Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2156

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-001400-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met inklimming in horecagelegenheid

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor diefstal met inklimming op 5 februari 2024 in een horecagelegenheid te [Plaats 1]. De herkenning van verdachte op camerabeelden door twee aangevers en een verbalisant werd door het hof als betrouwbaar beoordeeld, ondanks de matige beeldkwaliteit en het verweer van verdachte over lichamelijke beperkingen en aanwezigheid elders.

De politierechter had verdachte eerder veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Het hof vernietigde dit vonnis om redenen van doelmatigheid en deed opnieuw recht, waarbij het bewijs en de omstandigheden werden herbeoordeeld. Het hof achtte het bewezen dat verdachte zich toegang had verschaft door inklimming en het geld van ongeveer 465 euro had weggenomen met het oogmerk zich dit wederrechtelijk toe te eigenen.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het strafblad van verdachte, dat soortgelijke eerdere veroordelingen bevatte, en met reclasseringsrapporten die een hoog recidiverisico aangaven. De opgelegde straf van 2 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest werd passend geacht. Tevens werd de tenuitvoerlegging bevolen van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf wegens een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor diefstal met inklimming en de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf is bevolen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001400-25
Uitspraakdatum: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 14 maart 2025 met parketnummer 18-054557-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 03-105892-21, in de strafzaak tegen

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] 1986 in [Geboorteplaats] ,
thans verblijvende in [Verblijfsplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, en toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.M. Bissumbhar, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 14 maart 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest. De politierechter heeft verder de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 februari 2024 te [Plaats 1] , althans in de gemeente [Gemeente] , een hoeveelheid geld (totaal ongeveer 465 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [Slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de herkenning van verdachte op de camerabeelden niet betrouwbaar is en dat de opsporing te snel is gestaakt na de aanhouding van verdachte, terwijl uit het dossier een contra-indicatie blijkt: verdachte was vanwege medische redenen niet in staat om te rennen zoals de persoon op de beelden. Verder is aangevoerd dat er volgens aangeefster wel meer mensen zijn die de weg kennen in het restaurant.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is en twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op 5 februari 2024 doet aangeefster [Getuige 1] aangifte van diefstal bij [Slachtoffer] in [Plaats 1] . Op 8 februari 2024 wordt [Getuige 1] nogmaals gehoord. Zij verklaart dat zij camerabeelden van de diefstal heeft gekeken en dat zij hierop verdachte herkent. Verdachte werkt sinds kort voor de diefstal af en toe in de keuken bij het café-restaurant. [Getuige 1] baseert haar herkenning op het opvallende loopje en de uitstekende rechtervoet van de dader op de beelden. Ook mede-eigenaar van het café-restaurant [Getuige 2] is op 8 februari 2024 gehoord. Hem valt op dat de dader bekend lijkt te zijn in het pand. Ondanks dat het donker is, loopt de dader rechtstreeks naar de bar waar de portemonnee ligt en vervolgens loopt hij zonder te struikelen of botsen naar de snackbar waar de kassa staat en trekt daar direct de lades uit. De dader gaat door de achterdeur weer naar buiten. [Getuige 2] herkent de persoon gelijk door zijn houding en zijn loopje. Verder noemt [Getuige 2] dat verdachte een [Eigenschap] heeft en dat die ook te zien is.
