Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1955

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.360.881
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verdeling depot na ontbinding geregistreerd partnerschap

Partijen zijn in 2019 een geregistreerd partnerschap aangegaan dat in 2025 door de rechtbank is ontbonden. De verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning is deels verdeeld, maar een bedrag van €40.000 bleef in depot bij de notaris vanwege onenigheid over de verdeling.

De vrouw vordert dat de bedragen die de man aan haar verschuldigd is, waaronder ontruimingskosten en andere vergoedingen, ten laste van het depot komen. De rechtbank wees dit verzoek af, waarop de vrouw hoger beroep instelde.

Het hof oordeelt dat de man een totaalbedrag van €22.176,60 aan de vrouw verschuldigd is en dat dit bedrag verhaald mag worden op het aandeel van de man in het depot. Omdat het verschuldigde bedrag hoger is dan het aandeel van de man, komt het volledige depotbedrag aan de vrouw toe. Het hof vernietigt de bestreden beschikking en bepaalt dat het volledige depotbedrag aan de vrouw moet worden uitgekeerd, waarmee zij haar vorderingen kan executeren.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat het volledige depotbedrag van €40.000 aan de vrouw toekomt ter verrekening van haar vorderingen op de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.881
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 570519
beschikking van 31 maart 2024
over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het geregistreerd partnerschap
in de zaak van
[verzoekster](de vrouw)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A. Patist
en
[verweerder](de man)
die woont in [woonplaats]

1.Samenvatting

De vrouw vraagt vernietiging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 augustus 2025, voor zover het betreft de afwijzing van haar verzoek om de bedragen die de man aan haar verschuldigd is ten laste van het depot te laten komen. Het hof zal het verzoek van de vrouw alsnog toewijzen en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn [in] 2019 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
2.2.
De vrouw heeft op 26 oktober 2023 een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend. De rechtbank heeft in de beschikking van 7 augustus 2025 de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. De ontbindingsbeschikking is op 8 december 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
In het vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 september 2024 heeft de voorzieningenrechter onder andere gelast dat de man de voormalig echtelijke woning moet verlaten en ontruimen met de verplichting om zich uit te schrijven van het adres. De vrouw heeft daarbij de bevoegdheid gekregen om een deurwaarder in te schakelen om, wanneer de man de woning niet ontruimt, de achtergebleven spullen te laten afvoeren. Deze kosten komen voor rekening van de man en zullen bij de notariële overdracht in mindering worden gebracht op het aandeel van de man in de overwaarde van de woning.
2.4.
Uiteindelijk heeft de vrouw, na betekening en aanzegging tot ontruiming, de voormalig echtelijke woning laten ontruimen. De vrouw heeft op 25 januari 2025 een bedrag van € 3.610,70 aan [naam1] B.V. voldaan voor deze ontruimingskosten.
2.5.
Uit de depotovereenkomst van 6 januari 2025 volgt dat partijen zijn overeengekomen dat de notaris een gedeelte van de netto-verkoopopbrengst van de voormalig echtelijke woning, te weten een bedrag van € 40.000 in depot houdt, omdat de man en de vrouw nog geen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van het restant van de netto-verkoopopbrengst. De man en de vrouw hebben als gevolg hiervan een voorwaardelijke vordering op de notaris. De vordering wordt onvoorwaardelijk op één van de volgende manieren:
