Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2173

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-000540-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: Veroordeling voor hennepteelt, stroomdiefstal en beschadiging elektriciteitswerk met taakstraf en gevangenisstraf

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor negen feiten gerelateerd aan het kweken en voorbereiden van hennep, stroomdiefstal en het beschadigen van elektriciteitswerk. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis en doet opnieuw recht, waarbij het bewijs en de strafoplegging worden herzien.

Het hof acht bewezen dat verdachte samen met anderen op meerdere locaties hennep kweekte en voorbereidingshandelingen verrichtte, stroom illegaal aftapte en het elektriciteitswerk beschadigde, wat een concreet gevaar voor brand en stroomlevering veroorzaakte. Verdachte had ook hennep en kweekbenodigdheden in bezit op verschillende adressen. De verdediging voerde onder meer vrijspraak aan voor enkele feiten, maar het hof sprak verdachte alleen vrij waar het bewijs ontbrak.

De strafoplegging houdt rekening met de ernst van de feiten, het gevaarzettende aspect van de elektriciteitsbeschadiging, het strafblad van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof legt een gevangenisstraf van 94 dagen op, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 200 uren. Daarnaast wordt een schadevergoeding van €3.879,41 aan de benadeelde toegewezen, met wettelijke rente en proceskosten.

De zaak illustreert de complexe bewijsvoering bij hennepgerelateerde strafzaken en de afwegingen bij strafoplegging, vooral bij overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 94 dagen gevangenisstraf (90 voorwaardelijk) en 200 uur taakstraf met schadevergoeding wegens hennepteelt en stroomdiefstal.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000540-22
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2022 met parketnummer 08-952432-18 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende volgens opgaaf van verdachte ter zitting te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken zowel wat op de zitting van het hof van 20 maart 2026 als op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. U. Ural, en de advocaat van de [benadeelde] , mr. H.M. de Vries, hebben aangevoerd.
Vonnis
De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor negen strafbare feiten die samenhangen met het kweken dan wel voorbereiden van hennep tussen oktober 2017 en juli 2018, te weten:
  • de eendaadse samenloop van: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, en medeplegen van stoffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten (feiten 1 en 2);
  • tezamen en in vereniging plegen van diefstal door middel van verbreking (feit 3);
  • opzettelijk enig elektriciteitswerk beschadigen waardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte ontstaat, en opzettelijk enig elektriciteitswerk beschadigen waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is (feit 4);
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 5);
  • telkens: stoffen of voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten (feiten 6, 8 en 9);
  • opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 7).
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 94 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest, in combinatie met een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast is beslist op de vordering van de [benadeelde]
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
De verdenking komt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting bij de rechtbank Overijssel van 13 januari 2022 – kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
  • feit 1 primair: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, bedrijfsmatig hennep heeft geteeld aan [adres 2] ;
  • feit 1 subsidiair: van 1 oktober 2017 tot en met 7 juli 2018 medeplichtig is geweest aan het telen van hennep aan [adres 2] ;
  • feit 2: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, goederen voorhanden heeft gehad aan [adres 2] , die bestemd waren voor het telen van hennep;
  • feit 3: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, elektriciteit heeft gestolen van [benadeelde] , door middel van braak/verbreking;
  • feit 4: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, een elektriciteitsmeter heeft vernield, waardoor gevaar voor goederen en/of verhindering/bemoeilijking van stroomlevering werd veroorzaakt;
  • feit 5 primair: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, bedrijfsmatig hennep heeft geteeld aan de [adres 3] ;
  • feit 5 subsidiair: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018 medeplichtig is geweest aan het telen van hennep aan de [adres 3] ;
  • feit 6: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, goederen voorhanden heeft gehad aan de [adres 3] , die bestemd waren voor het telen van hennep;
  • feit 7: op of omstreeks 9 juli 2018, samen met anderen, bedrijfsmatig hennep heeft geteeld aan [adres 4] ;
  • feit 8: op of omstreeks 9 juli 2018, samen met anderen, goederen voorhanden heeft gehad in [plaats 1] , die bestemd waren voor het telen van hennep;
  • feit 9: van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, samen met anderen, goederen voorhanden heeft gehad in [plaats 2] / [plaats 1] , die bestemd waren voor het telen van hennep.
De – na de voornoemde wijziging van feit 9 – volledig uitgeschreven tenlastelegging is als bijlage bij dit arrest gevoegd.
Bewijsoverwegingen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 9, met dien verstande dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor het medeplegen ten aanzien van de feiten 5 tot en met 9 (de feiten aan [adres 3] , [adres 4] en de loods in [plaats 2] ) en ook niet voor de beroeps- of bedrijfsmatige en/of grootschalige teelt ten aanzien van feit 7.
