Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2282

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.345.629/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:752 BWArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over redelijke prijs verbouwing woning op regiebasis zonder richtprijs

Appellanten gaven geïntimeerde opdracht tot verbouwing van hun woning op regiebasis, waarbij twintig ongespecificeerde voorschotfacturen van in totaal €520.300 werden voldaan. Appellanten stelden dat een richtprijs van €260.000 was overeengekomen en vorderden terugbetaling, terwijl geïntimeerde een aanvullende betaling van €88.577,87 eiste.

De rechtbank wees beide vorderingen af vanwege onvoldoende duidelijkheid over de werkzaamheden en kosten. Het hof bevestigt dat geen richtprijs is overeengekomen, mede omdat appellanten jarenlang ongespecificeerde facturen zonder protest betaalden en geen bezwaar maakten tijdens de bouw. Ook is geen sprake van rechtsverwerking of schending van de klachtplicht.

Het geschil betreft nu de vaststelling van een redelijke prijs voor het daadwerkelijk uitgevoerde werk. Het hof benoemt een deskundige die, met ruime vrijheid en op basis van een selectie van relevante stukken en een inspectie ter plaatse, de redelijke prijs zal bepalen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld gezamenlijk een deskundige voor te stellen, bij gebrek daaraan benoemt het hof een lid van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen.

Uitkomst: Het hof benoemt een deskundige om de redelijke prijs van de uitgevoerde verbouwing vast te stellen en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.629/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 179060
arrest van 14 april 2026
in de zaak van

1.[appellant1]

die woont in [woonplaats1]
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats1]
hierna samen:
[appellanten]
advocaat: mr. J. Bolt
en
[geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mr. J.W. de Vries

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de rechtbank) op 1 februari 2023, 27 september 2023 en 20 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 maart 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellanten] heeft [geïntimeerde] opdracht gegeven om zijn woning op regiebasis te verbouwen. [geïntimeerde] heeft [appellanten] in een periode van twee jaar twintig ongespecificeerde voorschotfacturen met een totaalbedrag van € 520.300 inclusief btw gestuurd, die alle door [appellanten] zijn voldaan. Na ontvangst van de 21ste voorschotfactuur is onenigheid tussen partijen ontstaan over de hoogte van het door [appellanten] verschuldigde bedrag. [appellanten] stelt dat partijen een richtprijs van € 260.000 waren overeengekomen en dat hij recht heeft op terugbetaling. [geïntimeerde] betwist dat en stelt dat hij recht heeft op een aanvullende betaling van € 88.577,87 inclusief btw.

