Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2214

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
21-004581-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 316 SrArt. 353 SrArt. 350 SrArt. 66 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vernieling en mishandeling jeugdige verdachte niet-ontvankelijk en vrijspraak

In deze jeugdzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de kinderrechter Midden-Nederland. De verdachte werd door de kinderrechter veroordeeld voor vernieling in de woning van zijn moeder en mishandeling van zijn ex-vriendin, met oplegging van een taakstraf en jeugddetentie.

Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de vernieling omdat niet is voldaan aan het klachtvereiste dat geldt voor dit relatief klachtdelict. De moeder van verdachte had wel aangifte gedaan, maar uit haar verklaring bleek onvoldoende dat zij wilde dat haar zoon strafrechtelijk vervolgd zou worden. Daarnaast had zij haar klacht buiten de termijn willen intrekken.

Ten aanzien van de mishandeling van de ex-vriendin stelde het hof vast dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om de tenlastelegging bewezen te verklaren. De verklaringen liepen uiteen en het aanwezige letsel kon ook passen binnen de verklaring van verdachte. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde werkstraffen werden afgewezen omdat verdachte niet is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Het hof vernietigde het vonnis van de kinderrechter en deed opnieuw recht door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren voor vernieling en verdachte vrij te spreken van mishandeling. De vorderingen tot tenuitvoerlegging werden afgewezen.

Uitkomst: Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard voor vernieling en verdachte vrijgesproken van mishandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004581-25
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 oktober 2025 met parketnummer 16-154509-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 05-158561-23, 16-075086-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 maart 2026 en op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Van Viegen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De kinderrechter heeft verdachte voor vernielingen gepleegd in de woning van zijn moeder en de mishandeling van zijn ex-vriendin veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, waarvan veertig uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Daarnaast heeft de kinderrechter ten aanzien van de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging telkens beslist tot verlenging van de proeftijd.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de kinderrechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk
- meerdere, althans een, muren en/of deuren en/of
- inboedel van een woning,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of woningbouwvereniging [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,
- te slaan in het gezicht van die [slachtoffer 3] en/of
- die [slachtoffer 3] bij de keel te grijpen en die keel (meerdere seconden) dicht te knijpen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vernielingen gepleegd in de woning van zijn moeder. Uit artikel 316, tweede lid en artikel 353 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat artikel 350 Sr Pro een relatief klachtdelict is. Dit betekent dat indien de verdachte een bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte lijn, hetzij in de tweede graad van de zijlijn, is van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, de vervolging alleen plaatsvindt als door de klachtgerechtigde een klacht is ingediend tegen de verdachte. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte alleen kan worden vervolgd voor vernieling als de aangever ook kenbaar heeft gemaakt dat zij wil dat de verdachte wordt vervolgd.
Het hof stelt vast dat de klacht
nietvolgens artikel 66, eerste lid, Sr is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de identiteit van de verdachte aan de klachtgerechtigde bekend werd. De vervolging stuit daarop als uitgangspunt af. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de vervolging zonder formele of tijdige klacht toch mogelijk is als binnen de gestelde termijn van drie maanden voldoende blijkt dat de klager de wens had dat een vervolging zou worden ingesteld.
Het hof is van oordeel dat de moeder van verdachte op 16 januari 2025 weliswaar aangifte heeft gedaan, maar dat daaruit niet zonder meer volgt dat de moeder ook de wens heeft gehad dat haar zoon zou worden vervolgd. Ze heeft in de aangifte immers aangegeven dat zij aangifte doet om de schade te verhalen, maar vooral omdat ze wil dat haar zoon hulp krijgt bij zijn problemen. Naar het oordeel van het hof is daarmee onvoldoende gebleken dat bij moeder een wens tot strafvervolging bestond, zodat niet voldaan is aan het hiervoor weergegeven vereiste zoals door de Hoge Raad geformuleerd. Daar komt nog bij dat aangeefster op 8 oktober 2024 te kennen heeft gegeven dat zij haar klacht - weliswaar eveneens buiten de daarvoor geldende termijn - wenst in te trekken.
Nu niet voldaan is aan het klachtvereiste wordt het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard.

Vrijspraak feit 2 (mishandeling ex-vriendin)

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld wat er precies gebeurd is. De verklaringen lopen daarvoor teveel uiteen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat verdachte aangeefster daadwerkelijk heeft geslagen, dan wel bij haar keel heeft gegrepen. Een enkele aangifte is niet voldoende om tot het bewijs van een strafbaar feit te komen, terwijl voor de aangifte in het onderhavige dossier te weinig steunbewijs is te vinden. Het hof overweegt daarbij dat de foto van het letsel bij aangeefster ook past binnen de verklaring van verdachte over hetgeen er gebeurd zou zijn, terwijl de verklaring van de moeder van verdachte dat zij verdachte en aangeefster heeft horen kibbelen eveneens te weinig steun oplevert voor het feit dat verdachte aangeefster zou hebben mishandeld. Daar komt bij dat de getuige [getuige] aangeefster weliswaar heeft horen roepen ‘ [verdachte] , niet doen’, maar dit kan – gelet op het feit dat verdachte in hetzelfde tijdsbestek ook met zijn vuisten op de muren sloeg – ook daarop hebben gezien. Daarmee is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde mishandeling.
De verdachte zal daarom van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging (05-158561-23)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2023 met parketnummer 06-158561-23 voorwaardelijk opgelegde werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu verdachte niet is veroordeeld voor het plegen van enig strafbaar feit zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Vordering tenuitvoerlegging (16-075086-23)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2023 met parketnummer 16-075086-23 voorwaardelijk opgelegde werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu verdachte niet is veroordeeld voor het plegen van enig strafbaar feit zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het
openbaar ministerieter zake van het onder 1 tenlastegelegde
niet-ontvankelijkin de vervolging.
Verklaart
niet bewezendat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan
vrij.
Wijst afde vordering van de officier van justitie van 16 juli 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2023, parketnummer 05-158561-23, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.
Wijst afde vordering van de officier van justitie van 16 juli 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Utrecht van 12 oktober 2023, parketnummer 16-075086-23, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. S. Bek, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 maart 2026.