Standpunt van de verdediging
[adres 2]
De raadsman heeft bepleit dat de feiten 1 (kort gezegd: kweken hennep) en 3 (diefstal elektriciteit) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met dien verstande dat de pleegperiode pas is aangevangen op 26 februari 2018. Van feit 2 (kort gezegd: voorbereidingshandelingen) dient verdachte te worden vrijgesproken, omdat de goederen niet ontegenzeggelijk bedoeld zijn voor beroeps- of bedrijfsmatige en/of grootschalige teelt van hennep en bovendien in dezelfde periode in de woning hennep werd geteeld zodat sprake is van één voltooid delict. Verdachte moet ook van feit 4 (onbruikbaar maken elektriciteitswerk) worden vrijgesproken, omdat het dossier geen bewijs bevat voor daadwerkelijk ontstaan van concreet gevaar voor de veiligheid van personen of goederen.
[adres 3] en [adres 4]
Ten aanzien van de feiten 5 en 7 (medeplegen van beroepsmatig kweken hennep) kan alleen bewezen worden dat verdachte de aangetroffen hennep aanwezig had.
Oordeel van het hof
Het hof zal ten behoeve van de leesbaarheid de feiten bespreken aan de hand van de pleeglocaties zoals deze blijken uit de tenlastelegging, dan wel het politiedossier. [1]
[adres 2] (feiten 1, 2, 3 en 4)
Het hof komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1 primair (kweken van hennep), 2 (voorbereidingshandelingen), 3 (diefstal van elektriciteit) en 4 (het beschadigen van een elektriciteitswerk). Daarbij is het volgende van belang.
Uit het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij blijkt dat de bovenste twee woonlagen van de woning aan [adres 2] waren ingericht als hennepkwekerij. Ook zijn daar meerdere hennepgerelateerde goederen aangetroffen, zoals slangen en jerrycans met plantenvoeding in de badkamer en lege bloempotten en lampen in de schuur behorende bij de woning. [2] Er werden in totaal 791 hennepplanten aangetroffen. [3]
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij met anderen een hennepkwekerij had aan [adres 2] . Hij heeft samen met hen de hennepkwekerij ingericht en hield zich onder andere bezig met de verzorging van de planten. Ook heeft hij verklaard dat de in en bij de woning aangetroffen goederen, bestemd voor het telen van hennep, van hem waren. [4] Verdachte heeft verder bij de rechtbank verklaard dat hij handelde in kweekspullen en apparatuur voor hennepkwekerijen en hij in verband daarmee meerdere spullen in zijn bezit had. [5] Uit de hierna volgende bewezenverklaring van de feiten 6, 8 en 9 blijkt bovendien dat verdachte ook op diverse andere plaatsen goederen voorhanden had die bestemd waren voor het telen van hennep.
Bij de ontmanteling van de hennepplantage is geconstateerd dat de stroom illegaal werd afgenomen. Daarvoor was een illegale aftakking in de meterkast gemaakt. Hierdoor was een zeer gevaarlijke situatie ontstaan in de meterkast. Zo was zowel sprake van een verschroeide elektriciteitsdraad als een gesmolten aangesloten elektriciteitsdraad in de meterkast. Volgens de fraude-inspecteur waren de draden te zwaar belast waardoor de draden zijn gaan smelten. Het stroomnetwerk van de gehele buurt is vervolgens uitgeschakeld om de stroomvoorziening in de woning veilig te kunnen uitschakelen. [6]
Uit het rapport gevaarzetting van [benadeelde] blijkt dat verder in de woning een risicovolle aftakking voor essentiële hoofdbeveiligingen van de netbeheerder is aangetroffen en sporen van een beginnende brand. Volgens [benadeelde] was daardoor sprake van een risico op verhindering of bemoeilijking van de algemene stroomlevering, gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen. De bedrading was verschroeid en verkleurd als gevolg van een oververhitting (ontstaan door te hoge stroomafname) waardoor de kans op het ontstaan van brand zeer groot was. [7]
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij wist van de illegale afname van stroom. Verdachte had contacten met mensen die de illegale afname van stroom voor de kwekerij konden regelen en hij wist dat een zegel op de meter moest worden verbroken ten behoeve van het aftappen. Ten slotte verklaart verdachte dat hij in de woonkamer was op het moment dat de door hem ingeschakelde mensen bezig waren met de meterkast. [8]
Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode een hennepkwekerij aan [adres 2] had, samen met andere personen.
Voor wat betreft de aangetroffen goederen stelt het hof vast dat deze goederen geschikt zijn en in samenhang bezien bestemd zijn voor het telen van hennep. De op verschillende locaties (badkamer en schuur bij de woning) aangetroffen voorwerpen, waaronder meerdere lampen, potten en slangen, zijn bij elkaar genomen passend voor de inrichting van een hennepkwekerij van ten minste tweehonderd planten. Daarmee gaat het om voorwerpen die zijn bestemd voor grootschalige hennepteelt in de zin van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de aanwezigheid van een in werking zijnde hennepkwekerij niet in de weg staat aan een veroordeling voor voorbereidingshandelingen wanneer – zoals in de onderhavige casus – ook andere goederen (hier in de badkamer en bijbehorende schuur) geschikt voor de hennepteelt worden aangetroffen. Om een onevenredige strafrechtelijke aansprakelijkheid in geval van sterk samenhangende strafbare feiten te voorkomen, stelt het hof echter vast dat ten aanzien van de in de badkamer aangetroffen goederen geldt dat verdachte daarvan in wezen 1 verwijt met de aanwezige kwekerij kan worden gemaakt. Dat geldt niet voor de in de bij de woning horende schuur aangetroffen goederen. Met een en ander houdt het hof onder de hierna te noemen kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten rekening.
Gelet op de verklaring van verdachte dat hij de goederen leverde voor de kwekerij, contacten had met de mensen die de illegale stroomafname regelden en aanwezig was in de woning op het moment dat deze mensen hiermee bezig waren, is het hof daarnaast van oordeel dat de rol van verdachte van voldoende gewicht was bij het aftappen van stroom. Het hof acht daarom ook het medeplegen van de diefstal van stroom bewezen.
Het hof stelt ten slotte vast dat verdachte opzet had op het beschadigen van het elektriciteitswerk. Zijn bijdrage aan de totstandkoming hiervan was van voldoende gewicht, mede gelet op het bewezenverklaarde feit 3. Het gaat in dit geval niet enkel om een abstract gevaar voor het eventueel ontstaan van brand, maar om een concreet gevaar en een zeer grote kans op het ontstaan van brand. Het hof acht hiermee ook feit 4 wettig en overtuigend bewezen.
Het hof ziet – anders dan de raadsman heeft verzocht – geen aanleiding een kortere periode bewezen te verklaren dan ten laste gelegd, omdat de hennepkwekerij van (onder andere) verdachte in ieder geval in werking was in de tenlastegelegde periode. Ditzelfde geldt voor de andere tenlastegelegde feiten.
Het hof acht de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen.
[adres 3] (feiten 5 en 6)
Het hof spreekt verdachte onder feit 5, anders dan de rechtbank, vrij van de ten laste gelegde beroepsmatige hennepteelt in de woning aan [adres 3] en komt tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van hennep. Ook de onder feit 6 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor hennepteelt in die woning, acht het hof bewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De politie is op 9 juli 2018 binnengetreden in de woning aan de [adres 3] . [9] Verdachte was op dat moment de eigenaar van deze woning. [10]
Op de eerste verdieping werden in ruimte 1 meerdere potten aangetroffen met daarop een blauw bouwzeil. Op dit bouwzeil lag 182 gram aan henneptoppen. In de inbouwkast stond een groene ton waarin 148 gram hennep zat. Op de ton stond een emmer zonder deksel waar nog eens 88 gram hennep in zat. [11]
Op de derde verdieping werd in ruimte 3 een kartonnen doos aangetroffen met daarin 700 gram hennep. Ook werd een zwarte vuilniszak met daarin 146 gram hennep aangetroffen. [12]
In totaal is 1.264 gram hennep aangetroffen in de woning. [13]
Ook zijn in de woning meerdere hennep gerelateerde goederen aangetroffen.
In ruimte 1 op de eerste verdieping lag een droogrek, een weegschaal, een strijkzak en een slakkenhuis.
In ruimte 2 op de tweede verdieping is een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met de volgende goederen:
  • 98 potten met daarin potgrond met wortelresten, afgedekt met een blauw bouwzeil;
  • een slakkenhuis, 245 Watt;
  • twee koolstoffilters;
  • een waterton;
  • een fles, inhoud 1 liter, plantenvoeding;
  • een schakelbord met verschillende tijdschakelaars en zekeringen.
In ruimte 3 op derde verdieping zijn de volgende goederen ten behoeve van een hennepkwekerij aangetroffen:
- drie armaturen;
- 18, niet aangesloten, assimilatielampen 600 Watt;
- een schakelbord;
- 4 tijdschakelaars;
- 10 transformatoren, koper, 600 Watt;
- een luchtafzuiger, 80 Watt;
- 3 kunststof ventilatoren, 45 Watt;
- een kachel, 2000 Watt;
- 21 L flessen groeimiddel;
- 25 L jerrycan groeimiddel;
- 10 droog(hang)netten, waarin duidelijk hennepresten zaten. [15]
Verdachte heeft altijd ontkend dat hij hennep heeft geteeld aan de [adres 3] . Hij is eigenaar van de woning en heeft verklaard dat hij de woning eerder had verhuurd aan ene [medeverdachte] en daarna erachter kwam dat deze [medeverdachte] blijkbaar een hennepkwekerij had gehad in de woning, die al buiten werking was toen verdachte erachter kwam. Verdachte heeft vervolgens de boel losgekoppeld en opgeruimd. [16]
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de goederen uit luiigheid vervolgens niet had weggehaald uit de woning. [17] Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte hierover aanvullend verklaard dat hij de hennep gerelateerde goederen in de woning bewust onder zich heeft gehouden, omdat de goederen geschikt waren om nog eens te verkopen. [18]
Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat in totaal 1.264 gram hennep(toppen) zijn aangetroffen in de woning, en dus tenminste de ‘ongeveer 1.116 gram hennep(toppen)’ zoals onder 5 primair ten laste gelegd aan verdachte. Voor het door verdachte telen van hennep op dit adres is naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Voor wat betreft de andere aangetroffen goederen stelt het hof vast dat deze goederen geschikt zijn en in samenhang bezien bestemd zijn voor het telen van hennep. Verdachte had als eigenaar en frequent bezoeker van de woning, omdat de opvolgend huurder zijn vriendin betrof, beschikking over de goederen. Nu verdachte heeft verklaard dat hij de goederen bovendien bewust onder zich heeft gehouden om te kunnen verkopen, is het hof van oordeel dat ook het voorhanden hebben van de hennepgerelateerde goederen (de onder 6 ten laste gelegde voorbereidingshandeling voor hennepteelt) kan worden bewezen.
Het hof acht de feiten 5 primair en 6 op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte deze feiten alleen heeft gepleegd.
[adres 4] (feiten 7 en 8)
Het hof vindt verder wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de woning aan [adres 4] hennep en voorwerpen bestemd voor hennepteelt voorhanden heeft gehad. Daarbij geldt het volgende.
Op 9 juli 2018 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden aan [adres 4] . [19] Bij de doorzoeking van de berging zijn meerdere goederen aangetroffen, waaronder:
85 gram hennep; [20]
  • een koolstoffilter;
  • een garland droogplaatje;
  • een schakelbord;
  • een transformator;
  • een PH-meter/combo;
- een elektriciteitskabel. [22]
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de aangetroffen hennep en de aangetroffen goederen bestemd voor het telen van hennep van hem waren. [23]
Voor het door verdachte ten laste gelegde telen van hennep op dit adres bestaat onvoldoende bewijs. Het hof ziet voor wat betreft de hennep in het dossier dan ook enkel bewijs voor het aanwezig hebben van de aangetroffen 85 gram. Het hof acht de feiten 7 en 8 op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte ook deze feiten alleen heeft gepleegd zodat het hof hem ook vrijspreekt van het ten laste gelegde medeplegen.
[plaats 2] (feit 9)
Ten slotte komt het hof ook tot een bewezenverklaring van de onder 9 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor hennepteelt.
Op 9 juli 2018 is een opslag aan [adres 5] onderzocht. In de vakken die volgens [getuige] door verdachte op dat moment werden gehuurd, zijn meerdere goederen aangetroffen die bestemd zijn voor het telen van hennep, namelijk:
  • een canacutter;
  • assimilatielampen;
  • transformatoren;
  • een stroomverdeelkast;
  • tl-lampen;
  • koolstoffilters;
  • slakkenhuizen;
  • meters geïsoleerde afzuigslangen;
  • diverse maten kunststof potten;
  • flacons met voeding voor hennepplanten.
De [getuige] heeft verklaard dat verdachte sinds augustus 2016 een vak huurde en dat verdachte hem had gezegd dat hij deze spullen opkocht bij ontmantelde kwekerijen en deze weer verkocht. Volgens [getuige] stonden daar nog spullen die er vanaf het begin van de huurperiode stonden. [25]
Verdachte heeft ter zitting bij het hof verklaard dat de aangetroffen goederen inderdaad bestemd waren voor het telen van hennep en van hem waren. [26]
Het hof acht het feit 9 op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte deze feiten alleen heeft gepleegd. Het hof spreekt verdachte vrij van het laste gelegde medeplegen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar hiervoor in de voetnoten is verwezen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en
/of bereid en/ofbewerkt en
/ofverwerkt
en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2]
)een
(grote
)hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet)
van een groot aantalhennepplanten,
ongeveer791 planten
en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen
stoffen en/ofvoorwerpen heeft
bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd ofvoorhanden gehad, te weten:
-
een ofmeerdere
(geïsoleerde) afzuigslangen, en
/of
-
een ofmeerdere
(kunststof)potten, en
/of
-
een ofmeerdere
flacons, dan welverpakkingen
,(hennep)plantenvoeding, en
/of
-
een ofmeerdere
assimilatielampen,
dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten het pand gelegen aan [adres 2] ,
waarvan hij
/zijen zijn
/haarmededader
(s
)wist
(en
) of ernstige reden had(den) te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
3.
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
uit het pand gelegen aan [adres 2] ,
stroom
, in elk geval enig goed,die
geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s)toebehoorde
, te wetenaan [benadeelde] , heeft weggenomen
met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en
/ofzijn
/haarmededader
(s
) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/ofdat
/dieweg te nemen goed
/goederenonder
zijn/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van
braak,verbreking;
4.
hij
op of omstreeks, op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
opzettelijk
een elektriciteitswerk, te weten een elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand, te weten het pand aan [adres 2] ,
heeft
vernield,beschadigd,
onbruikbaar heeft gemaakt en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft/hebben veroorzaakt, en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en
/ofverhindering
en/of bemoeilijking van stroomlevering ten algemene nutte te duchten was;
5. primair
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad
(in een pand aan de [adres 3]
) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet) van een groot aantal hennepplanten, ongeveer1116 gram hennep(toppen)
en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
6.
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/ofvoorwerpen
bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd ofvoorhanden heeft gehad, te weten:
-
een ofmeerdere
(kunststof)potten, en
/of
- een
of meerderedroogrek
ken, en
/of
-
een ofmeerdere droognetten, en
/of
- een
of meerdereweegschaal
en, en
/of
-
een ofmeerdere slakkenhuizen, en
/of
- een
of meerderestrijkzak
ken, en
/of
-
een ofmeerdere koolstoffilters, en
/of
- een
of meerderewaterton
nen, en
/of
-
een ofmeerdere
flacons, dan welverpakkingen, (hennep)plantenvoeding, en
/of
-
een ofmeerdere schakelborden, en
/of
-
een ofmeerdere tijdschakelaars, en
/of
-
een ofmeerdere zekeringen, en
/of
-
een ofmeerdere transformatoren, en
/of
- een
of meerdereafzuiginstallatie
s, en
/of
-
een ofmeerdere assimilatielampen,
en/of
- een of meerdere (kunststof) potten,
dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten het pand gelegen aan de [adres 3]
waarvan hij
/zij en zijn/haar mededader(s)wist
(en) of ernstige reden had(den) te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
7.
hij op
een of meer tijdstippen op of omstreeks9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of in elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad
(in een pand aan [adres 4]
) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet) van een groot aantal hennepplanten, ongeveer85 gram hennep
(toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
8.
hij op
een of meer tijdstippen op of omstreeks9 juli 2018, te [plaats 1] ,
in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/ofvoorwerpen
bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd ofvoorhanden heeft gehad, te weten:
- een
of meerderekoolstoffilter
s, en
/of
- een
of meerderedroogplaatje
s, en
/of
- een
of meerdere (elektra)schakelbord
en, en
/of
- een
of meerderetransformator
en, en
/of
- een
of meerdereph meter
s, en
/of
- een
of meerdereelektriciteitskabel
s, en
/of
waarvan hij
en zijn mededader(s)wist
(en) of ernstige reden had(den) te vermoedendat voornoemde
pand(en)voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
9.
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 2]
en/of [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/ofvoorwerpen
bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd ofvoorhanden heeft gehad, te weten:
- een
of meerderecanacutter
s, en
/of
-
een ofmeerdere assimilatielampen, en
/of
-
een ofmeerdere transformatoren, en
/of
- een
of meerderestroomverdeelkast
en, en
/of
-
een ofmeerdere tl-lampen, en
/of
-
een ofmeerdere koolstoffilters, en
/of
-
een ofmeerdere slakkenhuizen, en
/of
-
een ofmeerdere
(geïsoleerde
)afzuigslangen, en
/of
-
een ofmeerdere
(kunststof
)potten, en
/of
-
een ofmeerdere flacons
, dan wel verpakking,(hennep)plantenvoeding,
waarvan hij
en zijn mededader(s)wist
(en) of ernstige reden had(den) te vermoedendat voornoemde
pand(en)voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Samenloop
De verdediging stelt zich op het standpunt dat steeds sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2, en tussen de feiten 5 en 6, 7 en 8 en meer in algemene zin tussen de feiten 1, 5, 7 en 9 omdat verdachte de voor hennepteelt geschikte goederen aanwezig had in verband met de hem verweten en ten laste gelegde hennepteelt.
Het hof is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feiten 1 en 2, voor zover de onder 2 bewezenverklaarde goederen afkomstig zijn uit de badkamer, nu deze in een directe relatie staan tot de onder 1 bewezenverklaarde hennepkwekerij. Anders is dat voor de (oude) in de schuur aangetroffen goederen.
Voor de feiten 6, 8 en 9 geldt dat verdachte in dezelfde periode op meerdere plekken in [plaats 1] en in [plaats 2] kweekbenodigdheden had opgeslagen. Aan het opslaan en opgeslagen houden van die goederen op verschillende locaties liggen echter verschillende wilsbesluiten ten grondslag en reeds daarom is geen sprake van eendaadse samenloop. Ten overvloede merkt het hof nog op dat ditzelfde geldt voor wat betreft eventuele samenloop tussen de feiten 2, 6, 8 en 9 (de afzonderlijk ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor hennepteelt).
Kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert, voor zover het de goederen aangetroffen in de schuur betreft, op:
medeplegen van voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert, voor zover het de goederen aangetroffen in de badkamer betreft, op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
en
medeplegen van voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk enig elektriciteitswerk beschadigen waardoor verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemene nutte ontstaat
en
medeplegen van opzettelijk enig elektriciteitswerk beschadigen waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het onder 5 primair en 7 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 6, 8 en 9 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 220 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn dient de taakstraf te worden gematigd. Verder heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat verdachte sinds 2018 niet meer in aanraking is gekomen met justitie.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende meegewogen.
Verdachte heeft op bedrijfsmatige wijze (samen met anderen) hennep gekweekt, stroom gestolen en het elektriciteitswerk zodanig beschadigd dat gevaar voor goederen ontstond. Verder heeft hij op meerdere andere locaties hennep en kweekbenodigdheden voorhanden gehad. Verdachte had zo bezien beschikking over meerdere locaties waar hennepgerelateerde handelingen plaatsvonden. Hierdoor heeft verdachte een aanzienlijk aandeel geleverd in de handel in softdrugs. Hennep is een softdrug die bij langdurig of veelvuldig gebruik een gevaar vormt voor de gezondheid. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat met de handel in softdrugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden gepaard gaan met geweld, bedreigingen en ripdeals. Verdachte heeft met het bewezen verklaarde handelen hieraan bijgedragen. Daarbij speelt in onderhavige zaak nog het gevaarzettende aspect van de beschadiging van het elektriciteitswerk wat tot zeer ernstige, en levensgevaarlijke situaties had kunnen leiden.
Dit soort feiten rechtvaardigt vanwege de aard en ernst in beginsel een (forse) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De partiële vrijspraken in hoger beroep maken dit oordeel niet anders.
Het hof heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar ook dat verdachte sinds onderhavig feit niet wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie. Dit betekent dat verdachte’s strafblad niet in strafverzwarende zin meeweegt in de strafoplegging.
Verdachte heeft vier dagen in voorarrest doorgebracht. Hiermee houdt het hof rekening in de strafoplegging.
Wat betreft het tijdsverloop moet de behandeling op zitting met een eindarrest zijn afgerond binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte heeft op 10 februari 2022 hoger beroep ingesteld en dit arrest is van 3 april 2026. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaren. Deze aanzienlijke overschrijding ligt in belangrijke mate buiten de schuld van verdachte. Het dossier heeft jarenlang op de plank gelegen en gedurende deze tijd heeft deze strafzaak boven het hoofd van verdachte gehangen, terwijl hij tegelijkertijd zijn leven weer probeerde op te pakken. Bij de bepaling van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn houdt het hof daarnaast ook rekening met de overschrijding daarvan bij de berechting in eerste aanleg.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 94 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest, in combinatie met een taakstraf van 240 uren. Het hof acht deze in eerste aanleg opgelegde combinatiestraf in beginsel passend, gelet op de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Door het algehele tijdsverloop ziet het hof – in overeenstemming met de rechtbank – geen reden voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Om uiting te geven aan de strafwaardigheid van de door het hof bewezenverklaarde feiten zal het hof – anders dan de vordering van de advocaat-generaal – overgaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf. Van wege het aanzienlijke tijdsverloop zal het hof aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van één jaar verbinden. Het hof acht in beginsel de in eerste aanleg opgelegde taakstraf van 240 uren passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matigen tot een taakstraf van 200 uren.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf van 200 uren passend en geboden is.
Vordering van de [benadeelde]
Mr. A. Vaarkamp heeft namens [benadeelde] als benadeelde partij een vordering ingediend in dit strafproces. De benadeelde partij heeft materiële schade gevorderd tot een bedrag van € 4.484,56, bestaande uit de volgende posten:
uurtarief inspecteur € 234,-;
netwerkkosten elektriciteit € 492,83
(gelet op de door de benadeelde partij verstrekte bijlage begrijpt het hof € 495,39);
verbruik elektriciteit € 3.192,17
(gelet op de door de benadeelde partij verstrekte bijlage begrijpt het hof € 3.192,18);
uurtarief monteur (dag) € 136,-;
vooronderzoek en dossieraanleg € 59,42;
dossierverwerking en aangifte € 118,86;
opmaken factuur € 79,26;
afhandelingskosten € 118,86;
elektriciteitsmeter slim € 53,16.
Verder vordert de benadeelde partij (buiten)gerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.053,46, bestaande uit € 573,46 aan incassokosten en € 480 aan proceskosten.
De benadeelde partij vordert verdachte dus te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.538,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat het strafbare feit is gepleegd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 4.055,- aan materiële schade en € 311,- aan proceskosten.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen conform de beslissing van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair dat verdachte zijn deel van de elektriciteitsrekening al aan de eigenaar van de woning heeft betaald en dat hem niet kan worden aangerekend dat die persoon dat geld vervolgens niet aan [benadeelde] heeft betaald.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen.
Materiële schade
De gevorderde schadeposten onder 2, 3, 5, 7 en 9 zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. Het hof wijst deze schadeposten daarom toe.
De schadeposten onder 2, 3 en 9 zijn rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
De schadeposten onder 5 en 7 dienen ter vaststelling van de schade en de hoogte van de bedragen komt het hof redelijk voor. Deze schadeposten zijn om die redenen op basis van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek voor toewijzing vatbaar.
Het hof wijst de gevorderde schadepost onder 8 af, nu voor toewijzing daarvoor geen grondslag in de rechte bestaat. Indien een benadeelde partij gebruikt maakt van rechtsbijstand, zoals in onderhavig geval, is artikel 238, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering maatgevend voor de (proces)kosten die kunnen worden vergoed. De afhandelingskosten zoals door de benadeelde partij aangevoerd zijn géén rechtstreekse materiële schade die voor vergoeding in aanmerking komen, en ook géén toewijsbare proceskosten.
Het deel van de vordering (punt 8) dat wordt afgewezen, bedraagt € 118,86. Verdachte hoeft dat bedrag niet te betalen.
De gevorderde schadeposten onder 1, 4 en 6 acht het hof onvoldoende onderbouwd. Niet is aannemelijk geworden dat [benadeelde] voor de posten 1 en 4 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt nu de advocaat van [benadeelde] daarnaar gevraagd ter zitting heeft aangegeven dat de expert en de monteur bij [benadeelde] in loondienst zijn. De kosten onder punt 6 zijn niet nader gespecificeerd. De verdere behandeling van deze schadeposten tot een bedrag van € 488,86 levert een onevenredige belasting op van deze strafprocedure. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 3.879,41 te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de einddatum van de pleegperiode.
Proceskosten
De gevorderde (buiten)gerechtelijke kosten ad € 1.053,46,worden afgewezen, omdat niet is gebleken van een meer dan geringe inspanning om de kosten buiten een andere procedure vergoed te krijgen.
Het hof wijst een bedrag voor proceskosten toe op grond van de liquidatietarieven in kantonzaken. Voor de bepaling van het liquidatietarief wordt het bedrag van de toegewezen hoofdsom van de vordering gehanteerd. Het tarief geldt derhalve met betrekking tot een geldwaarde tot en met € 10.000,-. In dit tarief wordt ieder punt gewaardeerd op € 311,- voor wat betreft de behandeling van de vordering in eerste aanleg. Ten aanzien van de behandeling van de vordering in hoger beroep geldt dat ieder punt wordt gewaardeerd op € 360,-.
Nu een advocaat van de benadeelde partij, mr. A. Vaarkamp, het voegingsformulier heeft opgesteld, betekent dit dat het hof een bedrag van € 311,- (1 punt) voor proceskosten in eerste aanleg toewijst.
In hoger beroep is de benadeelde partij bijgestaan door een advocaat, mr. H.M. de Vries. Nu deze advocaat bij de terechtzitting van 20 maart 2026 aanwezig is geweest en de vordering heeft toegelicht, betekent dit dat het hof een bedrag van € 360,- (1 punt) voor proceskosten in hoger beroep zal toewijzen.
Voorgaande maakt dat ten aanzien van de proceskosten een bedrag van € 671,- wordt toegewezen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.
Schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het hof legt – in overeenstemming met de rechtbank – de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr niet op, aangezien de benadeelde partij, een groot bedrijf, zelf de middelen heeft om de vordering op verdachte te verhalen en het hof de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel om die reden niet opportuun acht.
Wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 55, 57, 161bis en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8 en 9 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
94 (vierennegentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis.
Vordering van de [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.879,41 (drieduizend achthonderdnegenenzeventig euro en eenenveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst af de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] voor een bedrag van
€ 118,86 (honderdachttien euro en zesentachtig cent) aan materiële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 671,- (zeshonderdeenenzeventig euro).
Wijst af de overige gevorderde (buitengerechtelijke) proceskosten.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 juli 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

1. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet) van een groot aantal hennepplanten, ongeveer 791 planten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
1. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 7 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
met elkaar, althans één van hen,
opzettelijk
heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van een groot aantal hennepplanten, ongeveer 791 planten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland
meermalen, althans eenmaal
(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd(e) pand(en) voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2.
Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:
- een of meerdere (geïsoleerde) afzuigslangen, en/of
- een of meerdere (kunststof) potten, en/of
- een of meerdere flacons, dan wel verpakking, (hennep)plantenvoeding,
- een of meerdere assimilatielampen,
dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten het pand gelegen aan de Hendrick Groltzsiusstraat 40,
waarvan hij/zij en zijn/haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
uit het pand gelegen aan [adres 2] ,
stroom, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking;
4.
hij op of omstreeks, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een elektriciteitswerk, te weten een elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand, te weten het pand aan [adres 2] ,
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft/hebben veroorzaakt, en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of verhindering en/of bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte te duchten was;
5. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3] ) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet) van een groot aantal hennepplanten, ongeveer 1116 gram hennep(toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
met elkaar, althans één van hen,
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3] ) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet) van een groot aantal hennepplanten, ongeveer 1116 gram hennep(toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland
meermalen, althans eenmaal
(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd(e) pand(en) voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
6.
Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:
- een of meerdere (kunststof) potten, en/of
- een of meerdere droogrekken, en/of
- een of meerdere droognetten, en/of
- een of meerdere weegschalen, en/of
- een of meerdere slakkenhuizen, en/of
- een of meerdere strijkzakken, en/of
- een of meerdere koolstoffilters, en/of
- een of meerdere watertonnen, en/of
- een of meerdere flacons, dan wel verpakkingen, (hennep)plantenvoeding,
- een of meerdere schakelborden, en/of
- een of meerdere tijdschakelaars, en/of
- een of meerdere zekeringen, en/of
- een of meerdere transformatoren, en/of
- een of meerdere afzuiginstallaties, en/of
- een of meerdere assimilatielampen, en/of
- een of meerdere (kunststof) potten,
dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten het pand gelegen aan de [adres 3]
waarvan hij/zij en zijn/haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
7.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 4] ) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet) van een groot aantal hennepplanten, ongeveer 85 gram hennep(toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
8.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 9 juli 2018, te [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:
- een of meerdere koolstoffilters, en/of
- een of meerdere droogplaatjes, en/of
- een of meerdere (elektra) schakelborden, en/of
- een of meerdere transformatoren, en/of
- een of meerdere ph meters, en/of
- een of meerdere elektriciteitskabels, en/of
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat voornoemde pand(en) bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
9.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 9 juli 2018, te [plaats 2] en/of [plaats 1] , in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten:
- een of meerdere canacutters, en/of
- een of meerdere assimilatielampen, en/of
- een of meerdere transformatoren, en/of
- een of meerdere stroomverdeelkasten, en/of
- een of meerdere tl-lampen, en/of
- een of meerdere koolstoffilters, en/of
- een of meerdere slakkenhuizen, en/of
- een of meerdere (geïsoleerde) afzuigslangen, en/of
- een of meerdere (kunststof) potten, en/of
- een of meerdere flacons, dan wel verpakking, (hennep)plantenvoeding,
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat voornoemde pand(en) bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. R. Godthelp en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 3 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Oost-Nederland, [district] , [team] , met registratienummer PL0600-2019047256 Z van onderzoek DOTAN met onderzoeksnummer ON1R018042, afgesloten op 8 februari 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 augustus 2018, p. 105 van het politiedossier.
3.Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 augustus 2018, p. 106 van het politiedossier.
4.De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep op 20 maart 2026.
5.Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Overijssel van 13 januari 2022, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, p. 2.
6.Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 augustus 2018, p. 106-107 van het politiedossier.
7.Een geschrift, te weten een toelichting op rapport gevaarzetting van [benadeelde] , p. 193-196 van het politiedossier.
8.De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep op 20 maart 2026.
9.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, p. 284 van het politiedossier.
10.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, p. 287 van het politiedossier.
11.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, p. 284-285 van het politiedossier.
12.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, p. 286 van het politiedossier.
13.Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, p. 293 volgnummer 1 van het politiedossier.
14.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, p. 285 van het politiedossier.
15.Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 29 oktober 2018, p. 285-286 van het politiedossier.
16.De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep op 20 maart 2026.
17.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 juli 2018, p. 219 van het politiedossier.
18.De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep op 20 maart 2026.
19.Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 10 juli 2018, p. 383 van het politiedossier.
20.Een geschrift te weten een kennisgeving van inbeslagneming, p. 394 onder volgnummer 1 van het politiedossier.
21.Een geschrift te weten een lijst van inbeslaggenomen goederen, p. 402 van het politiedossier.
22.Een geschrift te weten een kennisgeving van inbeslagneming, p. 396-397 onder volgnummer 9 van het politiedossier.
23.De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep op 20 maart 2026.
24.Het proces-verbaal van verhoor [getuige] van 12 juli 2018, pagina 443 van het politiedossier.
25.Het proces-verbaal van verhoor [getuige] van 12 juli 2018, pagina 444 van het politiedossier.
26.De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting in hoger beroep op 20 maart 2026.