Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- de beschikking van 10 januari 2017 gewijzigd in die zin dat voor recht wordt verklaard dat partijen met ingang van november 2022 een onderlinge afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie die inhoudt dat de man vanaf die datum € 25 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen;
- de door partijen in november 2022 gemaakte afspraak over de (kinder)alimentatie gewijzigd in die zin dat met ingang van 1 september 2024 de door de man te betalen bijdrage voor [kind1] op nihil wordt gesteld en voor [de minderjarige1] op € 181 per maand (en met ingang van 1 januari 2025 op grond van de wettelijke indexatie op € 192,77 per maand).
4.De omvang van het geschil
- te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 primair een bijdrage van € 32 per maand aan de vrouw is verschuldigd en subsidiair € 77 per maand; en
- te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2025 primair een bijdrage van € 34,08 en subsidiair van € 82,01 per maand is verschuldigd aan de vrouw.
- de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die af te wijzen; en
- de bestreden beschikking deels te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 ten behoeve van [de minderjarige1] € 235 aan de vrouw dient te betalen en met ingang van 1 januari 2025 € 250,28 per maand.