ECLI:NL:GHARL:2026:2004

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
200.359.802/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Willems-Keekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiele telefoon tijdens het rijden

De betrokkene werd beboet voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 17 februari 2024 op de A2 te Nieuwer Ter Aa. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. Het hof behandelde het hoger beroep en beoordeelde of de betrokkene de telefoon daadwerkelijk vasthield in de zin van artikel 61a RVV 1990.

De betrokkene voerde aan dat hij de telefoon slechts kort aanraakte en dat deze los op het stuur lag, waarbij hij twijfels uitte over de betrouwbaarheid van de verklaring van de ambtenaar. Hij overhandigde een foto ter ondersteuning van zijn standpunt en een medische verklaring vanwege zijn ADHD. Het hof stelde vast dat de ambtenaar onbelemmerd zicht had en dat de foto vanuit een andere positie was genomen dan de waarneming van de ambtenaar.

Het hof oordeelde dat het vasthouden van de telefoon met de zijkanten van de duimen voldoende is om te spreken van vasthouden volgens artikel 61a RVV 1990. Het feit dat de telefoon zonder fysiek ingrijpen niet op dezelfde plaats zou blijven, bevestigt dit. De eerdere verklaring van de betrokkene werd niet gebruikt voor de vaststelling van de gedraging. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en handhaafde de boete.

Uitkomst: Het hof bevestigt de boete van €380 voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.802/01
CJIB-nummer
: 264398178
Uitspraak d.d.
: 1 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 17 juli 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 maart 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 februari 2024 om 11.35 uur op de A2 in Nieuwer Ter Aa met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat hij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Volgens de betrokkene is de beslissing gebaseerd op een interpretatie van de ambtenaar die stelt dat de telefoon ‘vastgeklemd’ zou zijn. De betrokkene heeft echter uitsluitend kort het scherm aangeraakt voor het bedienen van de navigatie, terwijl de telefoon los aan de onderzijde van het stuur lag. Het is dan ook niet objectief vast te stellen dat hij de telefoon daadwerkelijk in zijn hand hield of klemde. Verder merkt de betrokkene op dat de ambtenaar zelf heeft verklaard dat de telefoon zich aan de onderzijde van het stuur bevond. Dit ondersteunt het standpunt van de betrokkene dat hij geen telefoon in zijn hand ‘vasthield’. Bovendien zijn de verklaringen van de ambtenaar niet eenduidig. Het vasthouden van een telefoon met de duimen impliceert een andere handpositie en handeling dan het vasthouden van een telefoon ter hoogte van het stuur. Ook is niet duidelijk of deze handelingen gelijktijdig of consequent zijn waargenomen tijdens het passeren. Door deze wisselende en niet concrete beschrijvingen ontstaat er twijfel over de feitelijke waarneming en daarmee over de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de verklaring van de ambtenaar, aldus de betrokkene. Verder voert de betrokkene aan dat de door hem gegeven verklaring in het zaakoverzicht over eventuele lijmresten niet juist is en hij deze direct heeft gecorrigeerd. Deze verwarring is waarschijnlijk ontstaan door de schrik en zijn DSM-diagnose (ADHD). Ter onderbouwing hiervan heeft de betrokkene een medische verklaring overgelegd. Volgens de betrokkene heeft de ambtenaar deze correctie niet doorgevoerd in het zaakoverzicht. De betrokkene heeft hierdoor het gevoel gekregen dat de ambtenaar het persoonlijk heeft opgevat en de betrokkene wil beboeten, ongeacht of dit feitelijk juist is of niet. Voorts legt de betrokkene uit dat de auto waarin hij reed hoger is dan die van de ambtenaar. Logischerwijs kan hij daardoor niet goed hebben gezien wat zich aan de onderkant van het stuur bevindt. Bovendien zou de ambtenaar aanvankelijk hebben aangegeven aanvullend bewijs in zijn bezit te hebben, maar kon dit op verzoek van de betrokkene niet overleggen. De betrokkene is dan ook van mening dat, nu er sprake is van redelijke twijfel of de betrokkene de telefoon daadwerkelijk heeft vastgeklemd, dit niet zonder meer kan leiden tot een sanctie. Het opleggen van een sanctie is dan ook in strijd met het beginsel van rechtszekerheid en het recht op een eerlijk proces.
3. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het RVV 1990, en luidt als volgt:

“Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”