Verdachte wordt aangehouden en op 15 februari 2024 voorgeleid aan hulpofficier van justitie [verbalisant 1] . Deze bevestigt in een proces-verbaal van bevindingen de herkenning van verdachte. Hij heeft verdachte zien lopen en herkent zijn loopje op de camerabeelden. [verbalisant 1] noemt de [Eigenschap] , het kleine en tengere postuur, de lichaamshouding, bewegingen met de armen en de manier van lopen ("De man maakt kleine 'waggelpasjes' en zet zijn rechtervoet erg naar buiten") als herkenningspunten die hij koppelt aan verdachte. [verbalisant 1] heeft bij de rechter-commissaris overeenkomstig verklaard.
Het hof is van oordeel dat de herkenning van verdachte door [Getuige 1] en [Getuige 2] op de camerabeelden, hoewel deze niet uitermate scherp of duidelijk zijn, betrouwbaar is. Het hof overweegt daartoe dat zowel [Getuige 1] als [Getuige 2] verdachte al langer kenden omdat hij voor hen werkte. Dit maakt dat zij hem sneller zullen herkennen, ook op minder scherpe camerabeelden. De herkenning door [verbalisant 1] vormt een objectieve ondersteuning voor de herkenning door [Getuige 1] en [Getuige 2] . Daarbij overweegt het hof dat het feit is gepleegd terwijl het donker was in het pand. Verdachte was bekend in het pand aangezien hij daar werkte en kon dus precies weten waar hij moest zijn voor de kassalade, ondanks dat het donker was.
Verdachte heeft op de zitting van het hof, net als bij zijn verhoor bij de politie op 15 februari 2024, naar voren gebracht dat hij niet de dader kan zijn geweest, omdat hij ten tijde van de diefstal niet in staat was om te rennen en hij in [Plaats 2] was. Dit is echter niet aannemelijk geworden. Dat verdachte in [Plaats 2] zou zijn geweest is op geen enkele wijze onderbouwd. Dat er sprake was van lichamelijke beperkingen ten tijde van de diefstal komt wel uit het dossier naar voren maar het hof ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat aannemelijk is dat die beperkingen zodanig waren dat verdachte de dader niet geweest kan zijn. Tot slot overweegt het hof dat het geheel overziend aan de opmerking van de verdediging dat er meer mensen waren die de weg kenden in het restaurant niet de betekenis kan worden gehecht die de verdediging daar kennelijk aan toegekend wenst te zien.
Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 februari
2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie [Politie eenheid] met
nummer PL0100-2024031359 d.d. 16 februari 2024, inhoudende de verklaring van [Getuige 1]
:
Op maandag 5 februari 2024 werd ik gebeld door de alarmcentrale. Ik hoorde haar zeggen dat in meerdere zones in ons bedrijf het alarm afging. Ons bedrijf is een horecabedrijf, [Slachtoffer] te [Plaats 1] . Ik kwam bij mijn bedrijf aan en zag dat er diverse spullen op de grond lagen, waaronder contant geld. Ik zag dat het raam van het toilet aan de zuidzijde van ons pand binnen op de grond lag. Ik zag dat de achterdeur, die aan dezelfde zijde zit als het raam van het toilet, open stond. Normaal stond deze op de klip en niet op slot.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2024, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op donderdag 8 februari 2024 om 11:35 uur, ontving ik een e-mail van aangever. In de
mail las ik het volgende:
"Bij de inbraak is in totaal ?465,00 (het hof begrijpt: € 465,00) gestolen.’
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari
2024, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van
verbalisant [verbalisant 3] :
Ik keek camerabeelden van [Slachtoffer] te [Plaats 1] . De camerabeelden die ik heb bekeken zijn gemaakt op maandag 5 februari 2024.