Na ondubbelzinnige gelijkluidende schriftelijke opdracht van de man en de vrouw, aan wie welk bedrag overgemaakt dient te worden en op welke bankrekeningnummers.
Na een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of in kracht van gewijsde is gegaan, welk vonnis door de man of de vrouw aan de notaris moet worden overgelegd.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vrouw heeft in de procedure ontbinding partnerschap onder andere verzocht de vorderingen die zij op de man heeft ten laste te laten komen van het depot.
3.2.
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad:
  • de wijze van verdeling van de ontbonden beperkte partnerschapsgemeenschap als volgt vastgesteld:
  • de inboedel aan de man toebedeeld, waarbij de man voor deze toedeling € 4.250 aan de vrouw moet betalen;
  • de man moet de helft van de kinderopvangkosten aan de vrouw voldoen, te weten een bedrag van € 1.043,90;
  • de man moet een bedrag van € 772 aan de vrouw voldoen voor de gebruiks-/eigenaarslasten ( [naam2] , achterstand [naam2] , woonverzekering bij [naam3] )
  • voor recht verklaard dat aan de vrouw een vergoedingsrecht van € 25.000 toekomt;
  • de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen, waaronder het verzoek van de vrouw om de kosten die de man aan de vrouw moet voldoen ten laste van het depot te laten komen, alsook het verzoek om te bepalen dat de ontruimingskosten van de woning door de man gecompenseerd moeten worden.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 augustus 2025. Deze beschikking wordt hierna ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vrouwvraagt in hoger beroep aanvulling van de bestreden beschikking. Zij wil, na wijziging en aanvulling van haar verzoek, dat het hof:
bepaalt dat elk van partijen – uit hoofde van de verdeling van de beperkte gemeenschap – gerechtigd is tot de helft van het depotbedrag dat door [naam4] in depot wordt gehouden, en
bepaalt dat de vrouw om die reden de helft van het in depot gehouden bedrag toekomt en moet ontvangen, en
c) te bepalen dat ten laste van de aanspraak van de man – op de helft van het depot – aan de vrouw toekomt en moet worden voldaan de in de bestreden beschikking toegewezen verzoeken (zoals hiervoor verwoord in rechtsoverweging 3.2.), neerkomend op een bedrag van € 18.565,90, te vermeerderen met betekenings- en executiekosten ad € 261,95 (€ 158,28 + € 103,67) en te vermeerderen met de bij kort geding vonnis d.d. 19/09/2024 toegewezen ontruimingskosten ad € 3.610,70,
althans
te bepalen dat – uit hoofde van de verdeling – per saldo het volledige bedrag dat [naam4] voor partijen onder zich houdt, aan de vrouw toekomt en aan haar moet worden uitgekeerd, omdat de door de man aan de vrouw te betalen kosten de aanspraak van de man op het depot overschrijdt;
althans
een zodanige voorziening treft als het hof juist acht, waarmee aan de voorwaarde zoals vastgelegd in de depotovereenkomst (onder art. 2 sub Pro b) wordt voldaan en het depot daadwerkelijk per saldo volledig aan de vrouw tot uitkering komt en kan worden afgewikkeld,
d) met veroordeling van de man in de proceskosten van het hoger beroep.
4.2.
De manvoert mondeling verweer.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 30 oktober 2025
  • een journaalbericht met bijlagen van de vrouw ingediend op 29 januari 2026, waarbij de vrouw haar verzoek heeft gewijzigd en vermeerderd.
4.4.
De zitting bij het hof was op 13 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat
  • de man

