Partijen zijn in 2000 gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen en hebben in 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft in 2025 de echtscheiding uitgesproken en de gemeenschap verdeeld, maar partijen zijn het niet eens over de wijze van verdeling van de woning, het appartement, het vergoedingsrecht van de man, de schilderijen, de boot, de inboedel en de vaste lasten.
In hoger beroep en zelfstandig hoger beroep hebben partijen grieven ingediend, waarvan het hof een groot deel buiten beschouwing laat wegens strijd met de tweeconclusieregel. Het hof gelast de wijze van verdeling van de woning en het appartement met een spoorboekje, waarbij de vrouw eerst de gelegenheid krijgt de woning over te nemen en daarna de man, en het appartement aan de man wordt toegedeeld tegen de vrije verkoopwaarde.
Het hof stelt vast dat de man recht heeft op een vergoedingsrecht van €132.725,86 wegens aflossing van de hypotheek met privévermogen uit een nalatenschap onder uitsluitingsclausule. Het hof wijst het verzoek van de man af om een nominale vergoeding toe te kennen voor het resterende deel van de erfenis. Verder wijst het hof het verzoek van de vrouw af om de boot opnieuw te verdelen en bekrachtigt het hof de verdeling van de schilderijen en de afgifte van de inboedel aan de man.
De woonlasten van de man worden niet gezamenlijk gedragen na de echtscheiding. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de wijze van verdeling van woning, appartement en vergoedingsrecht betreft en wordt opnieuw vastgesteld door het hof.