Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2235

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.352.141
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:108 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 5:49 BWArt. 130 RvArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof beslist over erfgrens en verjaring tussen buren met gedeeltelijke toewijzing

In deze civiele zaak tussen buren over de erfgrens heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van verkrijgende of bevrijdende verjaring van een strook grond tussen de kadastrale erfgrens, een hekwerk en een keerwand.

Het hof onderscheidde twee stroken grond: strook 1 tussen de kadastrale erfgrens en het hekwerk, en strook 2 tussen het hekwerk en de keerwand. Voor strook 1 oordeelde het hof dat de buurman door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden, omdat deze strook al sinds 1998 onafgebroken en met de intentie als eigenaar in bezit was. Voor strook 2 stelde het hof vast dat geen sprake was van verjaring, omdat de periode van tien of twintig jaar niet was bereikt en de buurman niet te goeder trouw was.

Het hof veroordeelde de buurman tot verwijdering van de keerwand op strook 2 en tot medewerking aan het oprichten van een schutting op de erfgrens, waarbij de kosten gelijkelijk worden verdeeld. Diverse nevenvorderingen van de appellant, zoals schadevergoeding voor snoeien en vernieling, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden gecompenseerd en de reeds betaalde bedragen moesten worden terugbetaald.

De uitspraak geeft duidelijkheid over de juridische erfgrens, waarbij het hypothetisch doorgetrokken hekwerk als grens geldt. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad en het arrest is gewezen door drie raadsheren op 14 april 2026.

Uitkomst: Het hof verklaart de buurman eigenaar van een strook grond door bevrijdende verjaring, veroordeelt tot verwijdering van de keerwand, plaatsing van een schutting en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.141
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 573835
arrest van 14 april 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

2. [appellant2]
die wonen in [woonplaats1]
hierna: [appellanten] c.s.
advocaat: mr. L.W. van de Wetering
en

1.[geintimeerde1]

2. [geintimeerde2]
die wonen in [woonplaats1]
hierna: [geintimeerden] c.s.
advocaat: mr. T. Hooyman

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] c.s. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), op 4 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven tevens akte wijziging van eis;
  • de memorie van antwoord;
  • de akte overlegging productie tevens wijziging van eis van [appellanten] c.s.;
  • de akte overlegging producties van [geintimeerden] c.s. van 3 februari 2026 (waaronder videobestanden op een usb-stick);
  • nagekomen stukken [appellanten] c.s. van 4 februari 2026.
1.2.
Op 13 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellanten] c.s. en [geintimeerden] c.s. zijn elkaars (achter)buren. Partijen hebben een conflict gekregen over de erfgrens. Tussen het perceel van [appellanten] c.s. en het perceel van [geintimeerden] c.s. staan een hekwerk en een keerwand (
zie figuur). Volgens [appellanten] c.s. staan zowel het hekwerk als de keerwand niet op de kadastrale erfgrens, wat er volgens hem in heeft geresulteerd dat [geintimeerden] c.s. een stuk van het perceel van [appellanten] c.s. in gebruik heeft. Volgens [geintimeerden] c.s. is hij - door verjaring - eigenaar geworden van het stuk grond gelegen tussen de kadastrale erfgrens en het hek/de keerwand.
De procedure bij de rechtbank
2.2.
[appellanten] c.s. heeft bij de rechtbank - kort gezegd – in
conventiegevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de eigendomsgrens tussen de percelen is gelegen op de kadastrale erfgrens, dan wel dat die grens wordt bepaald door het hekwerk (dat hypothetisch moet worden doorgetrokken over de gehele erfafscheiding). In beide gevallen wil [appellanten] c.s. dat [geintimeerden] c.s. wordt verboden om nog gebruik te maken van het perceel van [appellanten] c.s. In
reconventieheeft [geintimeerden] c.s. gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring eigenaar is geworden van de strook grond gelegen aan ‘zijn’ kant van de keerwand en het hekwerk. In beide gevallen wil [geintimeerden] c.s. dat [appellanten] c.s. wordt verplicht mee te werken aan het ontstaan van de nieuwe erfgrens door de verjaring in te schrijven in de kadastrale registers.
