ECLI:NL:GHARL:2026:201

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
21-005035-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in hoger beroep wegens belediging op sociale media

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. De verdachte, een 54-jarige man, was eerder veroordeeld voor smaad en kreeg een taakstraf opgelegd. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen deze veroordeling. Het hof heeft de zaak onderzocht op zittingen op 17 december 2025 en 14 januari 2026, waarbij de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte hun standpunten hebben toegelicht.

De politierechter had de verdachte veroordeeld voor het plaatsen van een tweet waarin hij de benadeelde partij beschuldigde van pedofilie. Het hof oordeelde dat de tenlastelegging van het primair tenlastegelegde nietig was, omdat het niet voldeed aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelde vast dat de beschuldiging niet als een duidelijk te onderkennen gedraging kon worden beschouwd, maar eerder als een eigenschap die aan de benadeelde werd toegedicht.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde, dat betrekking had op belediging, oordeelde het hof dat de context van de uitlatingen van de verdachte van belang was. Het hof concludeerde dat het gebruik van het woord 'pedofiel' in de tweet niet beledigend was, omdat het niet specifiek gericht was tegen de benadeelde, maar tegen de politieke partij waar hij bij betrokken was. Het hof sprak de verdachte vrij van de subsidiair ten laste gelegde belediging en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005035-24
Uitspraakdatum: 14 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 19 november 2024 met parketnummer 08-041217-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 17 december 2025, 14 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte ter zake van smaad veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, waarvan twintig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en te vervangen door twintig dagen hechtenis.
Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de politierechter algemene voorwaarden verbonden en daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Deze maatregel behelst een contactverbod ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde] voor de duur van vijf jaren waarbij is bepaald dat de vervangende hechtenis voor elke overtreding twee weken bedraagt, waarbij de totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.
Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 27 april 2023 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op Twitter een bericht te plaatsen met daarin de tekst dat die [benadeelde] een pedofiel is
subsidiairhij op of omstreeks 27 april 2023 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk [benadeelde] , in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding, heeft beledigd, door op Twitter een bericht te plaatsen met daarin de tekst dat die [benadeelde] een pedofiel is;
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg ten aanzien van het primair tenlastegelegde nietig moet worden verklaard, omdat het hier geen bepaald feit betreft in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Een feit is bepaald als het een duidelijk te onderkennen gedraging aanwijst. In dit geval wordt echter geen duidelijk te onderkennen gedraging aangewezen, maar een eigenschap. Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de subsidiair ten laste gelegde belediging wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is integrale vrijspraak van het ten laste gelegde feit bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte bijdragen aan het publieke debat, niet onnodig grievend zijn en vallen binnen de grenzen van art. 10 van het EVRM.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde
Het hof stelt voorop dat sprake is van ‘tenlastelegging van een bepaald feit’ als bedoeld in art. 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst, die bovendien een verwerpelijk karakter heeft. Daarvan is geen sprake indien het ‘feit’ niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging.
In dit geval houdt de feitelijke uitwerking van het ‘feit’ niet meer in dan dat verdachte een twitter-bericht heeft geplaatst met daarin onder meer de tekst dat [tekst] – waarmee verdachte, zo heeft hij verklaard, de persoon [benadeelde] bedoelde – een pedofiel is. Naar het oordeel van het hof houdt deze tekst geen beschuldiging aan het adres van [benadeelde] in. Het zijn van pedofiel is niet een duidelijk te onderkennen concrete gedraging. Dat betekent dat het (kwalificatieve) bestanddeel ‘tenlastelegging van een bepaald feit’ zich niet laat rijmen met de feitelijke uitwerking daarvan. Daardoor is het primair tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig. Dat maakt dat het hof het primair tenlastegelegde nietig zal verklaren.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.
Een uitlating moet als beledigend in de zin van artikel 266 lid 1 Sr worden beschouwd, indien zij de strekking heeft een ander aan te randen in zijn eer en/of goede naam. Indien een uitlating woorden bevat, waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, zal het van de context waarin de uitlating is gedaan afhangen of van belediging sprake is. De context wordt gevormd door bijkomende omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan. Zo kan een uitlating die op zichzelf beschouwd niet beledigend is, door de wijze waarop deze is gedaan toch belediging opleveren.
Door verdachte is erkend dat hij op Twitter het bericht heeft geplaatst waarin staat: ”
Ah, @ [politieke partij] . Het door en door verrotte en corrupte clubje, waar vrouwen carrière moeten maken via de matrassen van de partijbonzen, dat een pedofiel als [tekst] zijn gang laat gaan, en het onderzoek naar zijn gedrag stilletjes staakt, en nog maar eens een dikke middelvinger opsteekt naar de andere Nederlanders. Wie zijn toch die mensen? Zijn het mensen? Of is het gewoon elitair tuig van de te rijke richel? # [tekst]”. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat dit bericht was bedoeld om grieven te uiten over de politieke partij [politieke partij] en over de omgang van deze partij met beweerdelijke affaires binnen de partij, waaronder een affaire waarin [benadeelde] een rol speelde.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gebruikte woord “pedofiel” op zichzelf in het algemeen niet zonder meer beledigend is. Beantwoording van de vraag of het gebruik van het woord “pedofiel” in dit geval toch beledigend is, hangt daarom af van de context waarin verdachte de uitlating heeft gedaan.
Uit de inhoud van het Twitter-bericht leidt het hof af dat dit niet specifiek gericht was tegen [benadeelde] maar tegen de politieke partij [politieke partij] . Het hof stelt daarnaast vast dat over de affaire waarin [benadeelde] een rol speelde en waaraan verdachte heeft gerefereerd, in de media veelvuldig en uitgebreid is bericht, zo volgt uit publicaties in kranten en tijdschriften die in het dossier als bijlage aan het proces-verbaal van verhoor van verdachte zijn gehecht.
Het hof is van oordeel dat, tegen de achtergrond van deze publicaties en in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud en de door verdachte gestelde bedoeling van het Twitter-bericht, het gebruik van het woord "pedofiel" in het Twitter-bericht niet beledigend naar [benadeelde] is. In de context waarin de uitlating is gedaan had het gebruik van het woord “pedofiel” niet de strekking om [benadeelde] bij het publiek in een ongunstig daglicht te plaatsen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het hof spreekt verdachte daarom vrij van de subsidiair ten laste gelegde belediging.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het ten laste gelegde feit waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het primair tenlastegelegde nietig.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Aldus gewezen door
mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,
mr. A.J. Smit en mr. K.J.C. Geeve, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffier,
en op 14 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.