Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2265

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
200.361.940
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:377a BWArt. 1:163 lid 3 BWArt. 827 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling en kinderalimentatie

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige geboren in 2023 en hadden gezamenlijk gezag. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken, het hoofdverblijf bij de vrouw vastgesteld en de man verplicht tot een maandelijkse kinderalimentatie van €331.

In hoger beroep verzoekt de man een zorgregeling en vermindering van de alimentatie, terwijl de vrouw het gezag alleen aan haar wil toekennen. Het hof oordeelt dat de echtscheiding rechtsgeldig is ingeschreven en dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot alleen gezag.

Het hof constateert dat de man sinds juni 2024 geen contact meer heeft met het kind en geen invulling geeft aan zijn gezag, terwijl de vrouw wel pogingen deed tot contact. Vanwege het ontbreken van communicatie en het belang van het kind wordt het gezamenlijk gezag beëindigd en aan de vrouw toegekend.

De omgangsregeling wordt beperkt tot één uur per twee weken onder begeleiding, met mogelijke uitbreiding in overleg met hulpverlening. De alimentatie wordt aangepast: €313 per maand tot 27 november 2025, €331 tot 1 januari 2026 en €25 daarna, rekening houdend met draagkracht en het ontbreken van omgang.

De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de alimentatie betreft en het hof stelt de nieuwe regeling vast, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en aan de moeder toegekend, een beperkte omgangsregeling vastgesteld en de kinderalimentatie aangepast op basis van draagkracht en behoefte.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.940
(zaaknummer rechtbank Gelderland 450384)
beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. H. van Straten,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E. Taş.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 november 2025;
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
  • een journaalbericht van mr. Van Straten van 3 maart 2026 met producties;
  • een journaalbericht van mr. Taş van 4 maart 2026 met producties.
2.2
De zitting was op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw met haar advocaat, en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023 (verder: [de minderjarige] )
.De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

4.Het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en dat de man met ingang van 4 september 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 331 per maand moet betalen aan de vrouw.
4.2
De man is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de onderhoudsbijdrage. De man verzoekt daarnaast een zorgregeling te bepalen.
De man verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw beschikkende:
  • het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] van € 331 per maand af te wijzen;
  • voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat een zorgregeling zal gelden waarbij [de minderjarige] één keer in de twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zal verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een zorgregeling vast te stellen als het hof juist acht.
4.3
De vrouw is ook in hoger beroep gekomen. Haar zelfstandig verzoek ziet op het gezag. Zij vraagt de bestreden beschikking te bekrachtigen en daarnaast te bepalen dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen aan haar toekomt.
4.4
De man voert verweer en hij vraagt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen.

