Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2198

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.361.316/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezag moeder wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging minderjarigen

De rechtbank Noord-Nederland heeft het gezag van de moeder over haar twee jongste kinderen beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemd vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

De feiten tonen aan dat er sinds 2017 meerdere zorgmeldingen waren over partnergeweld, vermoedens van kindermishandeling en middelengebruik door de moeder. Ondanks diverse hulpverleningstrajecten, waaronder het KINGS-traject en ambulante hulp, is de opvoedingssituatie niet verbeterd. De kinderen zijn sinds juli 2024 uithuisgeplaatst bij pleegouders en hebben begeleide omgang met de moeder.

Het hof oordeelt dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kan hervatten, waardoor het belang van de kinderen bij een stabiele en veilige woonomgeving voorop staat. De complexe familiedynamiek en het bestaan van familiegeheimen onderstrepen de noodzaak van een externe voogd. Het hof wijst een lichtere maatregel af en bevestigt de beëindiging van het gezag, waarbij de moeder een rol als moeder op afstand kan blijven vervullen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de twee minderjarigen en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.316/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 244987)
beschikking van 14 april 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige3] en [de minderjarige4]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim te houden adres,
advocaat: mr. M.J. Flach te Groningen,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
die is gevestigd in Groningen,
en
[belanghebbenden](de pleegouders),
die wonen in [woonplaats] .

