Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2106

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.359.377
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377e BWArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArtikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezag en omgangsregeling met uitbreiding regie voogd

De rechtbank Midden-Nederland heeft het gezag van de ouders over de minderjarige beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd. Tevens is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige om de twee weken vier uur begeleid contact heeft met de ouders. De moeder is tegen deze beslissingen in hoger beroep gegaan.

Het hof heeft het beroep van de moeder verworpen en de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat de beëindiging van het gezag noodzakelijk is om duidelijkheid en stabiliteit te bieden, mede gezien de langdurige uithuisplaatsing bij pleegouders en de afgeronde behandeling van het kind.

De omgangsregeling wordt eveneens bekrachtigd, waarbij het hof benadrukt dat de huidige regeling goed functioneert en passend is gezien de kwetsbaarheid en ontwikkelingsachterstand van de minderjarige. Het hof voegt toe dat de voogd voortaan niet alleen de omgang kan beperken, maar ook kan uitbreiden als de belastbaarheid van het kind dat toelaat.

De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en de overige verzoeken van partijen worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag en de omgangsregeling met uitbreiding van de regie van de voogd over de omgangsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.359.377
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 589531
beschikking van 9 april 2026
over het gezag over en de omgang met
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. F. Pool
en
[belanghebbende1](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. W. Kok
en
raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende2] en [belanghebbende3](de pleegouders)
die wonen op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken.

1.Samenvatting

1.1.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] . De moeder is het niet eens met de beëindiging van haar gezag. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
1.2.
Daarnaast heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld. Die regeling houdt in dat [de minderjarige] met een frequentie van één keer per twee weken inclusief de reistijd gedurende vier uur een begeleid omgangsmoment heeft met om en om de moeder respectievelijk de vader. De rechtbank heeft verder bepaald dat de voogd de omgangsregeling kan bijstellen als de beperkte belastbaarheid van [de minderjarige] dat noodzakelijk maakt.
Het hof beslist dat de door de rechtbank vastgestelde regeling blijft gelden met een aanvulling om de voogd meer regie te geven, en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2018 in [geboorteplaats] .
2.2.
De ouders hebben door middel van een gezamenlijke aantekening in het gezagsregister op 13 augustus 2024 het gezamenlijke gezag over [de minderjarige] verkregen.
2.3.
[de minderjarige] heeft sinds 7 april 2020 onder toezicht van Samen Veilig Midden-Nederland gestaan. De meest recente ondertoezichtstelling gold tot 7 april 2026, maar is vanaf 16 juni 2025 overbodig geworden doordat het gezag is beëindigd.
2.4.
Sinds 11 januari 2021 is [de minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. De meest recente machtiging tot uithuisplaatsing gold tot 7 april 2026, maar is vanaf 16 juni 2025 overbodig geworden doordat het gezag is beëindigd.
2.5.
[de minderjarige] verblijft sinds de uithuisplaatsing bij de pleegouders.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen.
3.2.
De pleegouders hebben de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] één keer per twee weken gedurende vier uur een begeleid omgangsmoment heeft met om en om de moeder respectievelijk de vader.
3.3.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. De GI is benoemd tot voogd.
