Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2277

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.358.390/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BWArt. 1:448 lid 2 BWArt. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen wijziging en handhaving onderbewindstelling wegens problematische schulden

De rechthebbende is sinds 11 februari 2020 onder bewind gesteld wegens verkwisting of problematische schulden. In juli 2025 wijzigde de kantonrechter de grondslag van het bewind naar lichamelijke of geestelijke toestand op basis van een evaluatie van de bewindvoerder.

De rechthebbende kwam in hoger beroep tegen de handhaving van het bewind en de wijziging van de grondslag, verzoekt opheffing van het bewind of benoeming van een andere bewindvoerder. Het hof oordeelt dat de procedurele tekortkomingen bij de kantonrechter zijn hersteld en dat de noodzaak tot voortzetting van het bewind blijft bestaan vanwege circa € 25.000 aan problematische schulden en een lopend schuldhulpverleningstraject.

De medische situatie is onvoldoende onderbouwd met verklaringen, waardoor het hof geen aanleiding ziet de grondslag te wijzigen. Ook is er geen gewichtige reden voor ontslag van de bewindvoerder. Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek tot wijziging van de grondslag af, waarbij het bewind in stand blijft.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de grondslag van het bewind af en handhaaft de onderbewindstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.390/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11793388)
beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[appellant](de rechthebbende),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. T.A.M. Drubbel te Lelystad,
en
[geïntimeerde] h.o.d.n. [naam1](de bewindvoerder),
die is gevestigd in [vestigingsplaats] .
Als overige belanghebbende(n) zijn aangemerkt:
1. [belanghebbende1] (de moeder),
die woont in [woonplaats2] ,
2. [belanghebbende2] (de vader),
die ingeschreven is in [woonplaats1] ,
3. [belanghebbende3] (zus [belanghebbende3] ),
die woont in België,
4. [belanghebbende4] (zus [belanghebbende4] ),
die woont in België.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 24 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 19 augustus 2025;
- een journaalbericht namens de rechthebbende van 8 september 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de rechthebbende van 15 september 2025 met bijlage(n);
- de instellingsbeslissing uit 2020 door de bewindvoerder ingediend op 17 maart 2026.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de rechthebbende met zijn advocaat, twee vertegenwoordigers namens de bewindvoerder en verder de vader en de moeder. Ter zitting heeft de advocaat van de rechthebbende mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die hij heeft overgelegd.

3.De feiten

3.1.
De rechthebbende is geboren [in] 1999. Op 11 februari 2020 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Ook is bepaald dat het bewind in het Centraal Curatele- en bewindregister (het register) moest worden ingeschreven.
3.2.
De kantonrechter heeft op 13 mei 2025 een tussentijdse evaluatie ontvangen van de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft in het evaluatieformulier aangegeven dat wijziging van de grondslag van de maatregel nodig is.
3.3
Naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie heeft op 11 juli 2025 een mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaatsgevonden, waarbij de bewindvoerder zijn antwoorden op het formulier heeft toegelicht. De rechthebbende is blijkens het in verband met die behandeling opgemaakte voorbereidings- een aantekeningenformulier opgeroepen, maar niet verschenen op de zitting.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking van 24 juli 2025 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de grondslag van het bewind gewijzigd in lichamelijke of geestelijke toestand en bepaald dat de beschikking zal worden ingeschreven in het register.
4.2.
De rechthebbende is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grief richt zich tegen het handhaven van de onderbewindstelling en het wijzigen van de grondslag voor de onderbewindstelling. De rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, kort samengevat, te bepalen dat de onderbewindstelling dient te worden opgeheven. Voor het geval de onderbewindstelling gehandhaafd blijft vraagt de rechthebbende een andere bewindvoerder te benoemen.

5.De motivering van de beslissing

herstelfunctie hoger beroep
5.1.
De rechthebbende heeft aangevoerd dat hij niet is opgeroepen voor de zitting bij de kantonrechter en dat de motivering van de beschikking in het licht van het ontbreken van hoor en wederhoor onvoldoende is.
Wat daarvan ook zij, voor zover er een tekortkoming is geweest in de procedurele gang van zaken bij de kantonrechter, is deze tekortkoming in hoger beroep hersteld omdat de rechthebbende daar alsnog zijn mening kenbaar heeft kunnen maken. Daarbij komt dat het hof de noodzaak tot voortzetting van het bewind en de vraag of de bewindvoerder zou dienen te worden ontslagen ambtshalve kan en zal beoordelen.
grondslag en noodzaak bewind
5.2.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over een of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.3.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro kan de kantonrechter, indien de noodzaak tot het bewind niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen.
5.4.
De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de wijziging van de grondslag van het bewind gebaseerd op het evaluatieformulier, zoals dat is ingevuld door de bewindvoerder, en de toelichting die door de bewindvoerder is gegeven tijdens de mondelinge behandeling. De bewindvoerder heeft daarbij onder meer de depressieve episodes van de rechthebbende benoemd, de medische situatie (o.a. nierproblemen) van de rechthebbende en het regelmatig uit contact gaan van de rechthebbende waardoor de (schuld)hulp stagneert. Anders dan de rechtbank ziet het hof onvoldoende aanleiding om de grondslag voor het bewind van de rechthebbende te wijzigen. De rechthebbende betwist in hoger beroep de stellingen van de bewindvoerder en er zijn geen onderbouwende medische verklaringen over de medische of psychische toestand van de rechthebbende.
5.5.
Op de zitting bij het hof is gebleken dat de schuldenlast van de rechthebbende op dit moment circa € 25.000,- is. De rechthebbende leeft vanwege zijn gezondheid van een Ziektewetuitkering. Een schuldhulpverleningstraject bij de gemeente bevindt zich in de startfase. Na het afronden van een waardetaxatie van een voertuig kan het traject beginnen. Het hof stelt vast dat er op dit moment nog problematische schulden zijn en is van oordeel dat daarmee de noodzaak tot het bewind nog steeds bestaat. Het hof ziet daarom geen aanleiding het bewind op te heffen.
ontslag bewindvoerder
5.6.
Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW Pro kan een bewindvoerder ontslag worden verleend op eigen verzoek, wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden.
5.7.
Op de zitting bij het hof is gebleken dat de rechthebbende en zijn ouders ontevreden zijn met verschillende aspecten van het bewind. Er is echter niet aangevoerd of onderbouwd dat er een gewichtige reden is om de bewindvoerder te ontslaan of dat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te zijn. Het hof heeft op basis van de stukken en wat er op de zitting besproken is geen aanleiding om te veronderstellen dat de bewindvoerder zijn taken niet naar behoren uitvoert. De problemen in de communicatie tussen de bewindvoerder aan de ene kant en de rechthebbende en zijn ouders aan de andere kant lijken niet te wijten te zijn aan de bewindvoerder. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor ontslag van de bewindvoerder.
5.8.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking van de kantonrechter, vernietigen en het verzoek tot wijziging van de grondslag van het bewind alsnog afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 24 juli 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek tot wijziging van de grondslag van het bewind af;
bepaalt dat deze uitspraak door de griffier wordt ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. C. Coster en mr. F. Menso, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.