Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2222

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
21-004540-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging tot doodslag en diefstal met geweld met oplegging gevangenisstraf

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 april 2026 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en doet opnieuw recht in hoger beroep. Verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag op het slachtoffer, maar veroordeeld voor diefstal met geweld, poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag op twee politieagenten.

De feiten betreffen een gewelddadige woningoverval waarbij verdachte goederen van het slachtoffer heeft weggenomen onder gebruik van geweld. Vervolgens negeerde verdachte een stopteken van de politie en reed met hoge snelheid op een dienstvoertuig in, terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen. Het hof achtte bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval heeft aanvaard.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht jaar op, welke het hof bevestigt. Daarnaast is een schadevergoeding van €9.070,64 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof verwierp het verweer van vormverzuim en oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag, diefstal met geweld en poging tot zware mishandeling, met toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004540-24
Uitspraakdatum: 14 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 4 oktober 2024 met parketnummer 16-100999-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [locatie] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 31 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 oktober 2024. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. P. van der Geest, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 4 oktober 2024, waartegen het hoger beroep is gericht:
  • verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde;
  • verdachte veroordeeld voor het onder 1, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde;
  • een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest;
  • de vordering van de [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 6.570,64, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de overige door de [benadeelde] gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard en de overig gevorderde immateriële schade afgewezen.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 22 maart 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, een autosleutel en/of een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ) en/of een telefoon en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde] vast te pakken/grijpen en/of
- die [benadeelde] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of
- die [benadeelde] op de grond te gooien en/of
- de keel van die [benadeelde] dicht te knijpen en/of vast te pakken en/of
- de neus van die [benadeelde] dicht te knijpen en/of tegelijkertijd een hand voor de mond van die [benadeelde] te doen (waardoor die [benadeelde] geen adem kon halen).
2.
primair
hij op of omstreeks 22 maart 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven,
- die [benadeelde] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of
- die [benadeelde] op de grond te gooien en/of
- de keel van die [benadeelde] dicht te knijpen en/of vast te pakken en/of
- de neus van die [benadeelde] dicht te knijpen en/of tegelijkertijd een hand voor de mond van die [benadeelde] te doen (waardoor die [benadeelde] geen adem kon halen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
subsidiair
hij op of omstreeks 22 maart 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [benadeelde] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of
- die [benadeelde] op de grond te gooien en/of
- de keel van die [benadeelde] dicht te knijpen en/of vast te pakken en/of
- de neus van die [benadeelde] dicht te knijpen en/of tegelijkertijd een hand voor de mond van die [benadeelde] te doen (waardoor die [benadeelde] geen adem kon halen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. primair
hij op of omstreeks 23 maart 2024 te [plaats 1] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , opzettelijk van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, met een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ) rijdende op de A16 met hoge snelheid, te weten (ongeveer) 123 kilometer per uur, tegen (de linker achterkant van) het voertuig waarin die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten, te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
subsidiair
hij op of omstreeks 23 maart 2024 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk meermaals, althans eenmaal, met een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ) rijdende op de A16 met hoge snelheid, te weten (ongeveer) 123 kilometer per uur, tegen (de linker achterkant van) het voertuig waarin die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten, heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
meer subsidiair
hij op of omstreeks 23 maart 2024 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, locatie, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- onder invloed van verdovende middelen, te weten cannabis en cocaïne;
- meermaals, althans eenmaal, met een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ) voor een langere periode rijdende op de A16 met hoge snelheid, te weten (ongeveer) 123 kilometer per uur, tegen (de linker achterkant van) het voertuig waarin die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten, te rijden, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het onder 1 en het onder 2 (subsidiair) tenlastegelegde
Verdachte heeft deze feiten ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk en ondubbelzinnig bekend. De raadsman heeft in hoger beroep tegen die feiten daarom ook geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van het onder 3 (primair) tenlastegelegde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat het onder 3 primair tenlastegelegde - de poging tot doodslag - wettig en overtuigend kan worden bewezen. De advocaat-generaal volgt daarin de lezing van de verbalisanten en heeft daarbij ook verwezen naar de dashcambeelden. Volgens de advocaat-generaal is verdachte degene die welbewust op het dienstvoertuig is ingereden, waarmee hij een levensgevaarlijke situatie heeft gecreëerd en de mogelijk dodelijke gevolgen van zijn handelen bewust heeft aanvaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 3 meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdediging betwist de door de rechtbank vastgestelde feiten en de juridische kwalificatie daarvan. Verdachte zou niet op het dienstvoertuig zijn ingereden en wilde zich alleen onttrekken aan zijn staandehouding. In dat kader heeft de raadsman verzocht om de feiten vast te stellen zoals ze door de verdediging zijn voorgehouden en de lezing van verdachte daarin te volgen, namelijk dat er slechts één contactmoment is geweest tussen beide voertuigen en dat verdachte niet instuurde richting het politievoertuig, maar reageerde op het insturen door de politie waardoor de voertuigen elkaar raakten. Wanneer wordt uitgegaan van het door de verdediging geschetste scenario is er volgens de raadsman geen sprake van voorwaardelijk opzet en was er evenmin sprake van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel van het hof
Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 3 primair tenlastegelegde. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Vaststelling van de feiten
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder nadrukkelijk de eigen waarnemingen van het hof, de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op de avond van 22 maart 2024 komt er bij de politie een melding binnen van een woningoverval op een tachtig jarige man in [plaats 1] . Tijdens die woningoverval - die ten laste is gelegd onder 1 en 2 - wordt onder andere de personenauto van aangever weggenomen. Dat betreft een Ford Focus met [kenteken] . Naar aanleiding van die binnengekomen melding en verdenking, wordt het kenteken van dit voertuig die nacht in de ANPR gezet, waarna er die nacht om 01:02 uur een ANPR-hit volgt, waarbij het voertuig op dat moment op de A16 rijdt. Gelet daarop besluiten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] die daar bezig zijn met een verkeerssurveillance, om de bestuurder van het voertuig een stopteken te geven met als doel om het voertuig mee te nemen voor een controle. De verbalisanten rijden op dat moment in een Audi A6, een snel interventie voertuig van de politie - hierna: dienstvoertuig - die zowel aan de voor- als achterzijde is uitgerust met dashcams. Verdachte besluit vervolgens om het stopteken te negeren en stuurt de auto direct naar links, waarbij de verbalisanten hem daarin volgen, om te voorkomen dat verdachte aan hen passeert. Vervolgens ontstaat op de snelweg een situatie waarbij verdachte wil ontkomen aan de politie, en de politie dat, mede gelet op de ernstige verdenking, wil voorkomen. Uiteindelijk wordt het dienstvoertuig door de Ford Focus aan de linker achterkant geraakt en verliest verdachte de macht over het stuur, waarna hij met de auto tegen de vangrail terecht komt. Vervolgens heeft verdachte de auto kunnen verlaten en heeft hij geprobeerd om te voet verder te vluchten voor de politie.
Ten tijde van het tenlastegelegde is het nacht, is er sprake van regenval en zijn op de weg andere verkeersdeelnemers aanwezig, zoals zichtbaar is op de dashcambeelden. De beelden van de dashcam die zijn gemaakt vanuit het dienstvoertuig zijn ter terechtzitting in hoger beroep getoond. Op die beelden is een vangrail zichtbaar en is te zien dat met hoge snelheden wordt gereden.
Het hof stelt daarnaast vast dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde de auto heeft bestuurd terwijl hij op dat moment onder invloed was van cannabis en cocaïne; dat heeft verdachte ook bevestigd. Verder staat vast dat verdachte wilde ontkomen aan de politie, hetgeen verdachte in hoger beroep opnieuw heeft verklaard. Verdachte heeft daarnaast erkend dat hij het stopteken, dat voor hem was bedoeld, heeft gezien en bewust heeft genegeerd.
Het hof stelt verder vast dat er twee verschillende lezingen bestaan.
Enerzijds de lezing van de verbalisanten en anderzijds de lezing van verdachte. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben in hoofdlijnen verklaard dat verdachte op hen is ingereden. Volgens de verbalisanten zijn zij aan de linker achterkant van het voertuig geraakt door de Ford Focus, waar verdachte op dat moment in reed. Volgens verdachte is er sprake geweest van één moment dat de auto’s elkaar hebben geraakt en werd er juist door de verbalisanten op hem ingereden. Hoewel verdachte erkent dat hij wilde ontkomen aan de politie, ontkent hij stellig dat hij al dan niet bewust op het dienstvoertuig zou zijn ingereden.