Camera 2:Op beeld zag ik dat ik van boven naar beneden kon kijken in een ruimte. De ruimte die ik zag op beeld is circa 6 meter lang en 3 meter breed. Ik zag aan de linker- en rechterkant een werkbank in beeld. Tussen de werkbanken in was een looppad. Linksboven in beeld zag ik een deuropening. Vermoedelijk betreft deze ruimte een bedrijfskeuken.

Op 03.34.54 uur zag ik de verdachte vanuit de deuropening linksboven in beeld verschijnen. Ik zag dat de verdachte rende. Ik zag dat de verdachte van boven naar beneden in beeld rende.
Op 03.35.09 uur zag ik de verdachte linksonder verschijnen in beeld. Ik zag dat de verdachte door het beeld rende. Ik zag de verdachte richting de deur linksboven in beeld rennen. Ik zag dat de persoon door deze deuropening rende en uit beeld verdween.
Op 03.35.23 uur zag ik de ruimte door de deuropening boven in beeld. Door het kozijn zag ik de verdachte. Ik zag de verdachte vooroverbuigen. Ik zag dat de verdachte een kist vasthad. Ik zag de verdachte deze kist op de grond neer leggen. Ik zag dat de handen van de verdachten plukkende bewegingen maken richting de kist. Ik zag dat de verdachte hierna uit het beeld rende.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 8 februari 2024, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [Getuige 1] :
Ik heb de beelden van bewakingscamera genomen na aanleiding van de inbraak jongstleden 4 op 5 februari 2024 gezien en ik herkende de persoon die bij ons ingebroken heeft ook direct als de persoon die net bij ons nu een aantal keer heeft mee gelopen en dan met name in de keuken. De man loopt slecht en kan ook niet lang staan. Ik heb hem herkend aan zijn loopje en aan zijn uitstekende rechtervoet.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 8 februari 2024, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [Getuige 2] :
Op de beelden is te zien dat de persoon die bij ons binnen komt naar mijn idee de weg
kent. Hij loopt rechtstreeks naar de bar waar de portemonnee ligt. Hij doet dit in het pik donker. Vervolgens loopt hij naar de snackbar. Nog steeds in het pik donker en hij struikelt nergens over, hij wist de weg. In de snackbar staat de kassa en daar trekt hij direct de lades eruit. De dader gaat via de achterdeur naar buiten. .
Ik herkende de persoon gelijk door zijn houding en zijn loopje. De persoon is namelijk net bij ons binnen gekomen. De persoon heeft een specifiek loopje. Zijn voet staat wat vreemd naar buiten en dat is ook te zien op de beelden. Verder heeft hij een heel [Eigenschap] . Deze is ook te zien.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Omstreeks 11:25 uur werd verdachte [Verdachte] bij mij voorgeleid als verdacht van een inbraak in [Slachtoffer] in [Plaats 1] in de nacht van 4 op 5 februari 2024.
Op de camerabeelden zag ik dat om 3:34:50 uur AM een man de ruimte in kwam lopen/rennen. Ik zag dat hij eerst nog geen capuchon op had, die trok hij gaandeweg over zijn hoofd. Ik herkende deze man zonder enige twijfel als verdachte [Verdachte] . Ik herkende hem aan de [Eigenschap] , zijn kleine- en tengere postuur, lichaamshouding, bewegingen met zijn armen en de manier waarop hij loopt: De man maakt kleine 'waggelpasjes' en zet zijn rechtervoet erg naar buiten.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de
rechter-commissaris d.d. 15 augustus 2024, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1]
:
U neemt met mij de beelden nog eens door. Op het eerste fragment komt hij de spoelkeuken binnen en ik herkende hem meteen aan het loopje en aan de [Eigenschap] . Ik zie dat hij zijn rechtervoet naar buiten zet. Ook zijn postuur is dat van een kleine man en de cirkel op zijn hoofd is heel opvallend en ik vind dat die goed zichtbaar is. Ik herkende de man dus als de verdachte [Verdachte] die ik net voorgeleid had gekregen. Ik zie hem in het eerste fragment ook weer terug komen lopen en bij mij komt dan op dat het lijkt op iemand die op hete kolen loopt. Dat is ook de omschrijving die past zoals ik hem bij ons op het bureau heb zien lopen. Ik heb hem best een stuk zien lopen bij ons toen hij naar de luchtplaats ging over de gang.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 5 februari 2024 te [Plaats 1] een hoeveelheid geld (totaal 465 euro), die aan [Slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met inklimming. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen materiële schade veroorzaakt, maar ook een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 19 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft gelet op de inhoud van reclasseringsrapporten van 13 januari 2023 en 13 februari 2025 en een mail van 16 februari 2024 van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering. Het recidiverisico wordt door de reclassering als onverminderd hoog ingeschat. Bij schuldig bevinding wordt geadviseerd geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte heeft volgens de reclassering ondanks een hulpvraag die hij heeft geuit een niet-meewerkende houding en is niet bereid om met de reclassering in gesprek te gaan om zijn leefomstandigheden te stabiliseren.
Het hof heeft verder gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die op de zitting van het hof naar voren zijn gekomen.
Naar het oordeel van het hof heeft de politierechter op juiste wijze beslist over de op te leggen straf. Het hof zal zich dan ook bij deze beslissing aansluiten.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 03-105892-21 is verdachte op 5 augustus 2021 door de politierechter in de rechtbank Limburg veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 5 augustus 2021, parketnummer 03-105892-21, voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door mr. O. Anjewierden, mr. M.C. Fuhler en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 april 2026.