Verder heeft de rechtbank het verzoek van de pleegouders toegewezen, met de aanvulling dat het begeleid omgangsmoment gedurende vier uur inclusief de reistijd is én dat de voogd de omgangsregeling kan bijstellen als de beperkte belastbaarheid van [de minderjarige] dat noodzakelijk maakt.
3.4.
Deze beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 16 juni 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep.
De moeder wil dat het hof de beslissing van de rechtbank tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] ongedaan maakt. Als het hof dat niet doet, dan wil de moeder dat het hof de beslissing over het gezag van de moeder over [de minderjarige] aanhoudt in afwachting van de traumabehandeling van [de minderjarige] en de opbouw van de omgang.
Verder wil de moeder dat het hof de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling aanpast met betrekking tot de duur van het begeleide omgangsmoment. Zij verzoekt het hof een omgangsregeling te bepalen, die inhoudt dat [de minderjarige] , met een frequentie van één keer per twee weken exclusief de reistijd gedurende vier uur een begeleid omgangsmoment heeft met om en om de moeder respectievelijk de vader.
4.2.
De vader wil dat de beslissing van de rechtbank tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] in stand blijft.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de omgang. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] ongedaan maakt en de volgende regeling vaststelt: dat tussen de vader en [de minderjarige] omgang zal plaatsvinden op de momenten onder regie van de voogd te bepalen, met dien verstande dat hij tenminste een keer per vier weken gedurende acht uur (exclusief reistijd) omgang met [de minderjarige] zal hebben.
4.3.
De raad wil dat de beslissing over het gezag in stand blijft.
4.4.
De pleegouders willen dat de beslissingen over het gezag en de omgang in stand blijven.
4.5.
De GI wil meer regie over de omgang kunnen hebben dan dat zij op grond van de beslissing van de rechtbank heeft. Zij vindt het niet passend dat zij de omgang nu alleen kan beperken, maar wil deze indien daartoe aanleiding bestaat ook kunnen uitbreiden.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.6.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift van de moeder
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de vader
- het verweerschrift van de raad
- de stukken van de pleegouders ingediend op 5 november 2025 en 12 februari 2026
- de stukken van de moeder ingediend op 29 januari 2026
- de stukken van de vader ingediend op 11 februari 2026.
4.7.
Voornoemde stukken van de vader van 11 februari 2026 en van de pleegouders van 12 februari 2026 zijn niet tijdig voor de behandeling ter zitting ingediend.
Het hof heeft beslist, zoals tijdens de mondelinge behandeling is medegedeeld, dat alleen acht wordt geslagen op:
- de namens de vader ingediende omgangsverslagen van november 2025 tot en met januari 2026 en het evaluatieverslag van de begeleide omgangsmomenten van 30 januari 2026 (bijlagen 3 en 4 van de vader), met de begeleidende brief van 11 februari 2026,
en
- de namens de pleegouders ingediende verslagen van de thuisbegeleiding van oktober 2025 tot en met februari 2026 (ongenummerde bijlage), met het begeleidend e-mailbericht van 12 februari 2026,
nu dit heel recente stukken zijn en deze beknopt en eenvoudig te doorgronden zijn.
Op 12 februari 2026 is namens de pleegouders als bijlage ook een brief van de pleegouders van 5 november 2025 ingediend. Deze brief was al eerder ingediend bij het hof, zodat daarop ook acht wordt geslagen.
De overige bijlagen die op 12 februari 2026 namens de pleegouders zijn ingediend (het ontwikkelingsperspectiefplan 2025-2026 van [de minderjarige] en een kopie van een deel van een boek) worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder gebleken noodzaak niet tijdig (uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling) zijn ingediend.
4.8.
De zitting bij het hof was op 13 februari 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat
- de vader met zijn advocaat
- een vertegenwoordiger van de raad
- een vertegenwoordiger van de GI
- de pleegvader.