Daarnaast is er nog een proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2024, waarin door [verbalisant 3] de door haar bekeken dashcambeelden van het dienstvoertuig zijn beschreven. [verbalisant 3] beschrijft over het ontstaan van het moment dat de voertuigen elkaar raken dat zij op de beelden ziet dat het zilverkleurige voertuig - de Ford Focus waar verdachte in reed - richting de achterzijde van het dienstvoertuig beweegt. Vervolgens beschrijft zij dat het rijpatroon en de positie (
het hof begrijpt: van het dienstvoertuig) op dat moment wordt verstoord en dat de beelden snel van links naar rechts bewegen, wat volgens de verbalisant kan duiden op het corrigeren van de positie van het dienstvoertuig na de impact van het zilverkleurige voertuig, de Ford Focus. Verder beschrijft [verbalisant 3] dat rechtsonder in beeld zichtbaar is dat met het dienstvoertuig op dat moment een snelheid van 123 kilometer per uur wordt gereden.
Dat de auto’s elkaar op een bepaald moment hebben geraakt en dat daardoor schade is ontstaan wordt op zichzelf niet betwist. Uit de eigen waarneming van het hof van de dashcambeelden volgt dat terwijl er op hoge snelheid wordt gereden, namelijk met een snelheid van 123 kilometer per uur, er een beweging in het dienstvoertuig zichtbaar is. Uit die beelden volgt ook dat, voordat de Ford Focus het dienstvoertuig raakt, de snelheid van beide voertuigen is verhoogd nu daarvoor met 114 kilometer per uur werd gereden. Op de beelden is verder te zien dat de Ford Focus - waar verdachte op dat moment de bestuurder van is – vanaf de achterkant komt en een duidelijk zichtbare stuurbeweging naar rechts maakt en daardoor het dienstvoertuig aan de linker achterzijde raakt.
De kwalificatie van het handelen
Nu het hof de feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of die een poging tot doodslag - het primair tenlastegelegde - opleveren.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag dient het hof vast te stellen dat verdachte zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op de dood van het slachtoffer of de slachtoffers. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval op de dood, is naar geldend recht aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het dient daarbij te gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
In aanvulling daarop acht het hof de volgende overweging van de Hoge Raad van belang:
‘Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak […] gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’(vgl. HR 29 mei 2018, ECLI 2018:718, J NJ 2019).
Voorwaardelijk opzet
Allereerst is hiervoor de voorgeschiedenis van belang. Verdachte heeft na een gewelddadige overval op een oudere man in diens woning - onder andere - diens auto weggenomen, waarmee hij vervolgens is gaan rijden. Nadat aan hem door de politie een stopteken wordt gegeven, besluit verdachte dat stopteken bewust te negeren en wil hij ontkomen aan de politie. Het hof stelt vast dat daardoor op dat moment op de weg al een gevaarlijke situatie gaande is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte daarnaast op dat moment onder invloed rijdt, hetgeen op zichzelf ook al een gevaarlijke situatie kan opleveren. Terwijl verdachte wil ontkomen in een relatief krappe wegsituatie tussen vangrails, andere weggebruikers en op een snelweg waar met hoge snelheden wordt gereden, wil de politie dat voorkomen. Of de beide voertuigen daarbij al met elkaar in aanraking komen, kan het hof niet vaststellen, maar dat de situatie op dat moment voor iedereen overduidelijk kenbaar gevaarlijk is, staat naar het oordeel van het hof buiten kijf. Het hof overweegt verder dat op een gegeven moment beide auto’s naast elkaar rijden, waarbij verdachte links rijdt en zichtbaar is dat de Ford Focus in de richting van het dienstvoertuig komt en er een contactmoment tussen beide auto’s plaatsvindt. Het dienstvoertuig wordt dan, terwijl zij met hoge snelheid rijden, door de Ford Focus aan de linker achterkant geraakt. Het hof overweegt in dat kader dat sprake is van een zichtbare stuurbeweging door verdachte als bestuurder van de Ford. Een dergelijke stuurbeweging kan naar het oordeel van het hof slechts bewust worden gemaakt. Het hof stelt vast dat het verdachte is die instuurt en dat niet door de verbalisanten wordt ingestuurd op de Ford, zoals verdachte dat stelt. Het hof benadrukt daarbij dat op het moment van de aanrijding door het dienstvoertuig al met een snelheid van 123 kilometer per uur wordt gereden, zoals dat is geregistreerd en volgt uit de dashcambeelden.
Aangever [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij, als bestuurder van het dienstvoertuig, nadat dat door de Ford wordt geraakt een sterke voorwaartse en zijwaartse kracht op het dienstvoertuig voelde, waardoor dat ernstig ging slingeren over de rijstrook en hij de controle over het voertuig kwijt was. [verbalisant 2] beschrijft het in zijn aangifte als dat ze aan een levensgevaarlijke crash ontkomen zijn. Aangever [verbalisant 1] heeft ook verklaard dat zijn collega [verbalisant 2] het voertuig met moeite onder controle kon houden, nadat dat werd geraakt door de Ford Focus. Beide verbalisanten verklaren dat verdachte degene is die op hen is ingereden.
Onder de hierboven weergegeven omstandigheden leveren de gedragingen van verdachte naar het oordeel van het hof een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op een dodelijk verkeersongeval op. Daarbij speelt onder andere het rijgedrag van verdachte, de bewuste stuurbeweging door verdachte, het moment dat en de wijze waarop de auto’s elkaar raken, de omstandigheid dat verdachte aan het vluchten is en de hoge snelheid die op dat moment wordt gereden een rol. De enkele omstandigheid dat de verbalisanten speciale rijopleidingen hebben gevolgd en in een - volgens de raadsman zwaar en veilig - dienstvoertuig reden, doet aan voorgaande niet af.
In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte een uitwijkmanoeuvre heeft verricht of heeft geprobeerd om (af) te remmen. Verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat dat achteraf misschien verstandiger was geweest.
Uit het voorgaande volgt niet alleen dat verdachtes gedrag een aanmerkelijke kans op een dodelijk verkeersongeval creëerde, maar ook dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Die bewuste aanvaarding wordt onderstreept doordat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard “koste wat het kost” wilde ontkomen aan de politie, terwijl verdachte ook een andere keuze had. Dat volgt ook uit de omstandigheid dat verdachte - zelfs nadat hij met de auto in de vangrail tot stilstand is gekomen - besluit om te gaan rennen om zich aan zijn staandehouding te blijven onttrekken.
Conclusie
Het hof acht op basis van voorgaande overwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 primair tenlastegelegde: een poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 22 maart 2024 te [plaats 1] , een autosleutel en een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ) en een telefoon en een portemonnee, die geheel aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door
- die [benadeelde] vast te grijpen en
- die [benadeelde] tegen het lichaam te slaan en
- die [benadeelde] op de grond te gooien en
- de keel van die [benadeelde] dicht te knijpen en vast te pakken en
- de neus van die [benadeelde] dicht te knijpen en tegelijkertijd een hand voor de mond van die [benadeelde] te doen waardoor die [benadeelde] geen adem kon halen.
2. subsidiair
hij op 22 maart 2024 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [benadeelde] tegen het lichaam heeft geslagen en
- die [benadeelde] op de grond heeft gegooid en
- de keel van die [benadeelde] heeft dichtgeknepen en vastgepakt en
- de neus van die [benadeelde] heeft dichtgeknepen en tegelijkertijd een hand voor de mond van die [benadeelde] heeft gedaan waardoor die [benadeelde] geen adem kon halen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. primair
hij op 23 maart 2024 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opzettelijk van het leven te beroven, met een voertuig (Ford Focus, [kenteken] ) rijdende op de A16 met hoge snelheid, te weten ongeveer 123 kilometer per uur, tegen de linker achterkant van het voertuig waarin die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten, is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 en onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
en
poging tot zware mishandeling.
Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft, conform de beslissing van de rechtbank, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest, geëist.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging naar voren gebracht dat eventuele hulpverlening zou kunnen worden geboden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). De raadsman heeft verzocht om, mede gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde, de op te leggen gevangenisstraf te matigen. Met het oog op de LOVS-oriëntatiepunten zou volgens de raadsman eerder sprake moeten zijn van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat er bij de aanhouding sprake is geweest van een vormverzuim doordat er gericht op verdachte is geschoten. Dat zou volgens de raadsman tot strafvermindering moeten leiden.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een eendaadse samenloop van diefstal met geweld en poging tot zware mishandeling. Die feiten hebben plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, een oudere man en tevens bekende van verdachte, waarbij het slachtoffer letsel heeft opgelopen en er verschillende spullen van hem zijn weggenomen. Verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voor de persoonlijke eigendommen en levenssfeer van de ander. Deze feiten moeten voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest, temeer nu die hebben plaatsgevonden in zijn eigen woning; een plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Slachtoffers van een dergelijk geweldsdelict kunnen daar nog lange tijd de psychische gevolgen van ondervinden. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door financieel gewin, zonder op dat moment stil te staan bij de impact die het op een slachtoffer kan hebben.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van twee verbalisanten. Verdachte heeft met zijn gedrag laten zien geen enkel respect te hebben voor de veiligheid van de betreffende agenten en zelfs niet voor hun leven. Dat moet voor de dienstdoende verbalisanten een onzekere en beangstigende situatie zijn geweest. Dergelijke feiten brengen bovendien in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.
Als reactie op feiten zoals bewezenverklaard is naar het oordeel van het hof in beginsel oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
De verdachte
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 26 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Daarnaast volgt uit het strafblad van verdachte dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten gepleegd in België. Het hof neemt de justitiële documentatie van verdachte in strafverzwarende zin mee bij de op te leggen straf.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden en de achtergrond van zijn strafbare handelen onder meer naar voren gebracht dat hij nooit stabiliteit heeft gekend in zijn leven en dat er vaak geldproblemen waren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij nu hij in detentie zit hulp krijgt van een psycholoog en dat hij drie kinderen heeft, waarvan hij met één ook contact heeft.
Daarnaast heeft het hof kennis genomen van een, inmiddels enigszins verouderd, reclasseringsadvies van 29 augustus 2024. Daaruit volgt onder meer dat sprake is van een delictpatroon wat betreft vermogen en agressie en dat door de reclassering problemen worden gezien op vrijwel alle leefgebieden zoals huisvesting, werk en financiën en dat er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek. Verder beschrijft de reclassering dat gesproken kan worden van een antisociaal gedragspatroon en agressie en dat er geen diagnostiek is, waardoor het geven van een advies niet mogelijk is en de risico’s ook niet kunnen worden ingeschat.
Het hof heeft ter zitting zorgen geuit over hoe het kan dat verdachte kennelijk zo gemakkelijk tot zulke ernstige strafbare feiten heeft kunnen komen. Die zorgen hebben het hof aanleiding gegeven te overwegen of het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte plaatsvindt. Uiteindelijk heeft het hof onvoldoende aanleiding daartoe gevonden. Het hof zal daarom overgaan tot afstraffing van verdachte.
Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
De raadsman heeft met betrekking tot de op te leggen straf aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de raadsman heeft de verbalisant de ambtsinstructie geschonden door zijn vuurwapen te gebruiken en gericht op verdachte te schieten om hem aan te kunnen houden. Volgens de raadsman was de identiteit van verdachte al bekend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit onherstelbare vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering.
Het hof overweegt daarover als volgt.
In de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) - in het bijzonder in artikel 7, eerste lid, is vastgelegd wanneer het geoorloofd is om gebruik te maken van een vuurwapen. In dat artikel is onder meer bepaald dat het gebruik van een vuurwapen is geoorloofd om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken of heeft onttrokken, terwijl hij wordt verdacht van het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld met daaronder een aantal nadere bepalingen.
In het tweede lid van artikel 7 Ambtsinstructie Pro is bepaald dat in de in lid 1 aanhef en onder b bedoelde gevallen van het vuurwapen geen gebruik mag worden gemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
Het hof overweegt dat namens verdachte niet is betwist dat zich een geval als bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef Pro en onder b Ambtsinstructie voordeed. Het vormverzuim bestaat volgens de verdediging hierin dat de identiteit van verdachte bekend was en dat uitstel van aanhouding niet onaanvaardbaar was.
Het hof oordeelt anders.
Uit het dossier blijkt niet dat de identiteit van verdachte voor de dienstdoende verbalisanten op het moment van aanhouding bekend was. De verbalisanten beschikten, voor zover bekend en op basis van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld, niet over meer informatie dan dat het ging om een verdachte die wordt verdacht van het plegen van een gewelddadige woningoverval. Niet kan worden vastgesteld dat de betreffende verbalisant op dat moment wist wie de verdachte was, zoals de raadsman dat stelt. De enkele omstandigheid dat in het dossier door andere verbalisanten, die ook nog eens niet direct betrokken zijn geweest bij de aanhouding, wordt gesproken over een vermoeden is daarvoor onvoldoende.
Daar komt bij dat verdachte kort daarvoor met hoge snelheid op het dienstvoertuig is ingereden en nadien besluit om weg te rennen om zich aan zijn aanhouding te blijven onttrekken en dat vervolgens in reactie daarop eerst nog waarschuwingsschoten zijn gelost, maar ook daar door verdachte niet op is gereageerd.
Gelet op die specifieke omstandigheden, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een schending van de Ambtsinstructie. Op basis van voorgaande overwegingen, is het hof - anders dan de raadsman - van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Het verweer wordt verworpen.
De op te leggen straf
Het gaat om ernstige feiten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voor deze feiten het opleggen van een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Alles afwegende zal het hof, net als de rechtbank en conform de eis van de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte al heeft doorgebracht in voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 10.750,64 ingediend, dat bedrag bestaat uit € 3.250,64 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 6.570,64. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ook ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij tot dezelfde beslissing als rechtbank komt. Die houdt in dat de materiële schade voor een bedrag van € 1.570,64 voor toewijzing in aanmerking komt en de immateriële schade voor een bedrag van € 5.000,00 kan worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat het hof de schadevergoedingsmaatregel oplegt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vordering inhoudelijk niet betwist. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij bereid is om de schadevergoeding, zoals die aan hem is opgelegd door de rechtbank, aan de benadeelde partij te betalen. De raadsman heeft dat bevestigd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door mr. P. van der Geest, raadsvrouw van de benadeelde partij, namens de benadeelde partij aanvullend naar voren is gebracht.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof overweegt daarover als volgt.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
Ziektekosten eigen bijdrage
€ 454,64
Aanschaf Ring Video deurbel
€ 138,00
Mobiele telefoon
€ 329,00
APK keuring auto
€ 1.680,00
Aanschaf beveiligingssysteem
€ 649,00
Totaal gaat het om een bedrag van € 3.250,64 aan materiële schade.
Het hof zal, net als de rechtbank, de materiële schade bestaande uit de ziektekosten, de mobiele telefoon, de aanschaf van de ring video deurbel en van het beveiligingssysteem toewijzen. Deze posten komen voor vergoeding in aanmerking, zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en zijn door de verdediging evenmin betwist. Het bedrag dat door het hof zal worden toegewezen betreft in totaal een bedrag van € 1.570,64.
Het hof overweegt dat er daarnaast nog materiële schade is gevorderd voor een eerder verrichte Apk-keuring van de Ford Focus. Het hof is van oordeel dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat met vergoeding van de waarde van de auto door de verzekering de benadeelde partij geen schade meer heeft voor wat betreft de auto. Het hof zal deze kosten, te weten een bedrag van € 1.680,00, daarom afwijzen.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade
Naast materiële schade heeft de benadeelde partij ook immateriële schade gevorderd voor een bedrag van € 7.500,00. Die schade bestaat onder meer uit de impact die het heeft gehad voor de benadeelde partij en het opgelopen fysieke letsel. In dat kader is naar voren gebracht dat de benadeelde partij een man op leeftijd is, die laat op de avond in zijn eigen woning door verdachte is benaderd, waarna fors geweld is toegepast. De benadeelde partij is daarmee in zijn persoon aangetast. Uit de ingediende vordering blijkt dat de benadeelde partij het gevoel heeft dat hij heeft gevochten voor zijn leven en dat hij als gevolg hiervan kampt met gevoelens van angst en onveiligheid.
Het hof heeft bij de beoordeling van de gevorderde immateriële schadevergoeding acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, als richtlijn voor het begroten en vaststellen van de immateriële schade. Daarbij heeft het hof de zaak geschaard onder categorie 19.1 sub a: Bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr Pro) en/of afpersing (art. 317 Sr Pro), meest ernstig. Het gaat om een overval in de woning van benadeelde, laat in de avond, waarbij met geweld werd binnengedrongen en vervolgens heftig geweld werd gebruikt en werd geprobeerd benadeelde met duct tape vast te binden. De benadeelde partij, een oudere man, heeft daarbij letsel opgelopen.
Het hof acht, dat in aanmerking genomen, voor deze feiten en de impact daarvan de hoogte van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade billijk. Anders dan de rechtbank acht het hof daarom het gehele bedrag van € 7.500,00 voor toewijzing vatbaar.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wettelijke rente
Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade bepalen aan de hand van de overgelegde en niet betwiste facturen/bewijsstukken en voor de immateriële schade vaststellen op de dag van het gepleegde strafbare feit.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 63, 287, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 9.070,64 (negenduizend zeventig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 1.570,64 (duizend vijfhonderdzeventig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 9.070,64 (negenduizend zeventig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 1.570,64 (duizend vijfhonderdzeventig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade als volgt:
Materiële schade:
- 24 maart 2024 over een bedrag van € 138,00
- 28 maart 2024 over een bedrag van € 454,64
- 16 juli 2024 over een bedrag van € 329,00
- 11 september 2024 over een bedrag van € 649,00
Immateriële schade: 22 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. E.W. van Weringh en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. M.F. Bijlsma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 april 2026.