Verdachte werd beschuldigd van mishandeling van zijn meerderjarige dochter door haar tegen het hoofd te slaan op 5 februari 2025. De aangifte van de dochter, ondersteund door foto’s van letsel en een verklaring van haar moeder die het incident waarnam, vormde het belangrijkste bewijs. Het hof achtte deze bewijzen wettig en overtuigend en sprak verdachte vrij van andere onderdelen van de tenlastelegging die niet bewezen konden worden.
De politierechter had verdachte eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, een taakstraf en een contact- en gebiedsverbod. Het hof vernietigde dit vonnis en legde een zwaardere straf op, namelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar, en verlengde het contact- en gebiedsverbod tot twee jaar.
Het hof motiveerde de straf door het ernstige karakter van het feit, de schending van het vertrouwen tussen vader en dochter, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere veroordelingen en de impact van het gebiedsverbod op zijn leven. De dochter had in een brief aangegeven geen verdere bestraffing te wensen, maar het hof vond een straf noodzakelijk als normbevestiging en om herhaling te voorkomen.
De opgelegde maatregel is dadelijk uitvoerbaar en bevat een vervangende hechtenis van twee weken per overtreding, met een maximum van zes maanden. De tijd die verdachte reeds onder het eerdere gebieds- en contactverbod heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de nieuwe straf en maatregel.