5.Het oordeel van het hof

Gezag
5.1.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling haar (subsidiaire) verzoek, dat het hof de beslissing over het gezag van de moeder over [de minderjarige] aanhoudt in afwachting van de traumabehandeling van [de minderjarige] en de opbouw van de omgang, ingetrokken. Het hof hoeft daarom niet meer op dit verzoek te beslissen.
Ter beoordeling ligt voor wat betreft het gezag nog voor het (primaire) verzoek van de moeder om de beslissing tot beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] ongedaan te maken.
Wat staat in de wet?
5.2.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. [1]
5.3.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat op grond van een ernstige ontwikkelingsbedreiging niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gezagsbeëindiging en dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het gezag van de moeder (en de vader) wordt beëindigd. De beslissing van de rechtbank over het gezag zal daarom in stand blijven (wordt bekrachtigd).
Het hof vindt dat de rechtbank haar beslissing goed heeft uitgelegd. Het hof neemt die uitleg over omdat het hof er na eigen onderzoek ook zo over oordeelt. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.5.
Het hof is, net als de raad en de rechtbank, van oordeel dat er voor [de minderjarige] een zo groot mogelijke duidelijkheid over zijn perspectief moet komen. [de minderjarige] woont sinds 2021, derhalve al vijf jaar, bij de pleegouders. Onduidelijkheid over zijn perspectief heeft het inzetten van de benodigde hulp voor [de minderjarige] jarenlang in de wachtstand gezet. Eind 2025 heeft [de minderjarige] zijn behandeltraject bij het [ziekenhuis] kunnen afronden. Om tot verdere behandeling en ontwikkeling te kunnen komen is het voor [de minderjarige] van groot belang dat hij duidelijkheid heeft en houdt over bij wie hij zal opgroeien. De gezagsbeëindiging is noodzakelijk om die duidelijkheid te waarborgen. Gezien de eerdere wisselvallige opstelling van de ouders ten aanzien van de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders, alsook het standpunt van de moeder in hoger beroep dat zij nog steeds zelf voor [de minderjarige] wil zorgen, heeft het hof er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders zich zonder de gezagsbeëindiging blijvend kunnen neerleggen bij de pleeggezinplaatsing. De moeder heeft in hoger beroep wel gesteld dat zij ziet dat [de minderjarige] op zijn plek zit binnen het pleeggezin en dat zij zich realiseert dat die plaatsing (thans) meer in het belang van [de minderjarige] is, maar zij heeft ook verklaard dat zij dat het liefst anders ziet en dat zij over het gedrag van [de minderjarige] binnen het pleeggezin nog steeds zorgen heeft.
5.6.
In hoger beroep is gebleken dat de samenwerking tussen de ouders en de pleegouders inmiddels beter gaat, maar wel nog verder moet verbeteren. Het is voor [de minderjarige] belangrijk dat de ouders en de pleegouders kunnen samenwerken en dat zij elkaar over en weer erkennen. De GI heeft verklaard dat voor de ouders en de pleegouders mogelijk mediation ingezet gaat worden. De regierol van de GI blijft noodzakelijk in het contact tussen de ouders en de pleegouders. Ook gelet hierop acht het hof, anders dan de moeder stelt, een voortzetting van de uithuisplaatsing binnen een vrijwillig kader met behoud van het gezag van de moeder niet haalbaar en niet in het belang van [de minderjarige] .
Omgang
Wat staat in de wet?
5.7.
In artikel 1:377a lid 1 BW is te lezen dat een kind het recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
5.8.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, zoals de pleegouders, een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Hoe oordeelt het hof?
5.9.
Gebleken is dat de huidige omgangsregeling, waarbij [de minderjarige] één keer per twee weken gedurende vier uur (inclusief reistijd) onder begeleiding omgang heeft met om en om de moeder respectievelijk de vader, goed verloopt en handelbaar is. Dit blijkt onder andere uit de in het geding gebrachte omgangsverslagen en de verklaringen van de ouders en de pleegvader tijdens de mondelinge behandeling.
5.10.
Uitbreiding van deze basisregeling, naar acht uur zoals de vader heeft verzocht of naar vier uur exclusief reistijd zoals de moeder heeft verzocht, acht het hof op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . De vastgestelde regeling geeft een duidelijk kader. Onduidelijk is of [de minderjarige] meer aan kan. De GI heeft verklaard dat vanwege de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en zijn forse problematiek en ontwikkelingsachterstand, het zoeken is naar zijn draagkracht en wat hij aan kan. Het belang van [de minderjarige] moet hierin leidend zijn. De beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling zal het hof daarom in stand laten (wordt bekrachtigd).
5.11.
Het hof ziet wel aanleiding om, in aanvulling op die omgangsregeling, te bepalen dat de voogd de regie heeft om de omgangsregeling niet alleen te beperken maar ook uit te breiden als de belastbaarheid van [de minderjarige] dat in de ogen van de GI toelaat.
Op grond van de door de rechtbank vastgestelde regeling kan de GI de omgangsregeling thans alleen bijstellen (verminderen) als de belastbaarheid van [de minderjarige] dat noodzakelijk maakt. De GI heeft kenbaar gemaakt dat zij op grond van deze regeling ruimte mist om te kijken naar wat [de minderjarige] meer aankan. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat de GI wel deze ruimte krijgt en zal daarom de mogelijkheid tot het voeren van regie van de GI verruimen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
Deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 juni 2025 ten aanzien van de beslissing over het gezag over [de minderjarige] ;
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 juni 2025 ten aanzien van de beslissing over de omgang,
met de aanvulling dat de voogd de regie heeft om de omgangsregeling niet alleen te beperken maar ook om deze uit te breiden als de belastbaarheid van [de minderjarige] dat volgens de GI toelaat;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door mr. S.M.M. van Dalen als griffier, en is op 9 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind