Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2278

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
21-005076-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging via WhatsApp-berichten met humoristische strekking

Verdachte werd beschuldigd van bedreiging door het verzenden van een WhatsApp-bericht met een filmpje en dreigende tekst gericht aan een derde, die deze berichten doorgaf aan de benadeelde. De politierechter veroordeelde verdachte, maar het hof kwam tot een andere bewijswaardering.

Het hof oordeelde dat verdachte zich bewust was van de kans dat de berichten bij de benadeelde zouden komen, maar dat het filmpje een humoristische meme betrof waarin een huurmoordenaar zichzelf vergiftigt. De combinatie van de humoristische inhoud, het feit dat het bericht niet rechtstreeks aan de benadeelde was gericht en het gebruik van 'ha ha' maakte dat geen redelijke vrees kon ontstaan.

De eerdere communicatie tussen verdachte en de tussenpersoon was ook luchtig van aard. Het hof concludeerde dat verdachte niet de opzet had om bij de benadeelde angst voor ernstig letsel of de dood aan te jagen en sprak verdachte vrij van bedreiging.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd niet behandeld omdat de benadeelde was overleden en de gemachtigde partij niet aantoonde bevoegd te zijn de vordering voort te zetten.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging wegens ontbreken van opzet en redelijke vrees.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005076-24
Uitspraakdatum: 15 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingslocatie Zwolle, van 22 november 2024 met parketnummer 08-067377-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 1 april 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 10 maart 2021;
  • veroordeling van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde tot een geldboete van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.C.H. Pronk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd;
  • verdachte schuldig verklaard aan het tenlastegelegde zonder oplegging van een straf of maatregel;
  • de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 februari 2021 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [naam 1] een filmpje te sturen, waarop te zien is dat een persoon drinkt van een vloeistof en vervolgens overlijdt, althans vergiftigd wordt, met als bijschrift en/of een (aanvullend) WhatsApp bericht "Mijn eerste dag als huurmoordenaar" en/of " [benadeelde] is gewaarschuwd ha ha", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde [benadeelde] heeft kennis genomen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat verdachte op 14 februari 2021 een WhatsApp-bericht heeft verzonden naar de heer [naam 1] met daarin een filmpje getiteld “Mijn eerste dag als huurmoordenaar’’. Direct daarachteraan heeft verdachte het bericht ‘’ [benadeelde] is gewaarschuwd! Ha ha’’ gestuurd. De heer [naam 1] heeft deze berichten vervolgens doorgestuurd naar de heer [benadeelde] (hierna: aangever) waardoor aangever zich bedreigd heeft gevoeld door verdachte.
Om tot een bewezenverklaring van een indirecte bedreiging te komen, is vereist dat het opzet van verdachte erop is gericht dat de betreffende persoon van de bedreiging op de hoogte zou raken. Verdachte heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard dat het filmpje met de tekst aan de heer [naam 1] was gericht en dat hij er niet vanuit ging dat de heer [naam 1] deze berichten zou doorsturen naar aangever. Verdachte was in de veronderstelling dat de gesprekken tussen hem en de heer [naam 1] vertrouwelijk waren.
Het hof is van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn berichten terecht zouden komen bij aangever. De heer [naam 1] was de beheerder van het Parochiehuis van de [kerk] in [plaats] en had regelmatig contact met aangever in zijn hoedanigheid als vicevoorzitter van het bestuur van dit Parochiehuis. Verdachte huurde in die periode een woonruimte in ditzelfde gebouw en had al langere tijd een slechte verstandhouding met aangever. De heer [naam 1] stond hier tussenin en had als beheerder zowel met verdachte als aangever contact. Verdachte had er daarom rekening mee moeten houden dat de heer [naam 1] zijn berichten, waarin de heer [benadeelde] met name wordt genoemd, naar aangever zou doorsturen.
Vervolgens is het de vraag of de berichten van verdachte, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, bij de betrokkene de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat deze het leven zou kunnen laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van verdachte daarop was gericht. Daarbij is van belang dat het enkele feit dat de betrokkene deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd heeft gevoeld, nog niet wil zeggen dat die vrees ook redelijk is. Hoewel het hof via het dossier geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het door verdachte gestuurde filmpje, heeft het hof wel een beeld gekregen van de strekking van het filmpje nu een en ander in het dossier is omschreven en de raadsvrouw tijdens de zitting een vergelijkbaar filmpje heeft getoond. Het filmpje betreft een ‘meme’ waarin te zien is dat een huurmoordenaar een poging doet tot het vergiftigen van iemand, maar daarbij per ongeluk zichzelf vergiftigd.
Het hof acht het aannemelijk dat het door verdachte verstuurde filmpje een humoristische strekking had. In combinatie met de omstandigheid dat het filmpje niet naar aangever zelf is gestuurd en het door verdachte geschreven onderschrift waarin hij afsluit met ‘’ha ha’’, is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat de berichten van verdachte in redelijkheid en objectief gezien, onder de geschetste omstandigheden geen bedreigend karakter hebben. Daarbij komt dat uit het WhatsApp-gesprek tussen verdachte en de heer [naam 1] kan worden afgeleid dat ook de eerdere communicatie tussen hen plaatsvond in een luchtige en humoristische sfeer. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat door de berichten van verdachte in het algemeen niet de redelijke vrees kon ontstaan dat aangever daadwerkelijk het leven zou kunnen laten of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat verdachte de opzet had om aangever die vrees aan te jagen. Het hof komt tot de conclusie dat geen sprake is van een strafbare bedreiging en zal verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 250,00 aan immateriële schade ingediend. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Uit het dossier en tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat de benadeelde partij op 16 januari 2026 is overleden. Op 19 januari 2026, na het overlijden van de benadeelde partij, is een handhavingsformulier ingediend en op 25 februari 2026 heeft de heer [naam 2] van [bedrijf] het hof een brief gestuurd waaruit het hof afleidt dat hij de vordering van de benadeelde partij wenst te handhaven. Nu niet blijkt dat de heer [naam 2] hiertoe gemachtigd was, is de vordering tot schadevergoeding niet aan de orde in hoger beroep. Het hof zal hier dan ook geen beslissing over nemen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 10 maart 2021 onder CJIB nummer [nummer] .
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. L. Pieters en mr. H.K. Elzinga, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 april 2026.