2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [geintimeerden] c.s. door verkrijgende (en bevrijdende) verjaring eigenaar is geworden van het stuk grond aan ‘zijn’ kant van het hekwerk en de keerwand en heeft [appellanten] c.s. veroordeeld om mee te werken aan het ontstaan van de nieuwe erfgrens door de verjaring in te schrijven in de kadastrale registers. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen en hem (in conventie en reconventie) veroordeeld in de proceskosten.
De procedure bij het hof
2.4.
[appellanten] c.s. is het niet eens met het vonnis van de rechtbank en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De inzet van zijn hoger beroep is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. Daarbij heeft hij tweemaal een eiswijziging ingediend, waartegen [geintimeerden] c.s. bezwaar maakt. Het hof zal die eiswijzigingen toestaan en licht hierna toe waarom.
2.5.
Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Hoewel het hof van oordeel is dat [geintimeerden] c.s. door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het stukje grond tussen de kadastrale erfgrens en het (hypothetisch doorgetrokken) hekwerk, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van verkrijgende of bevrijdende verjaring ten aanzien van het stukje grond gelegen tussen het hypothetisch doorgetrokken hekwerk en de geplaatste keerwand (zie ter verduidelijking de figuur bij
rov. 3.5). Van dit laatste strookje grond is [appellanten] c.s. de eigenaar, zodat het hof zal beslissen dat [geintimeerden] c.s. de door hem geplaatste keerwand moet verwijderen. Het hof zal daarnaast beslissen dat [geintimeerden] c.s. moet meewerken aan het oprichten van een schutting. De overige vorderingen van [appellanten] c.s. zullen door het hof worden afgewezen. Omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren. Ten gevolge daarvan zal [geintimeerden] c.s. worden veroordeeld tot terugbetaling van het reeds door
[appellanten] c.s. aan hem betaalde. Het hof licht hierna toe waarom het tot dit oordeel komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
De rechtbank heeft de feiten vastgesteld (rov. 3.1 tot en met 3.4 van het vonnis). Over die feiten bestaat geen discussie en het hof verwijst daarnaar.
Het hof staat de eiswijzigingen toe
3.2.
[appellanten] c.s. heeft bij memorie van grieven zijn eis gewijzigd door deze aan te vullen met verschillende vorderingen, waaronder schadevergoeding in verband met het onrechtmatig snoeien van de laurierkers door [geintimeerden] c.s, en voor het beschadigen van het gazon en het kappen van de esdoorns. [appellanten] c.s. heeft een e-mailbericht en offerte ter hoogte van € 9.101,- inclusief btw van hoveniersbedrijf De Vuursche overgelegd in verband met het vervangen van de laurierkers, het gazon en de omgezaagde esdoorns. Bij akte heeft [appellanten] c.s. deze vordering later opgehoogd tot een bedrag van € 12.954 inclusief btw. Daarnaast heeft [appellanten] c.s. bij memorie van grieven - kort gezegd - gevorderd dat de overhangende beplanting door [geintimeerden] c.s. dient te worden verwijderd en gesnoeid, dat het [geintimeerden] c.s. (en de zijnen) wordt verboden het perceel van [appellanten] c.s. te betreden en de eigendommen van [appellanten] c.s. te vernielen. Verder wordt door hem gevorderd dat een scheidsmuur (schutting) wordt opgericht en dat [geintimeerden] c.s. de keerwand verplaatst naar zijn eigen perceel. [geintimeerden] c.s. maakt bezwaar tegen deze wijzigingen.
3.3.
