Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2114

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.356.266/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 3 BWArt. 1:253a lid 2 onder a BWArt. 1:377a lid 2 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding en heroverweging omgangsregeling pleegkinderen met ouders

De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen twee minderjarige kinderen, die in een pleeggezin wonen, en hun ouders. De kinderen zijn uit huis geplaatst vanwege een zorgelijke thuissituatie en meerdere wisselingen van verblijfplaats en school. De omgangsregeling is door de rechtbank vastgesteld op eens per acht weken, begeleid door de gecertificeerde instelling (GI).

Zowel de moeder als de vader zijn in hoger beroep gekomen met verzoeken tot een frequentere omgangsregeling. De GI verzet zich tegen wijziging en verzoekt handhaving van de huidige regeling. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling vastgesteld dat de kinderen nog steeds emotioneel ontregeld zijn rondom omgangsmomenten en dat de huidige frequentie rust en herstel biedt.

Het hof constateert dat onvoldoende duidelijk is of de huidige omgangsfrequentie het hoogst haalbare is en vraagt de GI om aanvullende informatie over de signalen van de kinderen, de praktische bezwaren en de effecten van de huidige omgangsvorm. Tevens verzoekt het hof om verbeterde communicatie met de ouders en aandacht voor de onderlinge verstandhouding tussen ouders en pleegouders.

De beslissing over de omgangsregeling wordt aangehouden tot uiterlijk 9 oktober 2026, waarna het hof op de stukken zal beslissen, tenzij anders verzocht. De GI dient binnen twee weken na rapportage alle betrokkenen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren.

Uitkomst: Het hof houdt de beslissing over de omgangsregeling aan en verzoekt de gecertificeerde instelling om aanvullende informatie en verbeterde communicatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.266/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 238535)
beschikking van 9 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Koenen te Rotterdam,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.M.H. Weinans te Groningen,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
verweerster in beide hoger beroepen,
gevestigd te Amsterdam.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2],
die wonen op een geheim adres.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 17 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift namens de moeder met bijlage(n), ingekomen op 24 juni 2025;
- een brief namens de moeder van 14 juli 2025 met bijlage(n);
- een brief namens de moeder van 6 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep namens de vader met bijlage(n), ingekomen op 15 september 2025;
- het verweerschrift van de GI in het hoger beroep van de moeder met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI in het hoger beroep van de vader met bijlage(n);
- een brief van de raad van 2 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
2.2
[de minderjarige1] heeft haar mening over de omgangsregeling opgeschreven in een brief van 3 februari 2026. De voorzitter heeft de inhoud van deze brief op de zitting aan de aanwezigen medegedeeld.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. V. de Roo, die als waarnemend advocaat voor mr. Koenen optrad;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI; en
- de pleegouders.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2018, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2019. De ouders hebben geen relatie meer.
3.2
De moeder heeft in augustus 2024 nog een dochter gekregen, die bij haar thuis woont.
3.3
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 6 mei 2020 onder toezicht gesteld van de GI. In november 2020 zijn de kinderen met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing vanuit de thuissituatie bij de moeder uit huis geplaatst. In de periode tussen augustus 2021 en december 2021 is de moeder samen met de kinderen opgenomen geweest in kliniek [naam1] in [plaats] . Deze opname is afgerond met een negatief advies, waarna de kinderen weer in het gezinshuis zijn geplaatst, waar zij eerder verbleven. In februari 2023 zijn de kinderen teruggeplaatst bij de moeder, na het maken van een veiligheidsplan samen met de GI, [naam1] en het netwerk van de moeder. Onderdeel van dit plan was dat oma (mz) diende als toezicht en ondersteuning en dat oma in de weekenden dat de kinderen bij hun moeder verbleven ook aanwezig was. Op 20 april 2023 zijn de kinderen opnieuw uit huis geplaatst op basis van een spoedmachtiging, waarna de maatregelen van uithuisplaatsing steeds zijn verlengd. Op 2 juni 2023 zijn de kinderen in het pleeggezin geplaatst, waar zij nu nog steeds verblijven.
3.4
Bij beschikking van 6 oktober 2023 is - kort gezegd - het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en is een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de moeder één keer per drie weken, gedurende twee uur omgang heeft met de kinderen, met een keer per anderhalve week een belmoment. Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 11 april 2024, en de GI tot voogd benoemd.
Tussen de vader, die eveneens geen gezag (meer) heeft over de kinderen, en de kinderen gold een omgangsregeling van eens per drie weken.
3.5
De GI heeft de rechtbank verzocht, bij verzoekschrift ontvangen op
13 september 2024, de omgangsregeling tussen de kinderen en de ouders te wijzigen naar een regeling waarbij de ouders elke zes weken op dezelfde dag ieder afzonderlijk van elkaar twee uren omgang hebben met de kinderen.
3.6
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2024 zijn de ouders en de GI overeengekomen om de omgang (voorlopig) te wijzigen naar één keer per acht weken anderhalf uur, zoals de raad ter zitting had geadviseerd. De kinderrechter heeft deze regeling vastgelegd en de beslissing aangehouden voor een half jaar. Ook is bij die beslissing een omgangsregeling tussen oma (mz) en de kinderen vastgesteld van één keer per acht weken bij [naam2] .

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de invulling van het recht op omgang van de vader en de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
4.2
Bij de bestreden beschikking van 17 juni 2025 is een omgangsregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] elke acht weken met beide ouders op één dag (ouders na elkaar, beiden twee uren) omgang met elkaar hebben, op een door de GI aan te wijzen locatie en begeleid door een door de GI aan te wijzen instantie.
4.3
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen zover deze ziet op de omgangsregeling en alsnog te bepalen dat de moeder eens in de drie weken omgang heeft met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] .
4.4
De vader is ook in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij eens in de drie weken onder begeleiding bij hem thuis gedurende tweeënhalf uur omgang heeft met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] .
4.5
De GI voert verweer ten aanzien van de verzoeken van de moeder en de vader in hoger beroep, en verzoekt het hof de bestreden beschikking in stand te laten.

5.De motivering van de beslissing

De omvang van de rechtsstrijd
5.1
De ouders voeren aan dat de rechter geen omgangsregeling met een lagere frequentie (eens per acht weken) had mogen vaststellen dan door de GI oorspronkelijk was verzocht (eens per zes weken). Het hof overweegt dat de rechter in beginsel gebonden is aan de omvang van de rechtsstrijd zoals door partijen in hun verzoeken bepaald.
Evenwel geldt ook dat de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Dit betekent dat de rechter een andere regeling kan vaststellen dan is verzocht, indien hij dat in het belang van het kind wenselijk vindt. In zo’n geval moet de rechter de ouders in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten. Dit is naar het oordeel van het hof gebeurd. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2024 heeft de raad geadviseerd om de omgangsregeling (voorlopig) eens per acht weken gedurende anderhalf uur onder begeleiding te laten plaatsvinden. Hiermee zijn alle betrokken partijen, waaronder de ouders, op dat moment akkoord gegaan. Daarbij merkt het hof op dat ook in het geval de ouders zich door deze gang van zaken ter zitting overvallen hebben gevoeld en/of zich de situatie anders hadden voorgesteld, zij in elk geval in hoger beroep de gelegenheid hebben gehad zich ten aanzien van de (verdere) beperking van de omgangsregeling te verweren.
De omgangsregeling
5.2
Uit artikel 1:265g lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de door de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI vastgestelde of gewijzigde omgangsregeling zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a lid 2 onder a BW, dan wel artikel 1:377a lid 2 BW. De rechter kan deze regeling met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377e BW ook op verzoek van de GI wijzigen en neemt dan een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind voorkomt.
5.3
Het hof overweegt dat uit het dossier blijkt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanwege een zorgelijke thuissituatie uit huis zijn geplaatst. Zij zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en in het gezinshuis waar zij een aantal jaar hebben gewoond, en hebben meerdere keren moeten wisselen van verblijfplaats en school. [de minderjarige1] heeft als baby het RS-virus gehad en in coma gelegen en heeft later vanwege haar astma in het ziekenhuis gelegen. [de minderjarige2] is prematuur geboren na een complexe bevalling. Dit alles heeft zijn weerslag op de kinderen, op hun vertrouwen in volwassenen, hun emotieregulatie, een veilige hechting en gevoel