Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2272

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
21-003763-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling portier voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel na krachtige duw

Op 14 maart 2024 duwde de verdachte, werkzaam als portier bij een horecagelegenheid, een dronken en lastige klant met forse kracht tegen het lichaam, waardoor deze ten val kwam en zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder meerdere breuken aan het hoofd en kneuzingen in de hersenen.

De verdediging betwistte de wederrechtelijkheid en voerde een beroep op noodweer aan, maar het hof verwierp deze verweren omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar. Het hof oordeelde dat verdachte bewust het risico heeft aanvaard dat de klant zou vallen en letsel zou oplopen.

Het hof achtte het bewezenverklaarde wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren met een proeftijd van twee jaar, met als subsidiaire straf 20 dagen hechtenis. Daarnaast werd een schadevergoeding van €6.000,- aan het slachtoffer toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.

Het hof benadrukte de bijzondere positie van portiers, die binnen de grenzen van het toelaatbare moeten handelen, en wees op de normstellende en waarschuwende functie van de straf om herhaling te voorkomen. De eerdere veroordeling van de politierechter werd vernietigd en het vonnis werd herzien.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren met een proeftijd van twee jaar wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003763-25
Uitspraakdatum: 15 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 22 augustus 2025 met parketnummer 18-298086-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 1 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 6.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. van der Meer, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. W. de Boer, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 maart 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met (explosieve) kracht tegen het lichaam te duwen, waardoor die [benadeelde] ten val is gekomen en/of (vervolgens) met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere breuken aan de voor- en/of achterzijde van zijn hoofd en/of een breuk achter de rechter oogkas en/of kneuzingen in de hersenen ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt kortgezegd verweten dat hij aangever [benadeelde] een duw heeft gegeven, dat [benadeelde] daardoor ten val is gekomen en met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte was op 14 maart 2024 werkzaam als portier bij een horecagelegenheid in [plaats] en heeft erkend dat hij toen een duw heeft gegeven aan aangever, die eerder als klant aan de deur was geweigerd maar telkens bleef terugkomen.
Dat verdachte een forse duw heeft gegeven, dat [benadeelde] daardoor ten val is gekomen en met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen en dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, kan uit het dossier worden afgeleid en is door de verdediging niet betwist.
Wel heeft de verdediging de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte bestreden. Daartoe is in de eerste plaats betoogd - onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA1622 – dat verdachte in de omstandigheden van het geval niet buiten de grenzen is gegaan van wat redelijk was en zijn handelen daarom niet onrechtmatig was. In de tweede plaats is een beroep op noodweer gedaan.
De politierechter heeft hieromtrent als volgt overwogen:
Portiers komen in hun werk voor lastige situaties te staan: dronken, vervelende en soms
agressieve klanten. In deze zaak is sprake geweest van iemand die duidelijk dronken is, zich
niet laat wegsturen en steeds de confrontatie aangaat. Als portier moet je dan handelen. Het
gaat om een grijs gebied waarin een duw op zichzelf best te rechtvaardigen kan zijn. Maar
het mag niet zo zijn dat de dronken klant daardoor in gevaar wordt gebracht. Hier is die lijn
wel overschreden. Aangever was duidelijk onder invloed en volgens getuigen ook onvast ter
been. Na een eerdere duw was hij al een keer achterover gevallen, met zijn achterhoofd op
straat. Door in die omstandigheden nóg een keer en met kracht te duwen, heeft verdachte
bewust het risico aanvaard dat aangever nogmaals op soortgelijke wijze zou komen te vallen. Opzet, in voorwaardelijke vorm, op mishandeling kan daarom worden bewezen.
Bij aangever is zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Opzet daarop is niet vereist. Ik wil ook
aannemen dat dit ook nooit de bedoeling van aangever is geweest. Voldoende is dat er
causaal verband is tussen het duwen en het uiteindelijke letsel en dat is er.
Het hof kan zich met deze overwegingen van de politierechter verenigen. In aanvulling daarop stelt het hof vast dat de betreffende duw niet alleen met forse kracht, maar ook betrekkelijk onverhoeds is gegeven, wat de kans dat verdachte zijn balans opnieuw zou verliezen en ten val zou komen nog heeft vergroot.