5.De overwegingen voor de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
De man stelt ten aanzien van het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten dat de vrouw niet voor het eerst in hoger beroep een verzoek kan doen. Het hof overweegt dat in het algemeen geldt dat in hoger beroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan, maar in geval van echtscheiding kan op grond van artikel 827 Rv Pro als nevenvoorziening een (aanvullend) verzoek worden gedaan, ook voor het eerst in hoger beroep. De vrouw is dus ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van het gezag. Hetzelfde geldt ook voor het verzoek van de man om een zorgregeling te bepalen.
5.2
De man stelt verder dat de bij de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding niet tot stand is gekomen omdat de echtscheidingsbeschikking niet op tijd is ingeschreven. Daardoor ontbreekt de rechtsgrond voor toewijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van het gezag, aldus de man.
5.3
In artikel 1:163 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht verliest indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Aldus wordt de rechtszekerheid gediend. Het hof constateert dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan op 4 december 2025. Partijen hebben vanaf 4 december 2025 nog zes maanden de tijd om de echtscheidingsbeschikking in te schrijven. Uit het GBA blijkt dat de echtscheiding op 11 maart 2026 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheiding is daarmee op tijd ingeschreven en de vrouw is dus ontvankelijk in haar verzoek.
Gezag
5.4
De ouders hebben samen het gezag. De rechter kan na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [1]
5.5
Het hof is van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Sinds 22 juni 2024 heeft de man [de minderjarige] niet meer gezien en ontbreekt iedere vorm van communicatie tussen de ouders. De man kent [de minderjarige] , die nog heel jong is, daardoor nauwelijks en de man geeft al geruime tijd geen invulling aan zijn gezag. De man stelt dat de vrouw hem belemmert in het uitoefenen van het gezag en dat zij geen initiatief toont om de man een plek te geven in het leven van [de minderjarige] . Echter, de man heeft deze stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, op geen enkele manier onderbouwd. Uit niets blijkt dat de man invulling heeft willen geven aan het gezag. Nergens blijkt uit dat hij dat zijn best heeft gedaan om in contact te komen met [de minderjarige] of dat hij interesse in hem heeft getoond. Daar staat tegenover dat de vrouw bij brief van haar advocaat van 24 september 2024 juist aan de man kenbaar heeft gemaakt dat zij hoopt in goed overleg met de man te komen tot afspraken over een regelmatig contact tussen [de minderjarige] en de man. Zij heeft in die brief ook een voorstel gedaan voor een zorgregeling. De man heeft niet gereageerd op die brief, ook niet na een schriftelijke herinnering door de advocaat van de vrouw op 30 oktober 2024.
Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag in beginsel het uitgangspunt is van de wetgever, maar dat dit ook verplichtingen en verantwoordelijkheden met zich brengt. Het vereist dat ouders betrokken zijn bij hun kind, interesse tonen, hun kind willen kennen en zo een afweging kunnen maken over wat het kind nodig heeft. Daarnaast is voor gezamenlijk gezag vereist dat ouders minimaal in staat zijn om in onderling overleg beslissingen te nemen en afspraken te maken over zaken die hun kind aangaan.
Er is geen concreet zicht op (succesvolle) inzet van hulpverlening ter verbetering van de communicatie en de vrouw staat daar ook niet voor open. De vrouw stelt dat tijdens en kort na het huwelijk van partijen sprake is geweest van agressie en huiselijk geweld gepleegd door de man en heeft in dat kader twee (gedetailleerde) aangiftes bij de politie overgelegd. De man betwist dat sprake is geweest van huiselijk geweld. In ieder geval heeft de vrouw op de zitting gezegd dat zij niet meer openstaat voor contact met de man en ook niet voor hulpverlening op dat gebied. Zij wil de rust die zij, met hulp van professionals en haar familie, voor [de minderjarige] heeft gecreëerd, niet verstoren. Dit alles maakt naar het oordeel van het hof dat de ouders niet in staat zijn om [de minderjarige] samen te verzorgen en op te voeden en in dat verband belangrijke beslissingen te nemen over [de minderjarige] .
Omgangsregeling
5.6
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders. Een ouder die niet het gezag heeft, heeft recht op omgang met zijn kind en is daartoe ook verplicht. De rechter kan op verzoek een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen, maar ook het recht op omgang in bepaalde situaties ontzeggen. [2]
5.7
