Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2174

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-000416-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

Betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het Opiumwetverbod door het exploiteren van een hennepkwekerij. Het hof behandelt het hoger beroep tegen de ontnemingsvordering die voortvloeit uit dit onherroepelijke vonnis.

Het hof analyseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij het uitgaat van één oogst in plaats van twee, zoals ook door de advocaat-generaal is voorgesteld. De opbrengst wordt berekend op basis van drie kweekruimtes met een totaal netto-opbrengst van €82.716,45. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat de standaardnormen niet van toepassing zijn en past een pondspondsgewijze verdeling toe over drie betrokkenen, waardoor het voordeel van betrokkene wordt vastgesteld op €27.722,15.

De verdediging voerde aan dat betrokkene vanwege een ernstig ongeluk weinig verdiencapaciteit heeft, maar het hof acht dit onvoldoende om de betalingsverplichting te matigen. Wel wordt de betalingsverplichting verminderd met €5.000 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar in hoger beroep. Het hof legt de betalingsverplichting vast op €22.722,15 en bepaalt een maximale gijzelingstermijn van 227 dagen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €27.722,15 en legt een betalingsverplichting aan de Staat van €22.722,15 op na matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000416-22
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2022 met parketnummer 08-952069-18 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken zowel wat op de zitting van het hof van 20 maart 2026 als op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, hebben aangevoerd.

Beslissing

Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

Ontnemingsvordering

Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 165.432,90. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 24.816,41 en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle 27 januari 2022 (de hoofdzaak) veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het hof neemt dit onherroepelijke vonnis als grondslag voor de ontnemingsvordering.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald. Gelet hierop is sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat financieel voordeel is behaald uit het telen van hennep aan de [straat] in [plaats] (hierna: [straat] ). De berekening en vaststellingen van de rechtbank ten aanzien van één enkele oogst, in plaats van de twee oogsten waar het ontnemingsrapport van uitgaat, dienen te worden gevolgd. Vanwege het tijdsverloop moet het bedrag worden gematigd met € 5.000,- zodat de betalingsverplichting zou komen op (€ 29.816,41 - € 5.000,- =) € 24.815,41.
Standpunt van de verdediging
Voor wat betreft de [straat] erkent de verdediging dat sprake is van financieel voordeel, maar heeft de raadsman de standaardnormen (voor de opbrengst in gewicht en geld) zoals gehanteerd in het rapport betwist. Hierbij is onder andere gewezen op de omstandigheid dat deze normen uitgaan van kwekerijen onder ideale omstandigheden, terwijl in onderhavig geval sprake is geweest van problemen met onder andere apparatuur en temperatuurregulatie. Er is om die redenen slechts één oogst gerealiseerd met een opbrengst van slechts € 44.000,-. Daarvan heeft woningeigenaar [naam] de helft ontvangen. De resterende helft is verdeeld over betrokkene en [medeverdachte 1] (medeverdachte in de strafzaak). Na aftrek van de kosten heeft betrokkene ongeveer € 6.000,- tot € 7.000,- aan deze eenmalige oogst overgehouden.
De verplichting tot betaling aan de staat dient echter primair te worden vastgesteld op nihil, omdat sprake is van weinig of geen verdiencapaciteit bij betrokkene vanwege een ernstig ongeluk waardoor betrokkene zwaar letsel heeft opgelopen. Subsidiair dient de betalingsverplichting te worden gehalveerd.
Oordeel van het hof
Op grond van wettige bewijsmiddelen [1] schat het hof het door betrokkene behaalde voordeel op € 27.572,15. Daarbij is het volgende van belang.
Volgens het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel was sprake van drie kweekruimtes in de woning aan de [straat] . [2]
In de eerste kweekruimte stonden minimaal 352 hennepplanten en/of potten. De opbrengst aan hennep per plant van de eerste kweekruimte is minimaal 28,2 gram. De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 352 planten x 28,2 gram = 9,9264 kilogram. Uitgaande van een opbrengst per kilo van € 4.070,- bedraagt de totale opbrengst per oogst
€ 40.400,45. [3]
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de eerste kweekruimte dienen volgens het rapport te worden gesteld op € 2.956,88. [4]
In de tweede kweekruimte stonden minimaal 221 hennepplanten en/of potten. De opbrengst aan hennep per plant van de tweede kweekruimte is minimaal 27,7 gram. De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 221 planten x 27,7 gram = 6,1217 kilogram. Uitgaande van een opbrengst per kilo van € 4.070,- bedraagt de totale opbrengst per oogst € 24.915,32. [5]
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de tweede kweekruimte dienen volgens het rapport te worden gesteld op € 1.899,49. [6]
In de derde kweekruimte stonden minimaal 218 hennepplanten en/of potten. De opbrengst aan hennep per plant van de derde kweekruimte is minimaal 27,2 gram. De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 218 planten x 27,2 gram = 5,9296 kilogram. Uitgaande van een opbrengst per kilo van € 4.070,- bedraagt de totale opbrengst per oogst € 24.133,47. [7]
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de derde kweekruimte dienen volgens het rapport te worden gesteld op € 1.876,42. [8]
Aantal oogsten
In het rapport zijn indicaties voor eerdere oogsten beschreven. Die indicaties zijn: de periode, uitgaande van een kweekcyclus van tien weken, stof op in de kwekerij aanwezige voorwerpen, kalkafzetting en knipschaartjes. Het hof ziet – in overeenstemming met de rechtbank – in het dossier aanwijzingen dat een kortere periode hennep is geteeld dan waar van het rapport uitgaat. Op 30 januari 2018 heeft een monteur van Enexis de meterkast gecontroleerd. [9] Deze heeft kennelijk geen opvallende zaken gezien of een hennepgeur in de woning geroken. Dat is in lijn met wat door betrokkene zelf en door [medeverdachte 1] (medeverdachte in de strafzaak) is verklaard. Daarom moet worden aangenomen dat de hennepkwekerij daarna in werking is getreden. Het hof betrekt verder dat de planten op de invaldag op 9 juli 2018 al (bijna) volgroeid waren. Gelet op een kweekperiode van tien weken per oogst is de periode tussen deze data (30 januari 2018 en 9 juli 2018) te kort geweest voor twee voltooide oogsten.
Het hof heeft ter zitting een proces-verbaal over een eerdere warmtemeting (op 11 januari 2018) aan de [straat] besproken. Deze warmtemeting is op zichzelf onvoldoende om te komen tot een ander oordeel ten aanzien van het aantal oogsten.
Daarom gaat het hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van één oogst.
Voorgaande betekent dat de totale opbrengst van de kwekerij (€ 40.400,45 + € 24.915,32 + € 24.133,47 =) € 89.449,24 bedraagt. De in mindering te brengen kosten voor de kwekerij bedragen (€ 2.956,88 + € 1.899,49 + € 1.876,42 =) € 6.732,79. Dus de netto-opbrengst van de kwekerij wordt geschat op (€ 89.449,24 - € 6.732,79 =) € 82.716,45.
Berekening voordeel
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat betrokkene concrete, verifieerbare gegevens zou hebben verstrekt die maken dat de standaardnormen uit ‘het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ niet als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd is onvoldoende aannemelijk geworden om niet de standaardnormen uit het rapport als uitgangspunt te nemen. De verklaringen van anderen over de mindere opbrengst in gewicht en geld zijn niet concreet genoeg om de verklaring van betrokkene op dit punt zodanig te ondersteunen dat dit een alternatieve berekening van het voordeel aannemelijk maakt. Daar staat bijvoorbeeld tegenover dat betrokkene zelf bij de politie verklaard dat alle kweekruimtes helemaal vol stonden met hennepplanten. Op de invaldag op 9 juli 2018 trof de politie bovendien (bijna) volgroeide goed verzorgde planten aan in een functionerende hennepkwekerij. Dit was kort voor de hittegolfperiode in de zomer van 2018 waar de verdediging ter onderbouwing van een matige opbrengst naar heeft verwezen. Uit de door de verdediging aangehaalde verklaringen blijkt verder ook niet dat de kwekerij bijvoorbeeld heeft gewisseld van kweekapparatuur of de soort planten, zodat die omstandigheid een verklaring biedt voor de wel goed draaiende kwekerij op 9 juli 2018 en tegelijkertijd een eerdere slechtere opbrengst niet uitsluit. Het hof acht om die redenen niet aannemelijk dat een eerdere oogst (deels) is mislukt door eventueel wisselende temperaturen, terwijl daarbij gebruik werd gemaakt van dezelfde kweekbenodigdheden.
Verdeling voordeel
Het hof ziet voldoende aanwijzingen en acht aannemelijk dat medebetrokkene [medeverdachte 1] en de eigenaar van de woning, [naam] wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. Op basis van het dossier is onvoldoende inzicht gegeven en bekend over de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel. Daarom ziet het hof aanleiding een pondspondsgewijze verdeling toe te passen, zodat het per betrokkene behaalde voordeel wordt geschat op (€ 82.716,45 / 3 =) € 27.572,15.
Aangezien betrokkene heeft verklaard dat hij ongeveer € 150,- van medebetrokkene [medeverdachte 1] heeft ontvangen voor onder andere zijn knipwerkzaamheden, en het hof dit om die reden in mindering brengt op het door medebetrokkene [medeverdachte 1] behaalde voordeel, zal het hof dit bedrag ook meenemen in het door betrokkene behaalde voordeel.
Alles afwegende schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene op een bedrag van € 27.722,15.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Draagkracht
In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan het gebrek aan draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld als op dat moment al duidelijk is dat betrokkene op dat moment en in de toekomst geen enkele draagkracht meer heeft of zal hebben.
Daarvan is in dit geval geen sprake. Betrokkene is 45 jaar oud en heeft een ernstig ongeluk gehad wat invloed heeft gehad op zijn capaciteit om te werken. Er is echter niet gebleken waarom hij niet in staat zou zijn om nu of in de toekomst (enige) verdiencapaciteit te genereren. Het is niet aannemelijk geworden dat op dit moment al kan worden voorzien dat betrokkene op een later moment in de toekomst onvoldoende verdiencapaciteit heeft om het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen. Het hof neemt hierbij ook de op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering mogelijke rechtsgang in aanmerking, waarmee betrokkene vermindering dan wel kwijtschelding van het door het hof vast te stellen bedrag kan verzoeken.
Al met al is het gelet op de onderbouwing van het verweer en uit overige feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden dat betrokkene nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Het hof verwerpt het draagkrachtverweer.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is het recht van de betrokkene gewaarborgd om binnen een redelijke termijn een beslissing op een ontnemingsvordering te ontvangen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een ontnemingsvordering moet zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Betrokkene heeft op 2 februari 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 3 april 2026 uitspraak doet. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaren. Bij de bepaling van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn houdt het hof ook rekening met de overschrijding daarvan bij de berechting in eerste aanleg. Nu er geen sprake is van enige bijzondere omstandigheid die deze mate van overschrijding verklaart, dient de overschrijding tot matiging van de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting te leiden. Het hof vermindert de betalingsverplichting daarom met € 5.000,-.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 22.722,15.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 27.722,15 (zevenentwintigduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en vijftien cent).
Legt betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 22.722,15 (tweeëntwintigduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro en vijftien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 227 dagen.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. R. Godthelp en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 3 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Oost-Nederland, [locatie] , met registratienummer PL0600-2019047256 Z van onderzoek DOTAN met onderzoeksnummer ON1R018042, afgesloten op 8 februari 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 123 van het politiedossier.
3.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 123-125 van het politiedossier.
4.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 126 van het politiedossier.
5.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 126 van het politiedossier.
6.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 127 van het politiedossier.
7.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 127-128 van het politiedossier.
8.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 128-129 van het politiedossier.
9.Het proces-verbaal van bevindingen met volgnummer 22 van 8 februari 2021 opgemaakt door [naam] , inspecteur van de Eenheid Oost-Nederland, losbladig en ongenummerd.