Het hof verwerpt ook het beroep op noodweer, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Uit verklaringen in het dossier en uit de beschrijving van de camerabeelden van het incident valt af te leiden dat aangever op 14 maart 2024 een lastige, dronken klant was, die weigerde te vertrekken nadat hem de toegang tot de horecagelegenheid was ontzegd en die herhaaldelijk terugkwam bij verdachte, kennelijk om daarover de discussie aan te blijven gaan. Dat er daarbij enige agressie of dreiging van aangever uitging, is uit het dossier niet gebleken. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes (of andermans) lijf, eerbaarheid of goed, of van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, is dan ook geen sprake geweest.
Het hof acht, gelet op het voorgaande, het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 14 maart 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met kracht tegen het lichaam te duwen, waardoor die [benadeelde] ten val is gekomen en vervolgens met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk aan de voor- en achterzijde van zijn hoofd en een breuk achter de rechter oogkas en kneuzingen in de hersenen ten gevolge heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden als portier een harde duw te geven aan aangever [benadeelde] , die daardoor ten val is gekomen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken hij daar nog altijd nadelige gevolgen van ondervindt.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de context waarbinnen het incident zich heeft voorgedaan. De positie van portiers is in die zin bijzonder, dat van hen wordt verwacht dat zij het belang van de veiligheid van het uitgaanspubliek dienen, terwijl zij daartoe geen bijzondere bevoegdheden hebben om geweld toe te passen. Anders gezegd: portiers mogen niet meer of minder dan gewone burgers, terwijl zij zich in beginsel niet aan een mogelijk fysieke confrontatie kunnen onttrekken door weg te lopen De aard van de functie brengt mee dat van portiers wordt verwacht dat zij handelend optreden waar dat is geboden, maar ook dat zij dat doen binnen de grenzen van het toelaatbare. Waar die grenzen precies liggen, moet telkens worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. Portiers kunnen in allerlei denkbare situaties terechtkomen, waarin zij soms in korte tijd moeten beslissen hoe te handelen. Vanuit hun professionaliteit mag van hen worden gevergd dat zij met die complexiteit om kunnen gaan, maar dat neemt niet weg dat dit niet altijd een eenvoudige opgave is. In de onderhavige zaak heeft verdachte aan aangever, die zich herhaaldelijk aan de deur bij verdachte bleef opdringen, onverhoeds een krachtige duw gegeven. Hoewel dit niet het zwaarste geweldsmiddel is, is verdachte in de gegeven omstandigheden toch te ver gegaan, met alle onbedoelde gevolgen voor aangever van dien. Immers het was verdachte duidelijk dat aangever onvast ter been was mede gelet op het gegeven dat hij na eerder door verdachte weg te zijn geduwd tweemaal achterover op de grond was gevallen. In die situatie had verdachte niet door moeten gaan met het krachtig duwen van aangever. Verdachte had (eerder) de-escalerend kunnen handelen door een collega portier te laten optreden zodat hij niet telkens geconfronteerd werd met de lastige dronken klant die aangever was.
Ook houdt het hof er rekening mee dat verdachte bijna dertig jaar werkzaam is in de beveiliging. Op zijn strafblad van 26 februari 2026 staan geen eerdere veroordelingen voor geweldsincidenten en de reclassering heeft in haar rapport van 6 maart 2025 onder meer opgetekend dat verdachte onder zijn collega’s en leidinggevenden bekend staat als een goed functionerende portier die nauwelijks tot niet bij incidenten betrokken is.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de mogelijke gevolgen geschetst die de onderhavige zaak voor verdachte zal hebben voor het behoud en/of voortzetting van zijn werkzaamheden als portier. Het hof heeft geen beslissingsbevoegdheid of zeggenschap met betrekking tot de verstrekking dan wel het behoud van een Verklaring Omtrent het Gedrag en/of een zogeheten portierspas, maar weegt de langdurige onzekerheid bij verdachte over het behoud van zijn werk wel mee als factor in de strafmaat.
Alles afwegend, is het hof van oordeel dat van de strafoplegging in deze zaak vooral een normbevestigend en waarschuwend effect uit dient te gaan, om herhaling in de toekomst te voorkomen. Het hof ziet daarin aanleiding om de eerder door de politierechter opgelegde taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 uren hechtenis op te leggen, maar dan - in afwijking van de politierechter - geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 28.000,00 ingediend, betreffende immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 6.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof zal deze schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6.000,- en de vordering voor dat deel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is ontstaan. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Voor het overige deel zou behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, nu daarbij onder meer vragen spelen met betrekking tot de vaststelling van de totale omvang van de schade en het eigen aandeel dat de benadeelde partij in het ontstaan van de schade mogelijk heeft gehad. De benadeelde partij zal daarom voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.000,00 (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,00 (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. M.C. van Linde en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 april 2026.