Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1980

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.357.106/01 en 200.357.106/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie bij lage draagkracht man met Wajong-uitkering

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de bewindvoerder van een man met een Wajong-uitkering tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel waarin kinderalimentatie was vastgesteld op €395 per maand. De man staat onder bewind en heeft twee kinderen, waarvan één uit de relatie met de vrouw die het ouderlijk gezag uitoefent.

De bewindvoerder voerde aan dat de draagkracht van de man zeer laag is en verzocht om nihilstelling van de alimentatie met ingang van 25 maart 2024. Het hof nam de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen als uitgangspunt en stelde vast dat bij een netto besteedbaar inkomen van €1.344 per maand een minimumdraagkracht van €50 per maand voor twee kinderen geldt.

Het hof verdeelde deze draagkracht gelijkelijk over de twee kinderen, waardoor de man een bijdrage van €25 per maand aan de vrouw moet betalen voor de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind. De ingangsdatum van de alimentatieverplichting is de datum van het arrest, waarbij terugwerkende kracht werd uitgesloten vanwege de geringe draagkracht en de eerste vaststelling van de alimentatie.

Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad werd afgewezen omdat het hof een eindbeschikking gaf. De kosten van het geding worden door partijen ieder voor eigen rekening gedragen.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €25 per maand met ingang van de datum van het arrest.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.357.106/01 en 200.357.106/02
(zaaknummer rechtbank Overijssel 326728)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
Beschermingsbewind Centraal Nederland B.V.(de bewindvoerder)
,
gevestigd in Zwolle,
in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Baldan Kaya te Deventer.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 juli 2025;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- brieven van mr. Aarnoudse van 1 december 2025, 5 januari 2026 en 8 januari 2026, alle met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2026 plaatsgevonden. . De advocaat van de bewindvoerder is op de zitting verschenen. De man en de vrouw zijn niet verschenen. De advocaat van de vrouw heeft deelgenomen via een telefonische verbinding.

3.De feiten

3.1.
Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie van de man en de vrouw is [in]
2012 [de minderjarige] geboren. [de minderjarige] woont bij de vrouw. Zij oefent alleen het ouderlijk gezag over hem uit.
3.2.
De man heeft met een andere partner nog een kind, geboren in 2018. De man staat onder bewind. De man ontvangt een Wajong-uitkering. De vrouw ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet.

4.Het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van
25 maart 2024 bepaald op € 395,- per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Ook is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2.
De bewindvoerder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zijn grieven zien op de draagkracht van de man, de behoefte van [de minderjarige] , de zorgkorting en de ingangsdatum. De bewindvoerder verzoekt de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking op te schorten totdat in hoger beroep zal zijn beslist over het verzoek tot nihilstelling, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 25 maart 2024 vast te stellen op nihil, of een beslissing te nemen die het hof juist acht, ingaande op een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.
4.3.
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de bewindvoerder af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.

5.De overwegingen voor de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.357.106/02 (schorsing)
5.1.
Omdat het hof nu een eindbeschikking zal geven in de hoofdzaak, heeft de bewindvoerder niet langer belang bij de gevraagde schorsing. Het hof zal het verzoek tot schorsing daarom afwijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.357.106/01 (hoofdzaak)
5.2.
Het hof neemt bij de beoordeling de systematiek van berekening van de kinder- en partneralimentatie op basis van de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt.
ingangsdatum
5.3.
Als de rechter een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of laat eindigen, dan heeft hij (op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek) grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum. De – gewijzigde – verplichting kan ingaan op de datum dat:
  • de omstandigheden zijn gewijzigd,
  • de man/vrouw op de hoogte was van de wijziging van de omstandigheden,
  • het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend, of
  • de bestreden beschikking werd gegeven.
Ook een andere datum is mogelijk, maar de rechter moet in elk geval behoedzaam omgaan met deze beslissingsvrijheid als een wijziging met terugwerkende kracht ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde, omdat die daardoor zou moeten terugbetalen wat in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Dat geldt ook voor de rechter in hoger beroep als die een in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage verlaagt of op nihil bepaalt.
5.4.
Het hof is van oordeel dat in dit geval de datum van de beschikking van het hof als ingangsdatum voor een alimentatieverplichting moet worden gehanteerd. Het betreft een eerste vaststelling en, zoals hieronder wordt uitgewerkt, heeft de man een geringe draagkracht. Het hof ziet daarom af van vaststelling van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht.
draagkracht
5.5.
In eerste aanleg is het verzoek van de vrouw als onweersproken toegewezen. In hoger beroep heeft de bewindvoerder inzicht gegeven in de financiële situatie van de man en aangetoond dat de man een Wajong uitkering ontvangt, aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Uit de meest recente betaalspecificatie die de man heeft verstrekt, van mei 2025, blijkt een maandinkomen (in 2025) van € 1.570,14 bruto. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen, inclusief vakantietoeslag, van € 1.344,- per maand.
5.6.
De richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen gaan bij netto besteedbaar inkomen van € 1.875,- per maand (in 2025) of minder uit van een minimumdraagkracht van € 25,- voor één kind en € 50,- voor twee of meer kinderen. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt.
5.7.
De man heeft twee kinderen. Zijn draagkracht van € 50,- per maand wordt gelijkelijk over de twee kinderen verdeeld, nu er niet is aangevoerd dat er een (aanmerkelijk) verschil in behoefte tussen beide kinderen is.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de andere geschilpunten die door partijen naar voren zijn gebracht, zoals de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] , de woonkosten en schuldenlast van de man en een eventueel van toepassing zijnde zorgkorting geen verdere bespreking behoeven.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.357.106/02 (schorsing)
wijst het verzoek van de man af;
in de zaak met zaaknummer 200.357.106/01 (hoofdzaak)
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren op
10 oktober 2012, moet voldoen van € 25,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, L. van Dijk en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.