Het hof zal het verzoek van de man om een regeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] en de man eens in de twee weken gedurende een weekend en de helft van de vakanties en feestdagen omgang hebben met elkaar, afwijzen. Op dit moment is er al ruim anderhalf jaar geen enkel contact tussen de man en [de minderjarige] . Daarom en ook vanwege de nog zeer jonge leeftijd van [de minderjarige] , kan van de door de man verzochte uitgebreide regeling geen sprake zijn. In het door de moeder gestelde ziet het hof onvoldoende aanleiding om het verzoek om een omgangsregeling volledig af te wijzen. De moeder heeft bovendien na het uiteengaan van partijen zelf een contactregeling voorgesteld. Verder is het voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat hij contact heeft met zijn vader, hetgeen ook de raad op de zitting heeft benadrukt. Nu iedere communicatie tussen partijen ontbreekt is hulpverlening bij het tot stand brengen van de omgang noodzakelijk, zo heeft de raad op de zitting geadviseerd. Het hof volgt dat advies. Zoals hiervoor beschreven is [de minderjarige] nog heel jong en heeft hij al ruim anderhalf geen contact meer met de man. Het contact tussen hen zal zorgvuldig moeten worden opgestart en opgebouwd. Het hof zal daarom een regeling vaststellen van één uur per twee weken onder begeleiding. In samenspraak met de hulpverlening en afhankelijk van hoe de omgang verloopt, kan de omgang dan op termijn verder worden uitgebreid. Het hof gaat ervan uit dat zowel de man als de vrouw contact zullen opnemen met de gemeente voor begeleiding bij het tot stand brengen van omgang tussen de man en [de minderjarige] .
Kinderalimentatie
ingangsdatum
5.8
Tussen partijen is niet in geschil dat 4 september 2025 als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
hoogte behoefte
5.9
De man stelt in hoger beroep dat de behoefte van [de minderjarige] in 2025 € 702 per maand bedraagt, de vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat die behoefte € 706 per maand is, zoals ook door de rechtbank vastgesteld. Aangezien de man de door hem gestelde behoefte van [de minderjarige] niet heeft onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg lag, zal het hof uitgaan van het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 706 per maand in 2025. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de behoefte dan € 738 per maand in 2026.
draagkracht man
5.1
De man was tot 1 januari 2026 in loondienst werkzaam. Ten aanzien van die periode stelt de man dat zijn draagkracht € 427 per maand bedroeg. De vrouw stelt dat de draagkracht van de man in die periode € 426 bedroeg. Gelet op dit geringe verschil gaat het hof uit van de door de man gestelde draagkracht van € 427 per maand in de periode tot
1 januari 2026.
5.11
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de WW-uitkering die hij sinds
1 januari 2026 ontvangt. Deze uitkering bedraagt € 2.133,77 bruto per maand ofwel
€ 1.630,85 netto per maand en daarmee bedraagt zijn draagkracht slechts € 25,-, aldus de man.
De vrouw betwist dat en zegt dat vanaf 1 januari 2026 rekening moet worden gehouden met een fictief inkomen van € 3.100,- per maand. De man wist al vanaf 2 december 2025 dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en hij heeft geen bewijsstukken van sollicitaties overgelegd. Zijn inkomensachteruitgang dient aldus voor zijn rekening te komen en niet voor die van de vrouw, aldus de vrouw.
5.12
Het hof zal vanaf 1 januari 2026 rekening houden met inkomen uit een WW-uitkering van € 1.630,85 netto per maand en een daarbij behorende draagkracht van € 25,- per maand. Het hof overweegt daartoe als volgt. Aan het recht op een WW-uitkering zijn verplichtingen verbonden, onder andere om te solliciteren, en daarop wordt ook controle uitgeoefend. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de man niet voldoet aan de voor hem geldende sollicitatieplicht. Het hof gaat er daarom vanuit dat de man zich voldoende inspant om aan werk te komen.
draagkracht vrouw
5.13
De vrouw stelt dat zij in de periode van 4 september 2025 tot 27 november 2025 een Ziektewetuitkering ontving maar heeft daarvan geen uitkeringsspecificaties overgelegd. Een eventuele inkomensachteruitgang als gevolg van die uitkering dient daarom voor haar rekening en risico te blijven. In de periode van 4 september 2025 tot 27 november 2025 houdt het hof daarom rekening met het inkomen dat de vrouw volgens de door haar overgelegde salarisspecificaties over de maanden januari 2025 tot en met maart 2025 verdiende, namelijk € 2.389,81 bruto per maand.
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een dertiende maand die de vrouw ontvangt. De vrouw betwist dat onvoldoende. Ook uit haar salarisspecificaties blijkt dat de vrouw onder “Eindejaarsuitkering” een bedrag ontvangt van € 95,59 per maand. Het hof houdt daarmee rekening. Uit de aangehechte berekening volgt een NBI van € 2.964 per maand en een draagkracht van € 536 per maand van 4 september 2025 tot 27 november 2025.
5.14
De vrouw stelt dat vanaf 27 november 2025 rekening moet worden gehouden met de WIA-uitkering die zij vanaf die datum ontvangt en een bijbehorende draagkracht van € 25,- per maand. De man stelt dat geen rekening dient te worden gehouden met dat inkomen maar met het inkomen dat de vrouw in loondienst verdiende. Van haar mag worden verwacht dat zij zich inspant om haar oude inkomen te verdienen. Daarnaast is de uitkering nog niet definitief toegekend, aldus de man.
5.15
Het hof houdt aan de zijde van de vrouw vanaf 27 november 2025 rekening met de WIA-uitkering die zij ontvangt. Weliswaar is de uitkering nog niet definitief, maar de vrouw dient zich wel te houden aan alle verplichtingen die aan het recht op een dergelijke uitkering zijn verbonden, waaronder het meewerken aan re-integratie. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw dat doet en dat zij daarmee haar verdiencapaciteit voldoende benut. Uitgaande van een netto WIA-uitkering van 1.628,86 per maand in december 2025 volgt uit de aangehechte berekening een NBI van € 1.728 per maand en een draagkracht van € 25 per maand vanaf
27 november 2025.
periode van 4 september 2025 tot 27 november 2025
5.16
De behoefte van [de minderjarige] in 2025 bedraagt € 706,- per maand. Partijen hebben in de periode van 4 september 2025 tot 27 november 2025 een gezamenlijke draagkracht van
(€ 426 + € 536=) € 962 per maand. Na een vergelijking van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen, dient de man van zijn draagkracht (€ 426/€ 962 x € 706=) € 313 aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van [de minderjarige] .
periode vanaf 27 november 2025 tot 1 januari 2026
5.17
In deze periode is de gezamenlijk draagkracht van partijen (€ 426+ € 25 =) € 451 per maand. Dat is minder dan de behoefte van [de minderjarige] van € 706 per maand. Dat betekent dat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.
periode vanaf 1 januari 2026
5.18
In deze periode heeft de man een draagkracht van € 25 per maand. Nu dat een minimale draagkracht is, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.
bijdrage van de man
5.19
De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 25% gelet op de door hem verzochte zorgregeling van gemiddeld twee dagen per week en de helft van de vakanties en feestdagen. De vrouw betwist dat.
5.2
Vast staat dat in de periode van 4 september 2025 tot 1 januari 2026 geen omgang tussen de man en [de minderjarige] heeft plaatsgevonden. Het hof ziet daarom geen aanleiding om voor die periode rekening te houden met een zorgkorting. Ook in de periode vanaf
1 januari 2026 tot in ieder geval de datum van de zitting heeft geen omgang plaatsgevonden en niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen, Onder die omstandigheden en nu de draagkracht van de man vanaf 1 januari 2025 slechts € 25 per maand bedraagt, ziet het hof geen aanleiding rekening te houden met een zorgkorting.
5.21
De man heeft in de periode van 27 november 2025 tot 1 januari 2026 een draagkracht van € 426 per maand. Maar omdat de vrouw in haar petitum slechts verzoekt om de bestreden beschikking wat betreft de alimentatiebijdrage te bekrachtigen zal het hof voor die periode de door de rechtbank bepaalde bijdrage van € 331,- per maand vaststellen.
5.22
Samengevat komt het erop neer dat de man de volgende bijdragen dient te voldoen:
- met ingang van 4 september 2025 tot 27 november 2025 € 313 per maand;
- met ingang van 27 november 2025 tot 1 januari 2026 € 331 per maand, en
- vanaf 1 januari 2026 € 25,- per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
terugbetaling
5.23
Op de zitting is gebleken dat de man tot nu toe geen enkele onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] heeft betaald. Voor zover de man inmiddels meer aan kinderalimentatie heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de bijdragen die het hof zal vaststellen, kan van de vrouw – gelet op het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt – in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

6.De slotsom

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt een deel van de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] betreft en beslissen als volgt.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
4 september 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen:
- met ingang van 4 september 2025 tot 27 november 2025 € 313 per maand;
- met ingang van 27 november 2025 tot 1 januari 2026 € 331 per maand, en
- vanaf 1 januari 2026 € 25,- per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] , geboren [in]
2023;
bepaalt dat het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2023, voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
stelt een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vast van één keer in de twee weken gedurende een uur onder begeleiding, waarbij verdere uitbreiding in samenspraak met de hulpverlening is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, M.H.F. van Vugt en I.J. Pieters, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:251a BW
2.artikel 1:377a BW