van veiligheid. De GI heeft in september 2024 verzocht de omgangsregeling met de ouders te beperken van eens per drie weken naar eens per zes weken, omdat de regeling in combinatie met de ingezette traumabehandeling, school en overige afspraken en activiteiten een te grote belasting opleverde voor de kinderen en de pleegouders. De GI heeft op basis van eigen observaties en van informatie van de pleegouders, pleegzorg, Elker traumabehandeling en [naam2] zorgen over het ontregelde gedrag dat de kinderen laten zien rondom de omgang. Ze zijn drukker, gespannen, onrustig, opstandig, reageren fel op elkaar, huilen meer, komen uit bed, hebben last van nachtmerries en [de minderjarige2] valt terug in zindelijkheid. Tussen de omgangsmomenten was onvoldoende tijd voor de kinderen om te herstellen, zich te ontwikkelen, trauma’s te verwerken en te integreren in het pleeggezin. De ouders hebben tijdens de zitting van 4 december 2024 ingestemd met het voorstel van de raad om de omgangsregeling te beperken naar een frequentie van eens per acht weken om de kinderen meer rust en tijd te geven voor hun traumatherapieën, waarbij zij ervan uitgingen dat dit een tijdelijke aanpassing van de regeling was.
5.4
Gebleken is dat eerst alleen [de minderjarige1] is gestart met speltherapie (wekelijks) en [de minderjarige2] met VIB-G en Sherborne (eens per twee/drie weken), omdat het voor pleegouders niet haalbaar was om de (intensieve) speltherapie voor de kinderen gelijktijdig te faciliteren. [de minderjarige1] heeft de speltherapie inmiddels, in september 2025, afgerond, waarna [de minderjarige2] daarmee is gestart.
Hoewel [de minderjarige1] voorzichtig stappen heeft gezet in het verwerken van haar trauma, zij meer openheid toont en beter kan praten over haar gevoelens, laat zij volgens de GI en de pleegouders nog steeds zorgelijke signalen zien rondom de omgangsmomenten. Ze heeft moeite met het nemen van afscheid en heeft veel vragen. Dat de moeder halverwege 2024 een baby heeft gekregen, zorgt voor onbegrip en een gevoel van afwijzing: waarom kan haar halfzusje wel bij de moeder wonen en zij niet? Binnen de speltherapie is aandacht geweest voor het ontschuldigen van [de minderjarige1] door middel van een voor haar geschreven sprookje. De pleegouders zien ook dat [de minderjarige2] nog steeds emotioneel ontregeld is rondom de omgangsmomenten, sneller terugvalt in zindelijkheid en dat de kinderen heftiger op elkaar reageren. Waar [de minderjarige1] veel vragen heeft, vindt [de minderjarige2] het moeilijker om zich uit te spreken en trekt hij zich juist terug. In het plan van aanpak van de GI van 18 september 2025 leest het hof tegelijkertijd dat [de minderjarige2] loyaliteit toont naar zowel de ouders als de pleegouders en dat hij in staat is om zich te hechten en positieve relaties aan te gaan, ondanks alle ingrijpende gebeurtenissen. De kinderen hebben de afgelopen tijd groei laten zien en ook op school gaat het goed. Volgens de GI geeft de huidige omgangsfrequentie ruimte aan de kinderen om zich te kunnen ontwikkelen en te herstellen. De pleegouders geven aan dat de kinderen minimaal een week (met een nasleep in de tweede week) nodig hebben om te herstellen van de omgang met de ouders. De omgang met oma (mz), eveneens eenmaal per acht weken, zorgt niet voor een dergelijke langdurige ontregeling bij de kinderen. Daarvan hebben zij ongeveer een dag de tijd nodig om te herstellen.
5.5
De ouders zijn teleurgesteld dat er inmiddels ruim een jaar is verstreken en er geen enkel zicht is op uitbreiding van de omgang, terwijl het volgens de ouders beter met hen gaat dan ooit en de omgangsmomenten op zichzelf goed verlopen. Dit wordt door de GI bevestigd en blijkt uit de observatieverslagen van [naam2] , waarin onder andere valt te lezen dat sprake is van een goede interactie tussen de ouders en de kinderen.