5.Het oordeel van het hof

Wijziging en vermeerdering verzoek
Wijziging
5.1.
De vrouw heeft haar verzoek in het journaalbericht van 29 januari 2026 gewijzigd en vermeerderd. Naar het oordeel van het hof zijn de door de vrouw geformuleerde wijzigingen toegestaan, aangezien dit enkel een verduidelijking betreft van haar eerdere verzoek en aansluit op de inhoud van het beroepschrift.
Vermeerdering
5.2.
Daarnaast heeft de vrouw na het indienen van het beroepschrift in haar journaalbericht van 29 januari 2026 haar verzoek vermeerderd en (voor het eerst) verzocht het door de man aan haar verschuldigde bedrag te vermeerderen met betekenings- en executiekosten en daarnaast de man te veroordelen in de proceskosten. De in artikel 347 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven (waaronder vermeerdering van verzoeken) die in een later stadium dan in het beroepschrift, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in het verweerschrift worden aangevoerd. Deze twee-conclusie-regel beperkt de aan de oorspronkelijk verzoeker toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn verzoek in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn verzoek niet later dan in zijn beroepschrift of verweerschrift mag veranderen of vermeerderen. Van in de rechtspraak erkende uitzonderingen op deze regel is het hof hier niet gebleken. Het hof zal deze aanvullende verzoeken van de vrouw daarom buiten beschouwing laten.
Inhoudelijk oordeel
5.3.
De bezwaren van de vrouw tegen de bestreden beschikking zien op de afwijzing van de rechtbank op de verzoeken van de vrouw om de bedragen die de man aan haar verschuldigd is ten laste van het depot te laten komen. Het depot kan op dit moment niet worden uitgekeerd omdat de man weigert hieraan mee te werken, terwijl uit de uitspraken van de rechtbank duidelijk blijkt dat de man nog geld verschuldigd is aan de vrouw.
5.4.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Volgens hem zijn de door de vrouw genoemde kosten deels al verrekend, zodat sprake is van een dubbeltelling. Verder meent hij dat er nog een hoop andere kosten zijn die verrekend moeten worden, waardoor de vrouw hem nog geld verschuldigd is. Hij wil dat deze kosten worden verrekend bij het uitkeren van het depotbedrag.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. De gezamenlijke woning van partijen is tijdens de procedure bij de rechtbank verkocht. Partijen hebben ieder een gelijk deel van de verkoopopbrengst ontvangen en een restant van € 40.000 van de verkoopopbrengst is in depot bij de notaris gebleven. Uit de mailwisseling met de notaris volgt dat de notaris het geld in depot niet kan uitbetalen, omdat partijen geen ondubbelzinnige, gelijkluidende schriftelijke opdracht tot uitbetaling geven en de rechtbank in zijn bestreden beschikking niets heeft bepaald over hoe het depot moet worden uitgekeerd. De notaris vindt dat zij daarom niet tot uitkering van het depot kan overgaan.
5.6.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de man een totaalbedrag van € 22.176,60
aan de vrouw moet betalen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de man aan de vrouw moet betalen:
  • een bedrag van € 4.250 voor de inboedel
  • een bedrag van € 1.043,90 aan kinderopvangkosten
  • een bedrag van € 772 voor de gebruiks-/eigenaarslasten ( [naam2] , achterstand [naam2] , woonverzekering [naam3] )
  • een bedrag van € 12.500 (het deel dat de man moet betalen wegens het vergoedingsrecht op de gemeenschap van € 25.000 dat de vrouw toekomt)
Concluderend moet de man op basis van de bestreden beschikking een bedrag van € 18.565,90 aan de vrouw betalen. Tegen deze beslissingen van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze beslissingen bindend zijn. Het hof moet daarom ook van deze beslissingen uitgaan. Daarnaast is de man op basis van het vonnis in kort geding van 19 september 2024 gehouden om de ontruimingskosten voor zijn rekening te nemen. Uit de door de vrouw overgelegde factuur volgt dat de ontruimingskosten € 3.610,70 bedroegen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw deze kosten heeft betaald, zodat de man ook dit bedrag aan de vrouw verschuldigd is.
5.7.
Het hof stelt voorop dat partijen beiden gerechtigd zijn tot de helft van de verkoopopbrengst van de voormalig gezamenlijke woning, omdat zij daar ieder voor de helft eigenaar van waren. Partijen zijn dus in beginsel ook gerechtigd tot de helft van het bedrag in depot van € 40.000. De man is een totaalbedrag van € 22.176,60 aan de vrouw verschuldigd en dit bedrag mag de vrouw verhalen op het aandeel van de man in het depot. Omdat het aan de vrouw verschuldigde bedrag hoger is dan het aandeel van de man in depot, komt het volledige depot aan de vrouw toe. Het hof laat de stelling van de man dat de vrouw hem ook nog geld verschuldigd is, buiten beschouwing omdat de man daartoe in dit hoger beroep geen concrete en onderbouwde verzoeken heeft gedaan. Ook uit de stellingen van de man bij de rechtbank dan wel de eerdere uitspraken van de rechtbank volgt niet dat de vrouw hem nog geld verschuldigd is dat middels het depot verrekend zou kunnen worden. Het hof passeert ook de stelling van de man dat sprake is van een dubbeltelling. Uit de nota van afrekening van de notaris volgt dat een aantal kosten van de verkoopopbrengst is voldaan. Dit betreffen echter andere kosten dan de kosten die hiervoor onder rechtsoverweging 5.6. worden genoemd. Van een dubbeltelling is dan ook geen sprake.
5.8.
De bezwaren van de vrouw tegen de bestreden beschikking slagen. Het hof begrijpt de verzoeken van de vrouw, zoals geformuleerd onder a tot en met c, zo dat zij uitkering vraagt aan haar van het volledige bedrag dat [naam4] in depot onder zich houdt in verband met de verkoop van de gezamenlijke woning. Het hof zal het verzoek van de vrouw toewijzen, zodat de notaris op verzoek van de vrouw het volledige depotbedrag aan de vrouw moet overmaken minus eventueel door haar bedongen kosten. De vrouw heeft hiermee de mogelijkheid om de vorderingen die zij op de man heeft (gedeeltelijk) te executeren.
5.9.
Gelet op het voorgaande, zal het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maken (vernietigen).
5.10.
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 augustus 2025, voor zover daarin de verzoeken van de vrouw om de kosten die de man aan de vrouw moet voldoen te laste van het depot te laten komen zijn afgewezen, en beslist:
6.2.
bepaalt dat – uit hoofde van de verdeling en de vorderingen die de vrouw op de man heeft ten bedrage van € 22.176,60 – het volledige bedrag van € 40.000 dat [naam4] voor partijen onder zich houdt, aan de vrouw toekomt c.q. moet worden uitgekeerd;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.