Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2260

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.365.091
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland stelde op 13 november 2025 een minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en verleende een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof heeft de stukken bestudeerd en concludeert dat de moeder niet in staat is gebleken de zorgen over de ontwikkeling en thuissituatie van de minderjarige weg te nemen. De zorgregeling wordt niet conform beschikking uitgevoerd, met meerdere ziekmeldingen en ongeoorloofd verzuim. De GI heeft nog geen huisbezoek kunnen afleggen vanwege afzeggingen door de moeder.

Het hof oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is, mede door het wisselende contact van de moeder met hulpverleners. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Daarom wordt de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 13 november 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.091
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601443
beschikking van 16 april 2026
over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. A.L. Witteveen
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die kantoor houdt in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij beschikking van 13 november 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld en bepaald dat [de minderjarige] uit huis mag worden geplaatst tot 13 november 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder is de ouder van [de minderjarige] , geboren [in] 2018. [de minderjarige] heeft geen juridische vader.
2.2.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar. Verder heeft de raad verzocht om een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De kinderrechter heeft op 13 november 2025 [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld van 13 november 2025 tot 13 november 2026. Verder heeft de kinderrechter een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, die inhoudt dat [de minderjarige] in een pleeggezin verblijft van zondag tot en met woensdag (naar school) met ingang van 13 november 2025 tot 13 november 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De raad wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 13 februari 2026
  • het verweerschrift van de raad.
4.4.
De zitting bij het hof was op 20 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de advocaat van de moeder
  • een vertegenwoordiger van de raad.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet over de ondertoezichtstelling?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Wat staat in de wet over de machtiging tot uithuisplaatsing?
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [2] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [3] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter [de minderjarige] op goede gronden onder toezicht heeft gesteld van de GI en ook terecht een deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. Het hof onderschrijft de overwegingen van de kinderrechter en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4.
Het hof constateert dat het de moeder niet is gelukt om de door de kinderrechter genoemde zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] en haar thuissituatie weg te nemen. Uit de recente informatie die de GI aan de raad heeft verstrekt, blijkt dat [de minderjarige] drie keer op een maandag dan wel dinsdag is ziekgemeld, maar onduidelijk is wie de ziekmelding heeft gedaan. In principe zou [de minderjarige] op deze dagen bij de pleegouders moeten zijn, maar volgens de GI wordt de zorgregeling niet in overeenstemming met de beschikking van de kinderrechter uitgevoerd. Ook is er een keer sprake geweest van ongeoorloofd verzuim op een woensdag en toen was [de minderjarige] bij de moeder in plaats van bij het pleeggezin. Dat de zorgregeling anders loopt komt volgens de GI voornamelijk door de moeder, maar soms gebeurt het ook omdat één van de pleegouders dan ziek is. Omdat zowel de moeder als de GI - zonder afmelding - niet op de zitting waren, heeft het hof hen hierover geen vragen kunnen stellen. De advocaat van de moeder heeft op de zitting ook verteld dat zij al enige tijd niet meer met de moeder in contact kan komen. Zij kon dan ook niet namens de moeder reageren op het verweer van de raad.
Voor het hof is wel duidelijk dat de zorgen die er waren over de schoolgang van [de minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Verder is het de GI nog niet gelukt om op huisbezoek te gaan bij de moeder en [de minderjarige] . Volgens de GI zijn wel bijna wekelijks afspraken hiervoor gemaakt, maar werden deze afspraken telkens door de moeder afgezegd in verband met haar gezondheid. Het hof vindt het zorgelijk dat ruim vijf maanden nadat de ondertoezichtstelling is uitgesproken nog geen zicht is op thuissituatie van [de minderjarige] bij de moeder. Het is noodzakelijk dat de GI hier voortvarend mee aan de slag gaat en daadwerkelijk de regie neemt. Dat is in het belang van [de minderjarige] . Zeker nu [de minderjarige] , zonder duidelijke reden, kennelijk meer bij de moeder verblijft dan volgens de bestreden beschikking de bedoeling is. Dat klemt helemaal nu uit het onderzoek van de raad naar voren is gekomen dat in het verleden zowel het psychische als lichamelijke functioneren van de moeder invloed had op haar emotionele en fysieke beschikbaarheid voor [de minderjarige] , haar mogelijkheden om voor [de minderjarige] te zorgen en het huis voor [de minderjarige] schoon en op orde te houden. Anders dan de moeder stelt, is naar het oordeel van het hof hulpverlening in het vrijwillig kader in dit geval niet toereikend genoeg. De moeder gaat daarvoor te vaak uit contact met de hulpverlening als het met haar gezondheid slecht gaat en dan is, zoals nu ook blijkt, er niet tot nauwelijks zicht op hoe het met de ontwikkeling van [de minderjarige] gaat. Daarom is de ondertoezichtstelling en de deeltijd machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding.
5.5.
Het hof zal de beslissing van de kinderrechter in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, H. Phaff en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:265b lid 1 BW
3.artikel 1:265c lid 2 BW