5.6
Het hof acht zich op grond van de beschikbare informatie op dit moment onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Uit dat wat de GI heeft aangedragen is voor het hof onvoldoende duidelijk geworden of de huidige frequentie en wijze van contact het hoogst haalbare is voor de kinderen en of deze het meest in hun belang is. In het bijzonder vraagt het hof zich af wat maakt dat de aanvankelijk door de GI verzochte en afgewogen omgangsregeling van eenmaal per zes weken niet meer haalbaar is en eenmaal per acht weken wel. Duidelijk is dat de kinderen veel hebben meegemaakt, dat nog steeds sprake is van spanningsopbouw rondom de omgang en dat zij rust en hersteltijd nodig hebben. Het vraagt veel van de pleegouders om de kinderen hierin goed te begeleiden. Zonder af te willen doen aan deze verzwaarde zorgtaak, vindt het hof de informatievoorziening ten aanzien van (de duur van) de signalen van de kinderen nog te beperkt, aangezien dit vooral de waarneming van de pleegouders betreft. Uit de stukken blijkt ook dat het faciliteren van een intensievere omgangsregeling op de nodige praktische bezwaren bij de pleegouders stuit (de reistijd, het werkrooster van pleegouders, andere afspraken). Het hof vraagt zich daarnaast af welke invloed de huidige vorm van de omgang op de kinderen heeft. Op verzoek van de pleegouders, wat ook door de GI wenselijk werd geacht, hebben de kinderen omgang met beide ouders op dezelfde dag: eerst twee uren met de één (de moeder) en aansluitend twee uren met de ander (de vader). Dit betekent dat de kinderen na acht weken eerst tijd nodig hebben om te ‘landen’, zich moeten voorbereiden op het afscheid van een ouder en op een wissel naar de andere ouder, waarna ze weer moeten wennen en afscheid moeten nemen.
Hoewel het hof begrijpt dat het samenvoegen van de omgangsmomenten praktisch is en minder vaak een periode van onrust/spanning voor de kinderen (en pleegouders) meebrengt, vraagt een omgang van vier uren achter elkaar - in een beperkte (binnen)setting als een omgangshuis - ook veel van de kinderen. Op deze manier is bovendien onduidelijk of de ontregeling (vooral) wordt veroorzaakt door omgang met de ene ouder, beide ouders of juist deze combinatievorm. Ook betekent dit dat de kinderen een ochtend school moeten missen, net als bij het omgangsmoment met oma (mz). Gebleken is dat de kinderen de afgelopen tijd stappen hebben gezet in hun ontwikkeling, therapieën, schoolgang en hechting bij de pleegouders, en dat de omgangsmomenten goed verlopen. Hoe het voorgaande door de GI is afgewogen in het bepalen van de hoogst haalbare omgangsfrequentie en -vorm voor de kinderen is voor het hof onvoldoende inzichtelijk geworden.
5.7
Verder is hof gebleken dat er op dit moment veel speelt rondom de kinderen. De kinderen hebben te maken met twee gescheiden werelden: de wereld waar zij daadwerkelijk wonen (de pleegouders) en de wereld waar zij af en toe contact mee hebben (de ouders en familie (oma, halfzusje)). Vooral [de minderjarige1] heeft veel vragen over haar gezinssituatie, verleden, de verhuizingen en ruzies en zij worstelt met haar loyaliteit. Het hof acht het van belang dat de kinderen samen met de ouders (gezamenlijk of apart) in gesprek kunnen gaan en hun vragen kunnen stellen, onder begeleiding en met een zorgvuldige voorbereiding aan beide kanten. De omgangsmomenten zijn hiervoor niet geschikt. Het hof hoopt dat dit bijdraagt aan de verwerking van het verleden bij de kinderen en dat hiermee een deel van de