder toezicht van de gecertificeerde instelling, welke ondertoezichtstelling liep tot 21 september 2025.
De moeder betoogt dat zij belang heeft bij een rechtmatigheidstoets op grond van artikel 8 EVRM Pro, omdat het contact met haar kinderen na de afwijzing van het verzoek is verslechterd, wat volgens haar een inmenging in het gezinsleven betekent. Het hof stelt echter vast dat de termijn voor de verlening van de ondertoezichtstelling inmiddels is verstreken, waardoor toewijzing geen praktisch gevolg meer heeft.
Het hof oordeelt dat de afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling geen inmenging vormt in het gezag of gezinsleven en dat de verslechtering van het contact niet rechtstreeks aan de beslissing kan worden toegeschreven. Daarom heeft de moeder geen belang bij het hoger beroep en wijst het hof het beroep af wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen wegens gebrek aan belang bij toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling.