Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2175

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
21-000541-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij

Betrokkene is in hoger beroep gegaan tegen de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie, die stelde dat hij financieel voordeel had genoten uit een hennepkwekerij. Het hof heeft het dossier en de zittingen beoordeeld en de vordering van het OM en de verdediging gewogen.

Het hof oordeelt dat betrokkene geen voordeel heeft genoten uit de kwekerij aan het tweede adres, waar hij is vrijgesproken van het telen van hennep. Voor het eerste adres stelt het hof vast dat er sprake was van één oogst met een netto-opbrengst van ruim €82.700, verdeeld over drie betrokkenen. Het voordeel van betrokkene wordt geschat op €27.422,15 na aftrek van een ontvangen bedrag van €150.

Het hof constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar, maar acht deze gecompenseerd door de straf in de hoofdzaak. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof legt de betalingsverplichting aan betrokkene op tot het genoemde bedrag.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene vast op €27.422,15 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000541-22
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 januari 2022 met parketnummer 08-952432-18 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende volgens opgaaf van betrokkene ter zitting te [adres 1] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken zowel wat op de zitting van het hof van 20 maart 2026 als wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. U. Ural, hebben aangevoerd.

Beslissing

Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

Ontnemingsvordering

Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 190.016,19. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 72.483,32 en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

Grondslag van de ontneming

Betrokkene is bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 april 2026 (de hoofdzaak) veroordeeld, voor zover hier van belang, voor het strafbare feit (feit 1):
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het hof neemt dit feit als grondslag voor de ontnemingsvordering.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald. Gelet hierop is sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat financieel voordeel is behaald uit zowel het telen van hennep aan [adres 2] (hierna: [adres 2] ) als aan [adres 3] (hierna: [adres 3] ). De berekening en vaststellingen van de rechtbank ten aanzien van één enkele oogst, in plaats van de twee oogsten waar het ontnemingsrapport van uitgaat, dienen te worden gevolgd. Vanwege het tijdsverloop moet dat bedrag worden gematigd met € 5.000,- zodat de betalingsverplichting zou komen op (€ 77.483,32 - € 5.000,- =) € 72.483,32.
Standpunt van de verdediging
[adres 3]
Ten aanzien van [adres 3] is het standpunt om te beginnen dat betrokkene niet daadwerkelijk voordeel heeft genoten nu in de woning geen sprake is geweest van telen van hennep door betrokkene.
Subsidiair dient het voordeel op basis van het in de woning aangetroffen sporenbeeld te worden gedeeld door drie daders.
[adres 2]
Voor wat betreft [adres 2] erkent de verdediging dat sprake is van financieel voordeel, maar heeft de raadsman de standaardnormen (opbrengst in gewicht en in geld), zoals gehanteerd in het rapport, betwist. Hierbij is onder andere gewezen op de omstandigheid dat deze normen uitgaan van kwekerijen onder ideale omstandigheden, terwijl in onderhavig geval sprake is geweest van problemen met onder andere apparatuur en temperatuurregulatie. Om die redenen is slechts één oogst gerealiseerd met een opbrengst van slechts € 44.000,-. Daarvan heeft woningeigenaar [medeverdachte 1] de helft ontvangen. De resterende helft is verdeeld over betrokkene en [medeverdachte 2] (medeverdachte in de strafzaak). Na aftrek van de kosten, waaronder de € 1.200,- aan energiekosten die betrokkene aan [medeverdachte 1] heeft betaald, heeft betrokkene ongeveer € 6.000,- tot € 8.000,- aan de eenmalige oogst overgehouden.
Subsidiair betoogt de raadsman dat een pondspondsgewijze verdeling moet worden gehanteerd over drie personen: betrokkene, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij de € 1.200,- aan energiekosten wederom dient te worden afgetrokken. Dit resulteert in dat geval in een financieel voordeel van € 13.466,66 voor betrokkene.
Indien het hof de uitgangspunten van het rapport wel aanhoudt, dient uit te worden gegaan van slechts één oogst waarbij een pondspondsgewijze verdeling werd gehanteerd over voornoemde drie personen. Het bedrag van € 1.200,- aan energiekosten dient ten aanzien van betrokkene wederom te worden afgetrokken, wat in dat geval zou leiden tot een genoten voordeel van € 26.372,15.
Oordeel van het hof
Op grond van wettige bewijsmiddelen [1] schat het hof het door betrokkene behaalde voordeel op € 27.422,15. Daarbij is het volgende van belang.
[adres 3]
Betrokkene is bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 april 2026 vrijgesproken voor het telen van hennep aan [adres 3] . Het dossier bevat mede daarom onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene voordeel heeft behaald uit het bewezenverklaarde (aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep) ten aanzien van [adres 3] .
Het hof is derhalve van oordeel dat betrokkene geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de baten van het bewezenverklaarde handelen aan [adres 3] .
[adres 2]
Volgens het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel was sprake van drie kweekruimtes in de woning aan [adres 2] . [2]
In de eerste kweekruimte stonden minimaal 352 hennepplanten en/of potten. De opbrengst aan hennep per plant van de eerste kweekruimte is minimaal 28,2 gram. De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 352 planten x 28,2 gram = 9,9264 kilogram. Uitgaande van een opbrengst per kilo van € 4.070,- bedraagt de totale opbrengst per oogst
€ 40.400,45. [3]
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de eerste kweekruimte dienen volgens het rapport te worden gesteld op € 2.956,88. [4]
In de tweede kweekruimte stonden minimaal 221 hennepplanten en/of potten. De opbrengst aan hennep per plant van de tweede kweekruimte is minimaal 27,7 gram. De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 221 planten x 27,7 gram = 6,1217 kilogram. Uitgaande van een opbrengst per kilo van € 4.070,- bedraagt de totale opbrengst per oogst € 24.915,32. [5]
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de tweede kweekruimte dienen volgens het rapport te worden gesteld op € 1.899,49. [6]
In de derde kweekruimte stonden minimaal 218 hennepplanten en/of potten. De opbrengst aan hennep per plant van de derde kweekruimte is minimaal 27,2 gram. De totale bruto-opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 218 planten x 27,2 gram = 5,9296 kilogram. Uitgaande van een opbrengst per kilo van € 4.070,- bedraagt de totale opbrengst per oogst € 24.133,47. [7]
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de derde kweekruimte dienen volgens het rapport te worden gesteld op € 1.876,42. [8]
Aantal oogsten
In het rapport zijn indicaties voor eerdere oogsten beschreven. Die indicaties zijn: de periode, uitgaande van een kweekcyclus van tien weken, stof op de in de kwekerij aanwezige voorwerpen, kalkafzetting en knipschaartjes. Het hof ziet – in overeenstemming met de rechtbank – in het dossier aanwijzingen dat een kortere periode hennep is geteeld dan waarvan het rapport uitgaat. Op 30 januari 2018 heeft een monteur van Enexis de meterkast gecontroleerd. [9] Deze heeft kennelijk geen opvallende zaken gezien of een hennepgeur in de woning geroken. Dat is in lijn met wat door betrokkene zelf en [medeverdachte 2] (medeverdachte in de strafzaak) is verklaard. Daarom moet worden aangenomen dat de hennepkwekerij daarna in werking is getreden. Het hof betrekt verder dat de planten op de invaldag op 9 juli 2018 al (bijna) volgroeid waren. Uitgaande van een kweekperiode van tien weken per oogst is de periode tussen deze data (30 januari 2018 en 9 juli 2018) te kort geweest voor twee voltooide oogsten.
Het hof heeft ter zitting uitgebreid het proces-verbaal over een eerdere warmtemeting aan [adres 2] besproken. Deze warmtemeting (op 11 januari 2018) is op zichzelf onvoldoende om te komen tot een ander oordeel ten aanzien van het aantal oogsten.
Daarom gaat het hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van één oogst.
Voorgaande betekent dat de totale opbrengst van de kwekerij volgens de uitgangspunten in het rapport 'berekening wederrechtelijk verkregen voordeel' (€ 40.400,45 + € 24.915,32 + € 24.133,47 =) € 89.449,24 bedraagt. De in mindering te brengen kosten voor de kwekerij bedragen (€ 2.956,88 + € 1.899,49 + € 1.876,42 =) € 6.732,79. Dus de netto-opbrengst van de kwekerij wordt geschat op (€ 89.449,24 - € 6.732,79 =) € 82.716,45.
Berekening voordeel
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat betrokkene concrete, verifieerbare gegevens zou hebben verstrekt die maken dat de standaardnormen uit het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ niet als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd is onvoldoende aannemelijk geworden om niet de standaardnormen uit het rapport als uitgangspunt te nemen. De verklaringen van anderen over de mindere opbrengst in gewicht en geld zijn niet concreet genoeg om de verklaring van betrokkene op dit punt zodanig te ondersteunen dat dit een alternatieve berekening van het voordeel aannemelijk maakt. Daar staat bijvoorbeeld tegenover dat [medeverdachte 2] bij de politie heeft verklaard dat alle kweekruimtes helemaal vol stonden met hennepplanten. Op de invaldag op 9 juli 2018 trof de politie bovendien (bijna) volgroeide goed verzorgde planten aan in een functionerende hennepkwekerij. Dit was kort voor de hittegolfperiode in de zomer van 2018 waar de verdediging ter onderbouwing van een matige opbrengst naar heeft verwezen. Uit de door de verdediging aangehaalde verklaringen blijkt verder ook niet dat de kwekerij bijvoorbeeld heeft gewisseld van kweekapparatuur of de soort planten, zodat die omstandigheid een verklaring biedt voor de wel goed draaiende kwekerij op 9 juli 2018 en tegelijkertijd een eerdere slechtere opbrengst niet uitsluit. Het hof acht om die redenen niet aannemelijk dat een eerdere oogst (deels) is mislukt door eventueel wisselende temperaturen, terwijl daarbij gebruik werd gemaakt van dezelfde kweekbenodigdheden.
Verdeling voordeel
Het hof ziet voldoende aanwijzingen en acht aannemelijk geworden dat medebetrokkene [medeverdachte 2] en de eigenaar van de woning, [medeverdachte 1] wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. Op basis van het dossier is onvoldoende inzicht gegeven en bekend over de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel. Daarom ziet het hof aanleiding een pondspondsgewijze verdeling toe te passen, zodat het per betrokkene behaalde voordeel wordt geschat op (€ 82.716,45 / 3 =) € 27.572,15.
Overige kosten
Aangezien medebetrokkene [medeverdachte 2] in overeenstemming met betrokkene heeft verklaard dat [medeverdachte 2] ongeveer € 150,- van betrokkene heeft ontvangen voor onder andere zijn knipwerkzaamheden, zal het hof dit in mindering brengen op het door betrokkene behaalde voordeel.
Voor wat betreft de aangevoerde kostenpost van € 1.200,- aan energiekosten heeft betrokkene dit bedrag – naar eigen zeggen – betaald aan [medeverdachte 1] ; de eigenaar van de woning. Deze kosten heeft betrokkene echter uit een andere verplichting betaald aan [medeverdachte 1] en houden geen verband met de gemaakte kosten ten aanzien van het behaalde voordeel met de hennepkwekerij. Om die reden zal het hof deze niet meenemen in de berekening van het door betrokkene behaalde voordeel.
Alles afwegende schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene op een bedrag van (€ 27.572,15 - € 150,- =) € 27.422,15.
Overschrijding redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is het recht van de betrokkene gewaarborgd om binnen een redelijke termijn een beslissing op een ontnemingsvordering te ontvangen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling moet zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Betrokkene heeft op 10 februari 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 3 april 2026 uitspraak doet. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaren. Bij de bepaling van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn houdt het hof ook rekening met de overschrijding daarvan bij de berechting in eerste aanleg.
Omdat met de schending van de redelijke termijn ruimschoots rekening is gehouden in de opgelegde straf in de hoofdzaak, acht het hof de schending van de redelijke termijn voldoende gecompenseerd. Het hof ziet daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 27.422,15.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 27.422,15 (zevenentwintigduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en vijftien cent).
Legt betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 27.422,15 (zevenentwintigduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en vijftien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 274 dagen.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. R. Godthelp en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 3 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Oost-Nederland, [district] , [team] , met registratienummer PL0600-2019047256 Z van onderzoek DOTAN met onderzoeksnummer ON1R018042, afgesloten op 8 februari 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 123 van het politiedossier.
3.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 123-125 van het politiedossier.
4.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 126 van het politiedossier.
5.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 126 van het politiedossier.
6.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 127 van het politiedossier.
7.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 127-128 van het politiedossier.
8.Een geschrift, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 12 september 2018, p. 128-129 van het politiedossier.
9.Het proces-verbaal van bevindingen met volgnummer 22 van 8 februari 2021 opgemaakt door [naam] , inspecteur van de Eenheid Oost-Nederland, losbladig en ongenummerd.