spanning bij de kinderen rondom de omgangsmomenten kan worden weggenomen. Ten aanzien van het levensverhaal van de kinderen is eerder al eens ‘words & pictures’ ingezet, maar er bleven dingen onduidelijk voor [de minderjarige1] en [de minderjarige1] heeft nu andere vragen dan voorheen. Het hof verzoekt de GI om te kijken naar (andere) mogelijkheden/methodes om de kinderen hierin tegemoet te komen, afgestemd op de behoefte en vragen van de kinderen op dit moment. Daarnaast verzoekt het hof de GI om aandacht te hebben voor de informatievoorziening aan de ouders. Ook zij hebben veel vragen en vinden dat zij onvoldoende op de hoogte worden gebracht van het welzijn van de kinderen, school en de inzet en het verloop van hulpverlening. Tegelijkertijd is van belang, zoals ter zitting ook is besproken, dat de ouders door middel van psycho-educatie meer inzicht krijgen in de impact van alle gebeurtenissen op de kinderen, waaronder het gedrag en de (soms hevige) emoties van de ouders, de uithuisplaatsingen, de onderliggende gevoelens van de kinderen en hun reacties op de omgangsmomenten. Het hof hoopt dat hierdoor meer begrip ontstaat bij de ouders voor wat er nu precies gebeurt bij de kinderen en waarom er - in hun belang - bepaalde keuzes worden gemaakt. In dit verband kan ook worden gedacht aan video-interactiebegeleiding, om meer zicht te krijgen op wanneer, bij wie en waarom bepaalde signalen bij de kinderen ontstaan, en naar gerichte oplossingen daarvoor te zoeken. Tot slot verzoekt het hof de GI aandacht te hebben voor de verstandhouding tussen de pleegouders en de ouders. De belangrijke mensen in het leven van de kinderen bevinden zich op eilandjes en de onderlinge spanning, die het hof ter zitting waarnam, is ook voelbaar voor de kinderen en mogelijk mede van invloed op hun ontregeling en spanningen. Het is voor iedereen duidelijk dat de kinderen zullen opgroeien bij de pleegouders, en de ouders spelen daarnaast een belangrijke rol in hun leven. Er dient te worden gezocht naar een modus van meer verbinding, zodat de kinderen zoveel mogelijk kunnen profiteren van beide werelden en zich gezond verder kunnen ontwikkelen.
5.8
Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing ten aanzien van de omgangsregeling zal aanhouden voor de duur van
zes maanden, om de GI in de gelegenheid te stellen uitvoering te geven aan hetgeen hiervoor (in rov. 5.6 en 5.7) is gemeld.
De GI wordt verzocht het hof en de overige belanghebbenden te informeren over de stand van zaken en de ondernomen stappen door middel van een schriftelijk verslag. De ouders, pleegouders en de raad zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld
binnen twee wekendaarop schriftelijk te reageren. Het hof zal de zaak hierna in beginsel op de stukken afdoen, tenzij het hof al dan niet op gemotiveerd verzoek van een van partijen anders beslist.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beslissing aanhouden, en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de GI
uiterlijk op 9 oktober 2026het hof te informeren over de stand van zaken en ondernomen stappen (als hiervoor in rov. 5.6 en 5.7 omschreven) door middel van een schriftelijk verslag;
verzoekt de GI een afschrift van dat verslag toe te zenden aan de (advocaten van de) ouders, pleegouders en de raad, waarna zij de gelegenheid hebben daar
binnen twee wekenschriftelijk op te reageren;
bepaalt dat de zaak hierna verder op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van een van partijen, anders beslist;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. C. Coster en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 9 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.