Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1996

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
21-001530-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis oplichting en witwassen met aangepaste strafoplegging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 april 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2022. Verdachte werd veroordeeld voor oplichting, gewoontewitwassen en eenvoudig witwassen. Het hof bevestigde het merendeel van het vonnis, inclusief de toegewezen schadevergoedingen aan meerdere benadeelden en de verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen iPhone.

Het hof vulde de bewijsmiddelen aan met de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting van 18 maart 2026. De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De verdediging verzocht om een voorwaardelijke straf gecombineerd met een taakstraf.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, de lange periode van oplichting waarbij slachtoffers financieel werden benadeeld voor ruim €60.000, en het witwassen van crimineel geld. Verdachte had een strafblad met soortgelijke veroordelingen en toonde spijt. Ook werden persoonlijke omstandigheden zoals gokverslaving en financiële problemen meegewogen.

Het hof oordeelde dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden, maar in hoger beroep niet. Gezien de veranderde proceshouding van verdachte legde het hof een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het vonnis werd verder bevestigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001530-25
Uitspraakdatum: 1 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 19 december 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-136663-22 en 18-134465-22, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 18 maart 2026 en de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn (waarnemend) raadsvrouw, mr. H.L.P. Fauser, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 2022, waartegen het hoger beroep is gericht,
  • verdachte veroordeeld voor oplichting, gewoontewitwassen en eenvoudig witwassen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen (€ 1.180,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] deels toegewezen (tot € 3.970,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en ten aanzien van het overige gevorderde afgewezen,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] toegewezen (€ 2.690,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] toegewezen (€ 490,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] toegewezen (€ 792,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] deels toegewezen (tot € 3.177,05 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en ten aanzien van het overige gevorderde afgewezen,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] toegewezen (€ 270,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en
  • de inbeslaggenomen Apple iPhone verbeurd verklaard.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt en de bekennende verklaring die verdachte op de zitting van het hof heeft afgelegd, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde strafbare feiten. Het hof zal dat deel van het vonnis - inclusief de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen en de beslissing over het beslag - dan ook bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen. Het hof komt echter tot een andere straf dan de rechtbank, en zal daarom dat deel van het vonnis vernietigen.

Aanvulling van bewijsmiddelen

Het hof vult de bewijsmiddelen die in het vonnis zijn opgenomen, als volgt aan:
De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 18 maart 2026, inhoudende - zakelijk weergegeven:
Ik beken de aan mij tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd. Ik neem voor de feiten de volle verantwoordelijkheid.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft, mede gelet op de bekennende verklaring die verdachte op de zitting van het hof heeft afgelegd, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 240 uren, bij niet voldoen te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde strafbare feiten. Indien verdachte weer in detentie moet, kan hij niet beginnen met werken om zijn schulden af te betalen.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Daarbij merkt het hof op dat verdachte de in de zaak met parketnummer 18/136663-22 ad informandum gevoegde zaken 4, 5 en 6 ter zitting van het hof nadrukkelijk heeft bekend zodat deze bij de strafoplegging zijn meegenomen. De ad informandum gevoegde zaken 3 en 7 heeft verdachte ter zitting van het hof ontkend zodat die niet zullen worden meegenomen in de strafbepaling.
Verder verenigt het hof zich met de overwegingen van de rechtbank omtrent de op te leggen straf waar de rechtbank overweegt (hierna cursief weergegeven):
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan oplichting van meerdere slachtoffers en (eenvoudig) witwassen van geld afkomstig van deze oplichtingen. Hij deed zich voor als escortdame en kwam via advertenties op het internet in contact met mannen die een seksafspraak wilden maken. Verdachte liet de mannen vooraf onder meer een borg betalen en liet dit overmaken op bankrekeningen van anderen, zogenaamde geldezels. Hij wekte richting de slachtoffers onder meer de indruk dat de escortdame werd bedreigd of werd vastgehouden door haar pooier als de borg niet werd voldaan. Door zo te handelen heeft verdachte de slachtoffers bespeeld en financieel benadeeld, in totaal voor een bedrag van ruim € 60.000,-. Door het geld wit te wassen heeft verdachte het mogelijk gemaakt dat crimineel geld in het legale verkeer is gebracht.
In aanvulling hierop overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft bij de strafoplegging in strafverzwarende zin gelet op het strafblad van verdachte van 16 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om wederom in de fout te gaan en opnieuw een hele reeks van slachtoffers te maken.
Verdachte heeft op de zitting van het hof een bekennende verklaring afgelegd en spijt betuigd. Daarmee heeft verdachte verantwoordelijkheid genomen voor de door hem gepleegde strafbare feiten. Het hof zal dit in enigszins strafmatigende zin meewegen bij het bepalen van de straf.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en op de zitting bij het hof door hem zelf en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Uit het rapport van de reclassering van 4 maart 2026 blijkt dat bij verdachte sprake zou zijn (geweest) van een gokverslaving en van periodes waarin hij zich eenzaam voelde en stress ervoer, waardoor hij in financiële problemen terechtkwam. Om deze financiële problemen op te lossen heeft verdachte de tenlastegelegde feiten gepleegd en geld geleend van familie en vrienden. Verdachte heeft vrijwel geen werkervaring en geen startkwalificatie. Ook heeft hij sinds zijn terugkeer in Nederland in 2025 weer geld geleend van naasten en in ieder geval één keer gegokt. De reclassering acht de kans op recidive hierdoor hooggemiddeld. Geadviseerd wordt om, in geval van veroordeling, aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Tot slot houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Verdachte is in eerste aanleg op 29 augustus 2018 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 19 december 2022. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met twee jaren, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. In hoger beroep is de redelijke termijn niet overschreden omdat verdachte ervoor koos om in 2018 naar Marokko te vertrekken en pas in maart 2025 weer terug te komen naar Nederland. Toen heeft hij hoger beroep ingesteld.
Het hof acht in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden - waarbij reeds rekening is gehouden met de geconstateerde overschrijding zoals hiervoor weergegeven - passend. Het hof ziet echter in de veranderde proceshouding van verdachte aanleiding om daarvan af te wijken en een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, als stok achter de deur. Het hof komt om die reden tot de niet alleen passende maar ook geboden oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 326, 420bis.1 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. L.T. Wemes en mr. G.A. Versteeg, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 april 2026.