Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2158

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-003781-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 SrArt. 304 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling echtgenote in huiselijke kring

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 april 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep een nieuwe beslissing genomen in de zaak tegen verdachte wegens mishandeling van zijn echtgenote.

De tenlastelegging betrof het meermalen slaan van de echtgenote in het gezicht en op haar pols of hand, alsmede het duwen tegen een muur. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote heeft geslagen, maar sprak hem vrij van het duwen tegen de muur wegens onvoldoende bewijs.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, een buurman die het letsel constateerde, en politieprocessen-verbaal van verhoor en aanhouding. Het hof verwierp het verweer van de verdediging dat sprake was van wederzijdse worsteling en concludeerde dat het slachtoffer betrouwbaar was.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het ontbreken van eerdere veroordelingen en een positief reclasseringsrapport. Het hof legde een taakstraf van 25 uur op, te vervangen door 12 dagen hechtenis, en verwierp het verzoek om een geldboete vanwege de impact op het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 25 uur, te vervangen door 12 dagen hechtenis, wegens mishandeling van zijn echtgenote.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003781-25
Uitspraakdatum: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 14 augustus 2025 met parketnummer 18-135422-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde (mishandeling van zijn echtgenote) tot een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Wierts, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 14 augustus 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, te vervangen door 10 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 mei 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] , zijn echtgenote, [naam] , heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,
- die [naam] in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;
- die [naam] tegen/op haar pols en/of hand te slaan;
- die [naam] (tegen een muur) te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met partiële vrijspraak van het slaan in het gezicht en tegen de pols van [naam] . De advocaat-generaal heeft daarover aangevoerd dat de echtgenote van verdachte niet goed Nederlands sprak en zij wellicht heeft bedoeld te zeggen dat zij geduwd is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integraal vrijspraak bepleit, nu verdachte [naam] wel heeft geduwd, maar dit niet opzettelijk heeft gedaan. Volgens de verdediging was sprake van een wederzijdse worsteling.
Oordeel van het hof
Anders dan de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [naam] meermalen in het gezicht heeft geslagen en op haar pols of hand heeft geslagen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof gaat uit van hetgeen [naam] over het feit heeft verklaard. Zij belt op de ochtend van het ten laste gelegde huilend aan bij een buurman en vertelt hem dat haar man haar heeft geslagen. De buurman ziet dat [naam] bloed heeft bij haar mond en dat de linkerkant van haar gezicht gezwollen is. Enige tijd later komt de politie ter plaatse. Ook aan de politie verklaart [naam] over de mishandeling en zij vertelt dat verdachte haar een aantal keren in haar gezicht heeft geslagen. De politie ziet hetzelfde letsel als de buurman. Gelet op het feit dat [naam] tweemaal hetzelfde vertelt over de mishandeling, acht het hof haar verklaring betrouwbaar. Dat [naam] dusdanig slecht Nederlands sprak dat zij met slaan eigenlijk duwen heeft bedoeld, is het hof niet gebleken. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Tot slot overweegt het hof dat de reactie van [naam] op het feit, namelijk huilend wegrennen uit de woning en voor hulp aanbellen bij meerdere van haar buren, totdat er iemand open doet, niet past binnen het scenario van een wederzijdse worsteling.
Het hof is verder van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt op basis waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [naam] tegen de muur heeft geduwd. Het hof zal verdachte daar dan ook partieel van vrijspreken.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 mei 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025116158 d.d. 7 mei 2025, inhoudende de verklaring van [getuige] :
Op zondag 4 mei 2025 was ik in de woonkamer van mijn woning, gelegen aan de [adres 2] te [plaats] . Om ongeveer 06:40 uur werd er aan de voordeur gebeld. Ik ben naar de voordeur gelopen en de voordeur geopend. Ik zag een vrouw huilend voor mijn deur staan. Ik herkende de vrouw. Ik weet dat zij op het adres [adres 3] te [plaats] verblijft. Ik zag dat de vrouw aan haar gezicht, ter hoogte van haar mond, letsel had. Ik hoorde van haar dat zij was geslagen door haar man. Toen ik dichter bij de vrouw zat zag ik dat de vrouw bloed had bij haar mond en dat de linkerkant van haar gezicht dik was. Ook hoorde ik dat de vrouw zei dat ze pijn had aan haar rechter hand.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant] en [verbalisant2] :
Op zondag 4 mei 2025 spraken wij met het slachtoffer [naam] . Wij hoorden haar zeggen dat ze vanochtend met haar echtgenoot in de woonkamer zat. Ze kregen ruzie over geld en toen hoorden wij mevrouw [naam] zeggen dat ze geslagen werd met gebalde vuisten. Volgens haar werd ze meerdere keren met een vuist in haar gezicht geslagen. Ze verklaarde ook dat op haar pols of hand werd geslagen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 4 mei 2025, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant] en [verbalisant2] :
Op zondag 4 mei 2025 werden wij naar de [adres 2] te [plaats] gestuurd. Daar zou een slachtoffer van huiselijk geweld heen gevlucht zijn. Wij werden binnengevraagd en daar zagen wij twee vrouwen zitten. Een van de vrouwen, die later het slachtoffer (het hof begrijpt: [naam] ) bleek te zijn, was zichtbaar overstuur en huilde. Wij, verbalisanten wilden ons voorstellen. Wij zagen dat de vrouw kennelijk zo veel pijn had aan haar rechterpols, dat ze ons een linkerhand aanreikte. Wij zagen we dat het slachtoffer een opgezwollen gezicht had. Tevens zagen wij dat zij een opgezwollen lip had waar de bloedresten op zichtbaar waren. We hoorden haar zeggen dat ze ruzie had gehad met haar echtgenoot en dat ze een aantal keren in haar gezicht gestompt was. Ook vertelde ze dat ze op haar rechterarm gestompt was.
In de woning aan de [adres 3] hebben wij verdachte [verdachte] aangehouden op verdenking van mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 4 mei 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] , zijn echtgenote, [naam] , heeft mishandeld door meermalen die [naam] tegen het gezicht te slaan en op haar pols of hand te slaan.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote. Hij heeft hiermee niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam] , maar ook haar veiligheidsgevoel in de huiselijke omgeving aangetast.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 19 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat zijn relatie met [naam] is verbeterd. Het hof heeft kennisgenomen van een reclasseringsrapport van 29 juli 2025, waaruit blijkt dat Veilig Thuis de verbeterde gezinssituatie van verdachte en [naam] bevestigt. Het hof weegt dit in strafmatigende zin mee.
De raadsvrouw heeft bepleit om verdachte – vanwege voornoemde persoonlijke omstandigheden – te veroordelen zonder oplegging van straf dan wel te volstaan met het opleggen van een gelboete. Naar het oordeel van het hof is dit niet op zijn plaats, gelet op de ernst van het feit, te weten mishandeling in de huiselijke kring. Bovendien kan een geldboete in zaken waarin sprake is van huiselijk geweld, ook het slachtoffer financieel raken. Het hof acht daarom een geldboete niet passend.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een taakstraf van 25 uren, te vervangen door 12 dagen hechtenis, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
25 (vijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
12 (twaalf) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. A.H. toe Laer en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 april 2026.