Het hof beantwoordt de vraag of de eiswijzigingen toelaatbaar zijn aan de hand van artikelen 130 en 353 lid 1 Rv en de zogenoemde twee-conclusieregel. De eerste eiswijziging is zonder meer tijdig gedaan en de tweede eiswijziging betreft slechts een wijziging van het gevorderde schadebedrag, op basis van een deskundigenrapport dat [appellanten] c.s. had laten opstellen naar aanleiding van het door [geintimeerden] c.s. bij memorie van antwoord gevoerde verweer tegen de gestelde schadeomvang. Op de in beginsel strakke twee-conclusieregel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, onder meer indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist. Het geding in hoger beroep wordt in dit geval niet vertraagd door de eiswijzigingen. Bovendien passen de aanvullend ingestelde vorderingen binnen het partijdebat, nu al deze vorderingen sterk zijn verbonden met het erfgrensgeschil dat partijen verdeeld houdt, omdat deze daaruit voortvloeien of daarmee samenhangen. [geintimeerden] c.s. heeft uitvoerig verweer gevoerd, ook tegen de (tweemaal) gewijzigde eis, en daarbij is niet gebleken van onredelijke bemoeilijking van de verdediging van [geintimeerden] c.s. door de eiswijzigingen in hoger beroep. Op zichzelf heeft [geintimeerden] c.s. gelijk dat hem door de eiswijziging een feitelijke instantie wordt onthouden, maar het is inherent aan het wettelijk stelsel, waaronder de herstelfunctie van het hoger beroep, dat op de gewijzigde eis slechts door het hof als feitelijke instantie recht wordt gedaan. Het gemis van een feitelijke instantie is op zichzelf dan ook niet doorslaggevend. Gelet op dit alles zal het hof de eiswijzigingen toestaan en daarop recht doen.
Het wettelijk kader: verjaring en bezit
3.4.
De rechtbank heeft in rov. 4.2 tot en met 4.4 van het vonnis het (wettelijk) toetsingskader van verjaring en bezit uiteen gezet, dat ook door het hof zal worden toegepast.
3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat het hekwerk en de keerwand niet op de kadastrale erfgrens staan (
zie figuur). Doordat het hekwerk al veel langer ter plaatse aanwezig is dan de keerwand (die [geintimeerden] c.s. in 2009 heeft laten plaatsen) maakt het hof bij de beoordeling of sprake is van verjaring onderscheid tussen twee stroken grond: (1) de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en het bestaande en hypothetisch doorgetrokken hekwerk (‘strook 1’,
zie figuur) en (2) het stuk grond tussen de keerwand en het hypothetisch doorgetrokken hekwerk (‘strook 2’,
zie figuur).
Strook 1: [geintimeerden] c.s. is eigenaar door bevrijdende verjaring
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geintimeerden] c.s. onbetwist gesteld dat het hekwerk is geplaatst toen op het terrein (aan de zijde van het hek waar nu onder meer de woning van [appellanten] c.s. is gelegen) nog geen woningen stonden, maar een tennisbaan lag. Het hof stelt vast dat het hekwerk door geen van partijen, of hun rechtsvoorgangers, is geplaatst en dat het hekwerk al sinds de bouw van de woningen op deze plek stond. Hoe lang dat precies zo is, is niet duidelijk. Uit de verklaring van de tuinman van de rechtsvoorganger van [appellanten] c.s. blijkt dat het hekwerk er in ieder geval in 1978 al stond. Bovendien blijkt uit de door [geintimeerden] c.s. overgelegde verklaringen dat de buren (aan beide kanten van het hek) het hekwerk als erfgrens hebben gezien en als zodanig hebben gerespecteerd, waarbij zij hun percelen in overeenstemming daarmee hebben vormgegeven en ingericht. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat (de rechtsvoorganger van) [geintimeerden] c.s. ‘strook 1’ in ieder geval vanaf 1998 in bezit heeft gehad met de intentie om deze strook als eigenaar te houden. De grond heeft sindsdien altijd onderdeel uitgemaakt van de tuin van (de rechtsvoorganger van) [geintimeerden] c.s. en vormde daarmee één geheel. Op de grond is beplanting aangebracht en het stuk grond is ook door hem (dan wel zijn rechtsvoorganger) onderhouden. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat uit niets blijkt dat (de rechtsvoorganger van) [appellanten] c.s. nog macht had over de strook of deze nog zelf gebruikte. Naar het oordeel van het hof is naar verkeersopvattingen en overigens naar uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro) sprake van bezit. Daarmee staat vast dat (de rechtsvoorganger van) [geintimeerden] c.s. dit stuk grond in ieder geval twintig jaar in zijn bezit heeft gehad en zodoende in ieder geval door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van deze strook grond. Het hof zal daarom voor recht verklaren dat [geintimeerden] c.s. eigenaar is van ‘strook 1’.
3.7.
[appellanten] c.s. heeft nog aangevoerd dat geen sprake is van een bruikbare perceelsgrens, omdat het hekwerk door gronddruk en ouderdom niet meer overal netjes recht staat en bovendien gedeeltelijk is verwijderd, zodat de vordering van [geintimeerden] c.s. onvoldoende bepaalbaar is. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat de (juridische) erfgrens kan worden bepaald door het hekwerk dat nu ter plaatse aanwezig is hypothetisch als rechte lijn door te trekken tot aan het buurperceel. Dat er sprake is van zodanige verschuivingen van het hekwerk dat dit bemoeilijkt of onmogelijk is, is niet gebleken.
3.8.
Het hof zal [appellanten] c.s. - op dezelfde wijze als de rechtbank heeft gedaan - verplichten om mee te werken aan de vaststelling van de erfgrens voor zover dat nodig blijkt voor het formaliseren van de inhoud van deze uitspraak.
Strook 2: [appellanten] c.s. is eigenaar
3.9.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de keerwand niet op dezelfde lijn als het hekwerk is geplaatst. [geintimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard: “
Ik ben naar [naam1] [de rechtsvoorganger van [appellanten] c.s.] toegelopen en [heb] gezegd dat ik een keerwand wilde plaatsen, maar dat ik dan wel een stukje in haar tuin zou komen. Ik heb gevraagd wat daarmee te doen. Zoals je met buren doet; [j]e treedt in overleg. Zij vond het prima. Ik heb gezegd dat ik het dan aansluit op het hek. Zij vond het prima, maar zolang zij het niet zou zien. Daarom heb ik in haar tuin een laurierhaag geplaatst. Dat vond zij ook prima zolang ik het maar zou onderhouden.”. In hoger beroep heeft [geintimeerden] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat geen toestemming is gevraagd, maar dat het eerder een soort van mededeling was. En ook: “
Er is niet besproken dat de keerwand haar kant op zou schuiven. Dat was ook niet de bedoeling. Ik heb gezegd dat ik daar de keerwand ging plaatsen en ik heb eigenlijk alleen besproken dat ik bij de familie [naam2] een laurier zou plaatsen en gevraagd of zij dat ook wilde. Dat was goed.”. Daarnaast heeft [geintimeerden] verklaard dat gepland was om de keerwand in het verlengde van het hekwerk te plaatsen. Feitelijk is de keerwand iets verder richting het perceel van (de rechtsvoorganger van) [appellanten] c.s. terecht gekomen, waardoor ‘strook 2’ vanaf dat moment (2009) optisch bij de tuin van [geintimeerden] c.s. ging horen en hij dit stuk grond is gaan gebruiken.
3.10.
Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of (de rechtsvoorganger van) [appellanten] c.s. toestemming heeft gegeven om de keerwand op deze manier te plaatsen. Gerekend vanaf 2009 staat namelijk vast dat geen periode van twintig jaar is verstreken en dat dus geen sprake kan zijn van bevrijdende verjaring. Een beroep op verkrijgende verjaring kan slagen als de grond tien jaar onafgebroken in bezit is geweest en de bezitter te goeder trouw was. [geintimeerden] c.s. erkent dat de keerwand een klein stukje voorbij de grens van het oorspronkelijke hekwerk op de grond van (de rechtsvoorganger van) [appellanten] c.s. terecht is gekomen. [geintimeerden] c.s. wist dus dat dit stukje grond niet zíjn grond was. Van goede trouw kan om die reden geen sprake zijn, zodat een beroep op verkrijgende verjaring niet opgaat. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat ‘strook 2’ niet door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring eigendom is geworden van [geintimeerden] c.s. Dat betekent dat [appellanten] c.s. (nog steeds) eigenaar is van deze strook grond. De rechtbank heeft deze vordering van [geintimeerden] c.s. dus ten onrechte toegewezen, zodat het bezwaar van [appellanten] c.s. tegen het vonnis van de rechtbank in zoverre klopt.
3.11.
[appellanten] c.s. heeft gevorderd dat het hof voor recht zal verklaren dat de kadastrale erfgrens tussen de buurpercelen de juridische erfgrens is. Zoals volgt uit rov. 3.6 kan die vordering niet worden toegewezen. Om tegemoet te komen aan de wens van [appellanten] c.s. dat duidelijkheid wordt gegeven over de feitelijke situatie zal het hof in plaats daarvan voor recht verklaren dat het (hypothetisch doorgetrokken) hekwerk de juridische erfgrens tussen de buurpercelen vormt. Dit komt overeen met de subsidiaire vordering van [appellanten] c.s. in eerste aanleg.
De keerwand dient te worden verwijderd
3.12.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de keerwand (gedeeltelijk) op het perceel van [appellanten] c.s. is geplaatst. [appellanten] c.s. heeft gevorderd dat [geintimeerden] c.s. de keerwand verwijdert voor zover deze op het perceel van [appellanten] c.s. staat. Gesteld noch gebleken is dat verwijdering onmogelijk is of tot onevenredige schade voor [geintimeerden] c.s. leidt. Het hof zal die vordering toewijzen op de in het dictum beschreven wijze. Anders dan [appellanten] c.s. heeft gevorderd zal het hof beslissen dat de keerwand binnen drie maanden (in plaats van vier weken) dient te worden verwijderd. Er is niet gesteld en ook is niet gebleken dat [geintimeerden] c.s. niet aan deze veroordeling zal voldoen, zodat het hof geen aanleiding ziet om een dwangsom aan de veroordeling te verbinden.
De overige vorderingen van [appellanten] c.s.
3.13.
[appellanten] c.s. heeft diverse nevenvorderingen ingesteld. Het hof zal deze vorderingen hierna een voor een bespreken.
-
Schadevergoeding ter hoogte van € 12.954 inclusief btw
3.14.
[appellanten] c.s. heeft schadevergoeding gevorderd in verband met het door [geintimeerden] c.s. onrechtmatig snoeien van de laurierkers, het beschadigen van zijn gazon en het kappen van de esdoorns. Het hof zal deze vordering afwijzen en licht dat hierna puntsgewijs toe:
  • Snoeien laurierkers: [appellanten] c.s. heeft gesteld dat [geintimeerden] c.s. de laurierkers onrechtmatig (en te drastisch) heeft gesnoeid. Hij wil graag een volle en hoge haag en dat zou door de drastische snoei niet meer mogelijk zijn. [geintimeerden] c.s. heeft een verklaring van Peak Boomadvies overgelegd waaruit blijkt dat een laurierkers drastische snoei kan verdragen. [appellanten] c.s. heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat sprake is van schade. Hoewel de haag mogelijk tijdelijk minder privacy biedt, doorzichtiger is en wellicht minder hoog, is niet gebleken dat sprake is van een relevante beperking van de functie als erfafscheiding. Bovendien heeft [geintimeerden] c.s. foto’s overgelegd waarop zichtbaar is dat de laurierkers weer uitloopt en is de prognose van Peak Boomadvies dat de haag weer zal uitgroeien. De vordering wordt daarom afgewezen.
  • Beschadigen van gazon: [appellanten] c.s. heeft gesteld dat [geintimeerden] c.s. zijn gazon heeft vernield. [geintimeerden] c.s. heeft dat gemotiveerd weersproken. Hij heeft uitvoerig toegelicht dat het noodzakelijk was om zijn bomen te snoeien, dat hij daarover met [appellanten] c.s. in overleg is getreden en dat [appellanten] c.s. hem geen toestemming gaf om de gesnoeide takken op te ruimen. In het licht van wat [geintimeerden] c.s. heeft aangevoerd heeft [appellanten] c.s. zijn stelling (dat sprake is van schade aan zijn gazon en dat [geintimeerden] c.s. die schade zou moeten vergoeden) onvoldoende onderbouwd.
  • Kappen van de esdoorns: vast staat dat de esdoorns zich bevinden in ‘strook 1’ (
    zie figuur bij rov. 3.5). Doordat het hof in rov. 3.6 heeft geoordeeld dat [geintimeerden] c.s. eigenaar is van deze strook, is hij eveneens eigenaar van de esdoorns. Reeds hierop stuit de vordering af. Ten overvloede overweegt het hof dat [geintimeerden] c.s. de esdoorns niet heeft gekapt, maar slechts heeft geknot. [appellanten] c.s. heeft hierdoor geen schade geleden.
-
Snoeien en verwijderen van overhangende takken
3.15.
[appellanten] c.s. heeft gevorderd dat het hof [geintimeerden] c.s. zal veroordelen om zijn bomen zodanig verwijderd en gesnoeid te houden dat er geen takken overhangen op het perceel van [appellanten] c.s., een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Er is door [appellanten] c.s. niet gesteld en ook is niet gebleken dat [geintimeerden] c.s. met de wijze waarop hij zijn bomen momenteel onderhoudt en snoeit niet voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen. Daarmee is van enige grond voor toewijzing niet gebleken. De vordering wordt dan ook afgewezen.
-
Verbod betreden perceel van [appellanten] c.s. door [geintimeerden] c.s. of derden
3.16.
[appellanten] c.s. heeft gevorderd dat het hof [geintimeerden] c.s. zal verbieden om zonder toestemming van [appellanten] c.s. het perceel van [appellanten] c.s. te betreden en [geintimeerden] c.s. te verbieden om derden die in opdracht van hem werken toegang te geven tot het perceel van [appellanten] c.s., een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Wat [appellanten] c.s. hier vraagt, volgt al uit de wet. De wet bepaalt namelijk dat het niet is toegestaan dat iemand zich, zonder dat hij daartoe gerechtigd is, op het perceel van een ander begeeft. [appellanten] c.s. heeft niet aangevoerd waarom hij bijzonder belang heeft bij toewijzing van het door hem gevorderde verbod. Bovendien heeft hij niet voldoende onderbouwd dat er dreiging van een dergelijke overtreding bestaat. Het hof is daarom van oordeel dat [appellanten] c.s. onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te kunnen toewijzen.
-
Plaatsen keerwand op eigen perceel of treffen van andere maatregelen
3.17.
[appellanten] c.s. heeft gevorderd dat het hof [geintimeerden] c.s. zal veroordelen tot het plaatsen van een keerwand op zijn eigen perceel, of door andere voorzieningen te treffen waardoor er een einde wordt gemaakt aan de onrechtmatige (grond)druk die vanuit het perceel van [geintimeerden] c.s. wordt uitgeoefend op het perceel van [appellanten] c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom. [geintimeerden] c.s. heeft deze vordering gemotiveerd weersproken. Tegenover deze weerspreking heeft [appellanten] c.s. zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Het hof zal deze vordering afwijzen.
-
Plaatsen schutting
3.18.
[appellanten] c.s. heeft gevorderd dat op de erfgrens een schutting wordt geplaatst en dat [geintimeerden] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de kosten daarvan. Artikel 5:49 BW Pro bepaalt dat eenieder van de eigenaren van aangrenzende percelen te allen tijde van de andere eigenaar medewerking kan vorderen dat er op de grens een scheidsmuur van twee meter wordt opgericht. Dit geldt voor situaties binnen de bebouwde kom en voor zover een verordening of plaatselijke gewoonte de wijze of hoogte van de afscheiding niet anders regelt. Hoewel [geintimeerden] c.s. heeft aangevoerd dat de aanwezigheid van een haag in dit geval volstaat en dat dit past in de buurt, heeft hij niet aangetoond dat dit het plaatselijk gebruik is op grond waarvan een uitzondering op voornoemd artikel zou gelden. Dat het plaatsen van een schutting negatieve consequenties zal hebben voor de (wortels van de) bestaande bomen op het perceel van [geintimeerden] c.s., is gelet op de weerspreking door [appellanten] c.s. onvoldoende aannemelijk. Het hof zal daarom beslissen dat op de erfgrens een schutting dient te worden opgericht en dat beide partijen de helft van de daarmee gemoeide kosten dienen te betalen.
3.19.
Daarmee resteert de vraag welke schutting geplaatst dient te worden. Het hof stelt vast dat [appellanten] c.s. en [geintimeerden] c.s. een offerte van dezelfde partij in het geding hebben gebracht, maar dat het gaat om een ander product. Omdat [appellanten] c.s. geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door [geintimeerden] c.s. voorgestelde schutting (productie 22 bij akte overlegging producties), en de kosten van deze schutting aanzienlijk lager liggen dan de geoffreerde schutting van [appellanten] c.s. (productie 19 bij memorie van grieven), zal het hof bepalen dat partijen een schutting zullen plaatsen conform de door [geintimeerden] c.s. overgelegde offerte.
3.20.
Het hof stelt uit praktisch oogpunt de volgende gang van zaken voor: [appellanten] c.s. zal Alex Systeembouw opdracht geven de schutting (conform de offerte van productie 22 bij akte overlegging producties) te plaatsen. [appellanten] c.s. zal [geintimeerden] c.s. tenminste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden informeren over de datum waarop de schutting zal worden geplaatst. Daarnaast zal [appellanten] c.s. Alex Systeembouw opdragen de helft van de door haar gemaakte kosten rechtstreeks aan [geintimeerden] c.s. te factureren. Doordat partijen dit niet als zodanig hebben gevorderd, zal het hof deze praktische gang van zaken niet in het dictum opnemen.
-
Verbod tot het vernielen van eigendommen van [appellanten] c.s.
3.21.
[appellanten] c.s. heeft verder gevorderd dat het hof [geintimeerden] c.s. zal verbieden om eigendommen van [appellanten] c.s. te vernielen en hem zal verbieden om derden opdracht te geven om eigendommen van [appellanten] c.s. te vernielen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het hof stelt vast dat ook dit verbod in zijn algemeenheid al voortvloeit uit de wet en [appellanten] c.s. niet heeft onderbouwd - en dat evenmin is gebleken - waarom een dergelijk verbod aan [geintimeerden] c.s. zou moeten worden opgelegd. Het hof zal deze vordering afwijzen.
De conclusie
3.22.
Beide partijen krijgen gedeeltelijk gelijk: [geintimeerden] c.s. omdat het hof oordeelt dat hij eigenaar is van ‘strook 1’, en [appellanten] c.s. omdat het hof oordeelt dat hij eigenaar is van ‘strook 2’. Daarnaast zal het hof bepalen dat een schutting dient te worden geplaatst op de erfgrens en dat beide partijen de helft van de daarmee gemoeide kosten moeten betalen.
3.23.
Omdat beide partijen ook deels ongelijk hebben gekregen bepaalt het hof dat iedere partij in beide instanties zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).
3.24.
[appellanten] c.s. heeft gevorderd dat het hof [geintimeerden] c.s. zal veroordelen om al hetgeen [appellanten] c.s. naar aanleiding van het vonnis van 4 december 2024 aan [geintimeerden] c.s. heeft betaald aan hem terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [appellanten] c.s. de betalingen heeft verricht tot aan de dag der algehele voldoening. Doordat het hof de proceskosten in beide instanties zal compenseren, dient datgene dat [appellanten] c.s. op grond van het vonnis aan [geintimeerden] c.s. heeft betaald, te worden terugbetaald. Het hof zal deze vordering toewijzen.
3.25.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2024 en beslist als volgt:
4.2.
verklaart voor recht dat [geintimeerden] c.s. door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van ‘strook 1’ (rov. 3.6) zijnde de strook grond gelegen tussen de kadastrale erfgrens en het (hypothetisch doorgetrokken) hekwerk;
4.3.
veroordeelt [appellanten] c.s. om - indien dat nodig blijkt te zijn - zijn medewerking te verlenen om het ontstaan van de nieuwe erfgrens door verjaring in te schrijven in de kadastrale registers, binnen 4 weken nadat het arrest aan hem is betekend, en bepaalt dat indien tijdige nakoming daarvan uitblijft, dit arrest ex artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats komt van de in dat kader op te maken notariële akte;
4.4.
verklaart voor recht dat het (hypothetisch doorgetrokken) hekwerk de juridische erfgrens vormt tussen het perceel van [appellanten] c.s. en [geintimeerden] c.s.;
4.5.
veroordeelt [geintimeerden] c.s. om de keerwand - voor zover deze op het perceel van [appellanten] c.s. staat - te verwijderen binnen 4 maanden na betekening van dit arrest;
4.6.
veroordeelt [geintimeerden] c.s. tot medewerking aan het oprichten van de schutting als geoffreerd in productie 22 bij akte overlegging producties. De schutting zal worden geplaatst door Alex Systeembouw en [geintimeerden] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de daarmee gemoeide kosten;
4.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
4.8.
veroordeelt [geintimeerden] c.s. om aan [appellanten] c.s. terug te betalen al hetgeen [appellanten] c.s. naar aanleiding van het vonnis van 4 december 2024 aan [geintimeerden] c.s. heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [appellanten] c.s. de betalingen heeft verricht tot aan de dag der algehele voldoening;
4.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en
4.10.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, S.B. Boorsma en K.J.O. Jansen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.