Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 4 juli 2025;
- een journaalbericht namens de vrouw van 1 augustus 2025 met een productie;
- het verweerschrift met een productie.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
3.De feiten
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013,
- [minderjarige2] , geboren [in] 2015, en
- [minderjarige3] , geboren [in] 2016.
- de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2021 vastgesteld op € 1.754,- per kind per maand, en
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vastgesteld op € 4.000,- per maand.
4.De omvang van het geschil
- de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 25 maart 2024 wordt vastgesteld op € 427,- per kind per maand; en
- de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 25 maart 2024 op nihil wordt gesteld.
- de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 1.608,- per kind per maand, en
- de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 4.000,- per maand,
5.De motivering van de beslissing
2.22 Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 20 januari 2022 (r.o. 2.19) in het kader van de verdeling van kleding, sieraden, tassen, schoenen en accessoires al opgemerkt dat uit de stukken en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling een beeld is ontstaan dat partijen tijdens het huwelijk een luxe levensstijl voerden en in een zekere (hoge) welstand leefden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet valt vast te stellen wat partijen (per maand) te besteden hadden. Op grond van de levensstijl en het uitgavenpatroon van partijen kan, ook wanneer de man dat gedeeltelijk betwist, niet anders worden geconcludeerd dat partijen veel meer gelden ter beschikking hebben gehad dan alleen het inkomen zoals dat blijkt uit de belastingaangiften van de eenmanszaak. De vrouw heeft – ook na correctie en aanpassing van haar behoefte in hoger beroep – voldoende aangetoond dat er meer geld binnenkwam dan dat uit de belastingaangiften blijkt. Bij het oordeel dat partijen in een hoge welstand hebben geleefd neemt het hof ook in aanmerking dat partijen vermogen hebben gevormd en geïnvesteerd in Marokko. In de tussenbeschikking van 19 juli 2022 heeft het hof vastgesteld dat partijen nieuwe standpunten omtrent (het bestaan van) die onroerende zaken hebben ingenomen en – in het kader van de verdeling – nieuwe taxatierapporten hebben overgelegd waarin waarden zijn opgenomen die in onverklaarbaar grote mate van elkaar en van de vroegere taxaties verschillen. Of en in hoeverre uit dat vermogen inkomen wordt gegenereerd, is evenmin duidelijk.
6.De beslissing
dinsdag 31 maart 2026;
dinsdag 7 april 2026;