1.Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige3] en [de minderjarige4] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft vier kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2023, en
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2024.
2.2.
[naam1] (hierna: de vader) is de vader van [de minderjarige3] . De vader heeft [de minderjarige3] erkend. Hij heeft geen gezag over [de minderjarige3] . De relatie tussen de moeder en de vader is in de periode dat de moeder zwanger was van [de minderjarige4] verbroken.
2.3.
[de minderjarige3] is op 16 april 2024 onder toezicht van de GI gesteld. [de minderjarige4] is vanaf zijn geboorte onder toezicht van de GI gesteld. De ondertoezichtstelling van de beide jongens is op 1 april 2025 verlengd tot 15 april 2026.
2.4.
[de minderjarige3] en [de minderjarige4] zijn op 4 juli 2024 met een machtiging uithuisgeplaatst bij de pleegouders. [de minderjarige3] en [de minderjarige4] hebben een keer in de twee weken gedurende een uur begeleide omgang met de moeder bij de pleegouders.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder over beide jongens te beëindigen.
3.2.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 5 augustus 2025. Door deze beslissing van de rechtbank is de ondertoezichtstelling van beide jongens komen te vervallen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof om de beslissing van de rechtbank te vernietigen en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de moeder, binnengekomen op 5 november 2025;
  • een journaalbericht namens de moeder van 3 december 2025 met bijlagen;
  • het verweerschrift;
  • een journaalbericht namens de moeder van 6 februari 2026 met bijlagen.
4.4.
De zitting bij het hof was op 17 februari 2026 en tijdens de zitting zijn ook de zaken over de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] behandeld. Aanwezig voor deze zaak waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, en
  • de pleegouders.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
5.3.
Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind. Een dergelijke inmenging is slechts gerechtvaardigd als het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechter dient na te gaan of een gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het beoogde resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel). [3]
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen).
5.5.
Vanaf 2017 worden er jaarlijks meerdere zorgmeldingen gedaan over partnergeweld en vermoedens van kindermishandeling in het gezin van de moeder en middelengebruik door de moeder. Naar aanleiding van de zorgmeldingen worden verschillende vormen van hulpverlening ingezet, waaronder het KINGS -traject (kind in gezond systeem) bij [naam2] . In 2023 vinden meerdere geweldsincidenten plaats tussen de moeder en haar partner. Op
14 oktober 2023 wordt de moeder met haar drie kinderen bij [naam3] opgenomen voor ouderschapsdiagnostiek. De moeder is op dat moment zwanger van [de minderjarige4] . Het WIJ -team heeft grote zorgen over de structurele en chronische onveiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. [naam3] heeft tijdens de opname verwaarlozing van de kinderen gezien en de moeder is snel boos en reageert dan onredelijk. In april 2024, na de geboorte van [de minderjarige4] , constateert de aanwezige kraamzorg dat het de moeder niet voldoende lukt om de kinderen liefdevol te behandelen en dat zij te druk is met haar eigen problemen, terwijl de kraamzorg en de opvoedondersteuners van [naam3] alle taken op zich hebben genomen. In mei 2024 word gezien dat de moeder door onjuiste keuzes een slaaptekort heeft en daardoor niet goed functioneert en onvoldoende beschikbaar is voor de kinderen. Zo valt zij vaak in slaap terwijl zij [de minderjarige4] aan het voeden is. Dit zorgt voor zorgen over de veiligheid van [de minderjarige4] in de nacht. Eind juni 2024 wordt duidelijk dat de moeder moeite heeft om zich in [de minderjarige3] en [de minderjarige4] te verplaatsen en dat het spelen met hen onnatuurlijk verloopt. De moeder zet snel een scherm in, terwijl aan de moeder wel is geleerd hoe dit anders kan. Ook laat de moeder de spanning uit het contact met de vader doorwerken in haar contact met [de minderjarige3] en [de minderjarige4] . De moeder ontkent de grote zorgen die er zijn. Op 4 juli 2024 worden [de minderjarige3] en [de minderjarige4] uithuisgeplaatst. In de eerste periode bij de pleegouders laat [de minderjarige3] druk gedrag zien. Na enkele maanden zien de pleegouders dat [de minderjarige3] en [de minderjarige4] meer ontspannen worden in hun nabijheid en zich steeds meer gaan hechten. Het hof concludeert dat op basis van deze (voldoende vaststaande) feiten en omstandigheden er ernstige zorgen zijn over hun ontwikkeling.
5.6.
Verder staat (voldoende) vast dat de moeder sinds 2018 verschillende vormen van hulpverlening heeft ontvangen. In de periode van 1 mei 2018 tot 18 juni 2021 heeft de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] het KINGS -traject bij [naam2] gevolgd. Daarna, tot mei 2022, ontvangt de moeder ambulante hulpverlening ( [naam4] ). In oktober 2023 wordt de moeder samen met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] opgenomen bij [naam3] voor ouderschapsdiagnostiek. Op 4 juli 2024 eindigt de opname van de moeder bij [naam3] . De moeder ontvangt daarna hulpverlening van [naam5] , gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen de moeder en de beide oma’s, die netwerkpleeggezin zijn voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , en van WIJ Basis Jeugdhulp , gericht op ondersteuning van de moeder in haar rol van moeder op afstand. In de verschillende hulpverleningstrajecten is gebleken dat moeder niet altijd voldoende meewerkt aan de hulpverlening, maar vooral dat de opvoedingssituatie niet is verbeterd. De moeder blijkt beperkt leerbaar; ondanks intensieve ondersteuning lukt het haar niet om zich voldoende op haar kinderen te richten en haar opvoedrol voldoende in te vullen en de juiste keuzes in het belang van de kinderen te maken. Dit blijkt ook uit het feit dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige3] en [de minderjarige4] nog steeds begeleid plaatsvindt, omdat anders de veiligheid onvoldoende kan worden gegarandeerd. Nu er jarenlang sprake is geweest van intensieve hulpverlening en die hulpverlening niet voldoende heeft geholpen, oordeelt het hof dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder de verzorging en opvoeding weer zelf op zich kan nemen, is verstreken.
5.7.
[de minderjarige3] woont sinds hij anderhalf jaar is bij de pleegouders en [de minderjarige4] sinds zijn geboorte. De pleegouders zijn in hun jonge leven hun primaire hechtingsfiguren en het is voor hen belangrijk om duidelijkheid te hebben over waar zij wonen en blijven wonen. In augustus 2024 heeft de GI besloten dat het perspectief van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij de pleegouders ligt. De moeder lijkt op dit moment deze situatie te accepteren, maar gebleken is dat haar acceptatie niet duurzaam en consequent is.
5.8.
Uit de stukken en uit dat wat ter zitting is besproken, blijkt dat de familiedynamieken complex zijn. In ieder geval binnen de familie van moederszijde lijkt de mentaliteit te bestaan dat problemen binnen de familie moeten blijven en dat daarover niet gepraat mag worden met mensen van buiten de familiekring. En er zijn (familie)geheimen. Een familiegeheim is dat de vader, die is gepresenteerd als de biologische vader van [de minderjarige4] en die als zodanig ook een rol in het leven van [de minderjarige4] heeft, niet de biologische vader van [de minderjarige4] is. De moeder heeft bewust voor deze situatie gekozen en zij heeft niet stilgestaan bij de gevolgen hiervan. Deze omstandigheden onderstrepen het belang van de aanwezigheid van de GI als een externe voogd.
5.9.
Nu thuisplaatsing van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij de moeder niet meer kan en daar ook niet meer naar toegewerkt kan worden, het in het belang van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] is dat zij duidelijkheid over hun opgroeiperspectief hebben en de aanwezigheid van een externe voogd in hun leven essentieel is, is er geen ruimte voor een lichtere maatregel dan het beëindigen van het gezag van de moeder.
5.10.
Tijdens de zitting gaf de moeder aan dat het sinds twee maanden beter met haar gaat en dat ze dit goed vol kan houden. Het hof complimenteert de moeder met de stappen die zij zet en de opgaande lijn die zij sinds kort laat zien. De GI heeft aangegeven te willen dat de moeder in het leven van de kinderen betrokken blijft en de moeder heeft ter zitting bevestigd dat dit in de praktijk ook gebeurt. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een goede moeder op afstand kan zijn. Dit is in het belang van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 augustus 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. B.J. Engberts en mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 14 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW.
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind.
3.Artikel 8 EVRM Pro.