ECLI:NL:GHARL:2026:2162

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
200.357.238/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RVV 1990Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar bij digitale handhaving en proceskostenvergoeding

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het niet gebruiken van de rijbaan, vastgesteld via digitale handhaving door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa). De kantonrechter matigde de sanctie wegens overschrijding van de redelijke termijn en kende een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de boa niet bevoegd was de sanctie op te leggen omdat de wegindeling niet leek op een voetgangersgebied, zoals vereist in het Beleidskader digitale handhaving. Het hof oordeelde dat de bevoegdheid van de boa niet aan dit beleidskader wordt getoetst, maar aan de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar en de toelichting van de Minister.

Verder werd geoordeeld dat de kantonrechter ten onrechte een zeer lichte wegingsfactor toepaste bij de proceskostenvergoeding. Het hof vernietigde het besluit over de proceskostenvergoeding en herberekende deze met een hogere wegingsfactor, waarbij de advocaat-generaal werd veroordeeld tot betaling van € 502,02. De overige beslissingen van de kantonrechter werden bevestigd.

Uitkomst: Bevoegdheid boa bevestigd en proceskostenvergoeding herberekend tot € 502,02 ten gunste van betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.357.238/01
CJIB-nummer
: 255528936
Uitspraak d.d.
: 13 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juni 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75. Op 20 augustus 2024 is een herstelbeschikking gegeven omdat in de beslissing van de kantonrechter sprake was van een kennelijke misslag, namelijk een onjuist CJIB-nummer.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 januari 2023 om 16.10 uur op de Visserstraat 1 in Breda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 112,50, omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
3. De gemachtigde van de betrokkene van de betrokkene voert, net als eerder in de procedure, aan dat de wegindeling ter plaatse er niet uitziet als een voetgangersgebied. Er is sprake van een rijbaan met aan beide zijden een trottoir. De gemachtigde heeft afbeeldingen van Google Street View meegestuurd. De gemachtigde verwijst naar het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden, versie augustus 2018 (het Beleidskader) en stelt dat de ambtenaar niet bevoegd was om een sanctie op te leggen.
4. Uit het dossier volgt dat de onderhavige gedraging geautomatiseerd is geconstateerd en er sprake is van digitale handhaving. De sanctie is opgelegd door een Boa Domein openbare ruimte.
5. De vermeende gedraging is van 21 januari 2023 en betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
6. De ten tijde van de gedraging geldende Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar (de Regeling) bepaalt ten aanzien van de bevoegdheid van de boa Openbare ruimte in de bij deze behorende bijlage het volgende:
“De boa Openbare ruimte is belast met de opsporing van de strafbare feiten in de volgende wettelijke voorschriften voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de functie en de daaraan gekoppelde taakomschrijving, tenzij de wet zich daartegen verzet. (…)
13. (…) Digitaal handhaven is slechts mogelijk bij overtreding van het RVV en na instemming van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie.”
7. Deze Regeling is in werking getreden per 1 januari 2023. De wijziging van de Regeling is door de Minister onder meer als volgt toegelicht:
“Met de onderhavige wijziging wordt verduidelijkt dat de bevoegdheid van de boa zelf niet wordt getoetst aan het beleidskader, maar dat enkel het verzoek van de opsporingsinstantie tot instemming om te digitaal te mogen handhaven getoetst wordt door het Parket Centrale Verwerking van het Openbaar Ministerie.” (Staatscourant 2022, 33430)
8. Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat de vraag of de boa in dit geval gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om een sanctie op te leggen niet getoetst wordt aan het Beleidskader. De grond dat de ambtenaar niet bevoegd was om een sanctie op te leggen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden in het Beleidskader treft geen doel.
9. Voor zover de gemachtigde in de nadere toelichting stelt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld omdat het gebied er niet uitziet als een voetgangersgebied, overweegt het hof dat dit voor de vaststelling van de gedraging niet van belang is. Niet is betwist dat ten tijde van de gedraging een G7-zonebord aanwezig was bij de Visserstraat. Ook deze grond treft geen doel.
10. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte de wegingsfactor zeer licht (0,25) heeft toegepast. Daarbij wijst de gemachtigde erop dat uit vaste rechtspraak van het hof blijkt dat wegingsfactor licht (0,5) in Mulderzaken het uitgangspunt is en dat verlaging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn niet het toepassen van een afwijkende wegingsfactor rechtvaardigt.
11. De kantonrechter heeft overwogen dat de wegingsfactor 0,25 wordt toegepast omdat de sanctie uitsluitend wordt gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De kantonrechter verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad (10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526) waarin voor belastingzaken bij de berekening van een proceskosten-vergoeding bij toekenning van een immateriële schadevergoeding de wegingsfactor 0,25 als uitgangspunt wordt gehanteerd.
12. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zeer licht aan te merken. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dat arrest ziet op de toekenning van een schadevergoeding (zie het arrest van dit hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:253). Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en de vergoeding opnieuw berekenen.
13. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt voor het beroep bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
14. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dient 1,5 punt te worden toegekend. De waarde per punt voor het hoger beroep bedraagt € 934,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter is bekendgemaakt na 31 december 2023 en gelet op het bepaalde in het arrest van dit hof van
24 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5863), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1.
15. Gelet op het bovenstaande zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 502,02 (= (1 x € 934,- x 0,5) + (1,5 x € 934,- x 0,25 x 0,1)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 502,02.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.