4. Het hof stelt voorop dat het niet zo is dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens in het dossier. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. De Wahv stelt overigens niet als eis dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs om een in de bijlage bij de Wahv omschreven gedraging vast te kunnen stellen.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een telefoon met de rechterhand, ter hoogte van het stuur vasthield. Ik zag een zwarte telefoon. Tijdens mijn waarneming heb ik duidelijk en onbelemmerd in/naar het voertuig en naar het mobiel elektronisch apparaat kunnen kijken. Bij de staandehouding zag ik dat het een Samsung betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. Tijdens de staandehouding verklaarde de verdachte dat hij de telefoon op het stuur geplakt had. Op het stuur waren geen lijmresten te zien en de telefoon was ook niet voorzien van iets dat de telefoon tegen het stuur kon plakken. Tijdens het passeren hebben wij, verbalisanten, duidelijk gezien dat de telefoon op de onderzijde van het stuur lag, waarbij de betrokkene de telefoon met zijn duimen geklemd tegen het stuur aan vasthield. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend.
Bijlagen: een fotografische opname. (…)
Verklaring betrokkene: ik had hem niet vast. De telefoon lag op het stuur.”
6. Daarnaast bevat het dossier een door de betrokkene ingebrachte foto. Hierop is te zien dat de handen van de betrokkene zich aan de zijkanten van het stuur bevinden en zijn telefoon tussen zijn handen op het middengedeelte van het stuur staat. De mobiele telefoon staat rechtop op de onderkant van het stuurwiel en leunt gedeeltelijk tegen het midden van het stuur aan. Ook is op de foto te zien dat de betrokkene in ieder geval met de zijkant van een hand de mobiele telefoon aanraakt/klemt. De betrokkene houdt het stuur aan weerszijden van het midden vast. Ter zitting heeft de betrokkene over deze foto nog verklaard dat hij deze heeft ingebracht om meer duidelijkheid te geven over het zicht wat de verbalisant zou hebben gehad op de betrokkene en zijn mobiele telefoon op het stuur.
7. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij tijdens zijn waarneming duidelijk en onbelemmerd in het voertuig van de betrokkene heeft kunnen kijken en daarbij een mobiel elektronisch apparaat heeft waargenomen. Hetgeen is aangevoerd, leidt niet tot twijfel aan de opmerking dat de ambtenaar rechtstreeks zicht in het voertuig heeft gehad bij de waarneming van de gedraging. De door de betrokkene ingebrachte foto maakt dit niet anders, nu deze vanaf een hele andere positie is gemaakt dan de positie vanaf waar de verbalisant volgens de omschrijving in het zaakoverzicht een en ander heeft waargenomen.
8. Naar het oordeel van het hof is er verder geen sprake van tegenstrijdigheden in de verklaring van de ambtenaar. De ambtenaar verklaart dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een telefoon vasthield met zijn rechterhand ter hoogte van het stuur en geeft in diezelfde verklaring meer specifiek aan dat hij tijdens het passeren van het voertuig van de betrokkene duidelijk zag dat de telefoon op de onderzijde van het stuur lag, waarbij de betrokkene de telefoon met zijn duimen geklemd tegen het stuur aan vasthield. Voor zover de ambtenaar verklaart over ‘lijmresten’, is ter zitting van het hof aan de betrokkene verduidelijkt dat dit bijvoorbeeld kan zien op een plakker of een zuignap, maar dat niet in geschil is dat hiervan geen sprake is geweest.
9. Het hof dient te beoordelen of er sprake is geweest van vasthouden in de zin van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Het hof overweegt hierover het volgende.
10. Ook als wordt uitgegaan van de verklaring van de betrokkene over de wijze waarop hij de mobiele telefoon heeft vastgeklemd, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In eerdere uitspraken van dit hof met betrekking tot het begrip vasthouden als bedoeld in artikel 61a van het RVV 1990 zijn namelijk verschillende vormen van het gebruik van een mobiele telefoon onder het begrip vasthouden gebracht, zoals het aan de pols bevestigen van een mobiele telefoon, het achter een hoofddoek plaatsen van een mobiele telefoon, het tussen oor en schouder klemmen van een mobiele telefoon en het klemmen van een mobiele telefoon tussen hand en fietsstuur. Daarbij achtte het hof steeds van belang dat de mobiele telefoon niet uit zichzelf in dezelfde positie bleef tijdens het rijden, maar uitsluitend door enige vorm van fysiek ingrijpen van de bestuurder van het voertuig. Daarvan is in deze zaak ook sprake. Doordat de betrokkene met de zijkanten van zijn duimen (enige) druk uitoefent, kon de mobiele telefoon in positie blijven. Niet is aannemelijk gemaakt dat de mobiele telefoon zonder enig fysiek ingrijpen van de betrokkene in dezelfde positie kon blijven tijdens het rijden. Dat de betrokkene het scherm van de mobiele telefoon kort heeft aangeraakt om zo zijn navigatie te controleren, maakt dit niet anders.
11. Nu het hof de door de betrokkene bij de staandehouding afgelegde verklaring niet voor de vaststelling van de gedraging gebruikt, kan in het midden blijven of deze verklaring door de ambtenaar in het zaakoverzicht juist is weergegeven.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.