3.De feiten

3.1
[geïntimeerde] en [appellanten] kennen elkaar vanuit de kerk.
3.2
[geïntimeerde] heeft een bouw- en aannemingsbedrijf. [appellanten] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats1] (hierna: de woning). [appellanten] wilde deze woning, die was overgenomen van de ouders van [appellant2] , laten verbouwen.
3.3
[appellanten] heeft in 2015 de heer [naam2] van Studio Juyst als architect ingeschakeld voor het maken van een ontwerp voor de verbouwing. [appellanten] heeft [geïntimeerde] per e-mail van 14 mei 2015 een “Bestek/Werkomschrijving uitbouw [adres2] te [plaats1] ” (hierna: de werkomschrijving) gestuurd.
3.4
[appellanten] heeft [geïntimeerde] omstreeks november 2015 opdracht gegeven de woning te verbouwen. Deze opdracht is niet schriftelijk vastgelegd. [geïntimeerde] heeft verschillende onderaannemers ingeschakeld voor het uitvoeren van de werkzaamheden.
3.5
Op 8 april 2016 is in opdracht van Studio Juyst door ing. [naam3] van HADO B.V. Ingenieursbureau een statische tekening opgesteld ten behoeve van de verbouwing.
3.6
[geïntimeerde] heeft [appellanten] in de periode 18 maart 2016 tot en met 26 maart 2018 twintig ongespecificeerde voorschotfacturen gestuurd ten bedrage van € 520.300 inclusief btw. Die facturen zijn volledig door [appellanten] voldaan.
3.7
[geïntimeerde] heeft [appellanten] op 18 december 2018 een voorschotfactuur ten bedrage van
€ 60.500 inclusief btw gestuurd. [appellanten] heeft die factuur onbetaald gelaten.
3.8
Op 29 april 2019 heeft de juridisch adviseur van [appellanten] een e-mail aan [geïntimeerde] gezonden waarin onder meer het volgende staat vermeld:
“(…) Er is geen vaste aanneemsom tot stand gekomen; u zou daarentegen steeds vooraf kosten doorbelasten, opdat cliënten ook vooraf konden controleren wat aan hen in rekening zou worden gebracht. Hangende de bouw heeft u echter besloten om achteraf te factureren.
Indien geen aanneemsom is afgesproken, mag een aannemer volgens de wet een redelijk bedrag in rekening brengen. Cliënten stellen zich op het standpunt dat het hen thans in rekening gebrachte bedrag niet redelijk is. Zij kunnen ook de redelijkheid van dat bedrag op geen enkele manier controleren, nu – ondanks diverse verzoeken hunnerzijds – iedere specificatie van het in rekening gebrachte bedrag ontbreekt.
Ik verzoek u vriendelijk doch dringend om het thans aan cliënten in rekening gebracht bedrag te specificeren en te onderbouwen. (...)”
3.9
[geïntimeerde] heeft in reactie daarop in een e-mail van 17 juni 2019 een ‘afrekening werk [appellanten] ’ gestuurd. Diezelfde dag heeft [geïntimeerde] [appellanten] een eindafrekening ten bedrage van € 91.889,66 inclusief btw gestuurd. [appellanten] heeft deze niet betaald.
3.1
De juridisch adviseur van [appellanten] heeft [geïntimeerde] ruim een jaar later, op 10 juli 2020, een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:
“(…) Op 17 juni 2019 stuurde u ‘afrekening [appellanten] ’. Het betreft enkel een opsomming van allerlei posten en werkzaamheden. Een onderbouwing van al deze posten en werkzaamheden is tot op heden niet door u verstrekt. Ook heeft u geen enkele specificatie verstrekt waaruit blijkt dat al deze posten zijn uitgevoerd en de opgenomen uren ook daadwerkelijk zijn besteed. Cliënten betwisten dat zij nog een bedrag ter hoogte van
€ 75.941,87 excl. btw aan u verschuldigd zijn. (…)”
3.11
[geïntimeerde] heeft [appellanten] in een brief van 3 maart 2021 gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag van € 91.889,66 inclusief btw. Aan die sommatie is niet voldaan.
3.12
Op 31 mei 2021 heeft [geïntimeerde] [appellanten] gedagvaard. Bij de dagvaarding zijn (voor het eerst) diverse (inkoop)facturen door [geïntimeerde] overgelegd.

4.De vorderingen en de beslissing van de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft – na wijziging van eis – gevorderd [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 88.577,87 inclusief btw, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
4.2
[appellanten] heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen een richtprijs van € 260.000 inclusief btw zijn overeengekomen en heeft zijnerzijds gevorderd:
- voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 7:752 BW Pro heeft gedeclareerd;
- [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van een in goede justitie te bepalen bedrag dat [appellanten] op voorschotbasis onverschuldigd heeft betaald;
- de overeenkomst partieel te ontbinden in die zin dat [geïntimeerde] niet meer gehouden is de resterende werkzaamheden en het herstel van gebreken uit te voeren maar dat de kosten hiervoor voor zijn rekening zullen komen;
- [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten.
4.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat van een richtprijs in de zin van artikel 7:752 lid 2 BW Pro geen sprake is en dat [appellanten] een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW Pro verschuldigd is. Omdat er te veel onduidelijkheid over het werk en de verschillende posten was om vast te kunnen stellen of er door [geïntimeerde] een redelijke prijs in rekening is gebracht, heeft de rechtbank [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld een duidelijke lijst op te stellen met een specificatie van toegepaste materialen onder verwijzing naar inkoopfacturen en een specificatie van overige kosten, onder verwijzing naar onderliggende facturen. Deze lijst had ten doel om een nog te benoemen deskundige in staat te stellen advies uit te brengen.
[geïntimeerde] heeft vervolgens een lijst als productie 21 in het geding gebracht. De rechtbank heeft geoordeeld dat die lijst niet voldoet en dat op basis daarvan niet tot benoeming van een deskundige over kan worden gegaan. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] daarom afgewezen. Ook de vordering van [appellanten] is afgewezen omdat hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden volgens hem zijn verricht.
4.4
De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de uitkomst van de procedure, acht jaar na aanvang van de bouwwerkzaamheden, onbevredigend is. Dat is volgens de rechtbank echter (mede) het gevolg van de omstandigheid dat [geïntimeerde] ter zake van een zeer omvangrijk bouwproject heeft nagelaten een deugdelijke werkadministratie bij te houden en de omstandigheid dat [appellanten] facturen tot een bedrag van € 520.300 betaald heeft zonder dat duidelijk was waarvoor precies betaald werd en partijen in de procedure niet de nodige duidelijkheid hebben gegeven.
5.
De toelichting op de beslissing van het hof
5.1
Zowel [appellanten] als [geïntimeerde] is in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank. Beide partijen willen dat hun eigen vordering alsnog wordt toegewezen en de vordering van de ander wordt afgewezen.
5.2
Het hof zal alsnog een deskundige benoemen om te beoordelen wat – beoordeeld naar het prijsniveau in de periode eind 2015 tot eind 2018 – een redelijke prijs is voor het uitgevoerde werk. Het hof zal de deskundige daarbij veel vrijheid geven. Het hof zal dat hierna toelichten en de grieven daarbij thematisch bespreken.
Regie – geen richtprijs
5.3
Partijen zijn het erover eens dat [geïntimeerde] het werk in regie zou uitvoeren, waarbij de gebruikte materialen en de gewerkte uren in rekening zouden worden gebracht, vermeerderd met een opslag van 10%. Over het tijdstip waarop de werkzaamheden van [geïntimeerde] zijn aangevangen, hebben partijen wisselende standpunten ingenomen. Uit het door [appellanten] als productie 4 bij conclusie van antwoord overgelegde beeldverslag, waarvan [geïntimeerde] in alinea 11 van zijn conclusie van repliek de juistheid heeft erkend, blijkt dat de werkzaamheden zijn begonnen op 14 december 2015. Het hof zal daar dan ook van uitgaan.
5.4
[appellanten] heeft zich voor het eerst in deze procedure op het standpunt gesteld dat voor het werk (exclusief installateur) een richtprijs van € 260.000 inclusief btw gold. Volgens [appellanten] kwam [geïntimeerde] in november 2015 met een schatting van de bouwkosten exclusief installateur van € 200.000 / 260.000 inclusief btw. De marge hing samen met de uitvoering van het sanitair en de kozijnen. [geïntimeerde] heeft dat bedrag volgens [appellanten] nogmaals op 5 april 2016 genoemd. [geïntimeerde] heeft betwist dat er een richtprijs is overeengekomen.
5.5
Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] dat er een richtprijs is overeengekomen. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.6
Voor zover [geïntimeerde] in november 2015 een geschat bedrag aan bouwkosten heeft genoemd – [geïntimeerde] betwist dat maar de architect van [appellanten] schrijft zich dat te kunnen herinneren – betekent dat nog niet dat partijen dat bedrag ook als een echte richtprijs, waaraan [geïntimeerde] zich uitdrukkelijk verbond, zijn overeengekomen. De architect van [appellanten] stelt dat ook niet.
5.7
Daar komt bij dat [appellanten] , voorafgaand aan deze procedure, nimmer heeft laten blijken dat hij ervan uitging dat partijen een richtprijs waren overeengekomen. Uit niets blijkt dat [appellanten] op enig moment aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt dat hij bezwaar had tegen de facturering nadat de vermeende richtprijs werd overschreden. Integendeel, [appellanten] heeft zonder protest voorschotnota’s tot een totaal bedrag van € 520.300 betaald, het dubbele van de vermeende richtprijs. [appellant2] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zij de voorschotfacturen bleven voldoen omdat zij ‘met de rug tegen de muur stonden’. Dat zij de betalingen onder protest hebben verricht, is echter niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De verklaring van [appellant2] dat zij erop vertrouwden dat de bouw voor de richtprijs zou worden uitgevoerd en dat zij al wat zij boven de richtprijs betaalden achteraf terug zouden krijgen, acht het hof niet overtuigend.
5.8
Ook in de e-mails van de juridisch adviseur van [appellanten] van 29 april 2019 en 10 juli 2020 waarin om een specificatie van de werkzaamheden wordt gevraagd, wordt met geen woord over een richtprijs gerept, terwijl dat toch in de rede had gelegen als er daadwerkelijk een richtprijs was afgesproken.
5.9
Daar komt bij dat in 2017 in opdracht van [appellanten] een taxatierapport is uitgebracht door [naam4] ten behoeve van het aanvragen van een hypothecaire geldlening door [appellanten] . Onderdeel van dat rapport was een verbouwspecificatie, waarbij de totale verbouwkosten werden begroot op € 702.100. [appellanten] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof gesteld dat genoemd bedrag niet alleen zag op de kosten van de verbouwing maar ook op de kosten van aankoop van de woning. Dat is onjuist. Uit de specificatie en uit het rapport blijkt dat genoemd bedrag uitsluitend de verbouwingskosten betreft (€ 309.600 + € 218.300 + € 174.200 = € 702.100).
5.1
De in rechtsoverweging 5.6 tot en met 5.9 vermelde omstandigheden vallen niet te rijmen met de stelling van [appellanten] dat hij erop mocht vertrouwen dat er een richtprijs was overeengekomen dat de verbouwing van de woning niet meer dan € 260.000 inclusief btw zou kosten. Nu [appellanten] zijn stelling dat sprake was van een richtprijs aldus niet naar behoren heeft onderbouwd, is voor bewijslevering geen plaats. [1] Geen rechtsverwerking
5.11
[geïntimeerde] heeft zich in zijn eerste grief in het incidenteel appel op het standpunt gesteld dat [appellanten] zijn rechten heeft verwerkt omdat [appellanten] heeft nagelaten gebruik te maken van de mogelijkheid de administratie bij [geïntimeerde] op kantoor te komen inzien.
5.12
Het hof verwerpt dit beroep op rechtsverwerking. [geïntimeerde] geeft met deze grief weinig blijk van het besef dat op hem als aannemer die werk in regie uitvoert, de verplichting rust een deugdelijke administratie te voeren en zijn klant inzicht te geven in de uren die aan het werk zijn besteed en de kosten van de materialen die zijn verwerkt. [geïntimeerde] heeft niet aan deze verplichting voldaan. Hij heeft [appellanten] tijdens de bouw alleen ongespecificeerde (voorschot)facturen gestuurd. Nadat hem om een specificatie van de in rekening gebrachte bedragen werd gevraagd, presenteerde [geïntimeerde] een overzicht genaamd ‘werkadministratie’ dat niet van onderliggende stukken was voorzien en slechts op een beperkte periode betrekking had. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] geen deugdelijke specificatie van zijn werkzaamheden gegeven. Bij de inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde] een ongeordende stapel inkoopfacturen overgelegd, zonder die van enige toelichting te voorzien. Bovendien bleek later dat een deel van die facturen helemaal geen betrekking had op dit werk, terwijl er ook facturen ontbraken. De nadien door [geïntimeerde] overgelegde overzichten gaven ook geen eenduidig beeld. Een en ander was voor de rechtbank aanleiding om af te zien van het benoemen van een deskundige. Van een deugdelijke, ‘volledige, gestructureerde en controleerbare’ werkadministratie was, anders dan [geïntimeerde] in zijn derde grief in incidenteel appel betoogt, dan ook geen sprake. [2] Dat [geïntimeerde] [appellanten] in de gegeven omstandigheden verwijt dat hij zijn rechten heeft verwerkt door niet op het kantoor van [geïntimeerde] te komen om de administratie van [geïntimeerde] in te zien, is de wereld op zijn kop. [3]
Geen schending van de klachtplicht
5.13
[geïntimeerde] stelt voorts dat [appellanten] zijn klachtplicht heeft geschonden door tijdens de bouw niet te klagen over de hoogte van de facturen en het gebrek aan specificatie. Ook stelt [geïntimeerde] dat [appellanten] de facturen inhoudelijk op onvoldoende gemotiveerde en onvoldoende concrete wijze heeft betwist.
5.14
[geïntimeerde] stuurde alleen ongespecificeerde voorschotfacturen. Hoe [appellanten] dergelijke facturen ‘inhoudelijk en concreet’ had kunnen betwisten, licht [geïntimeerde] niet toe.
Over het feit dat [appellanten] niet protesteerde tegen het totaal in rekening gebrachte bedrag heeft het hof hiervoor onder het kopje richtprijs al het nodige overwogen.
Schending van de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW Pro levert een en ander echter niet op.Het opstellen en toezenden van een factuur geldt immers niet als prestatie in de zin van dit artikel (HR 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565). [4]
5.15
Overigens heeft [appellanten] de eindafrekening van [geïntimeerde] zeer gedetailleerd betwist nadat [geïntimeerde] ter onderbouwing van die eindafrekening in augustus 2020 een deel van de werkadministratie had gezonden en bij dagvaarding een aantal facturen in het geding had gebracht. [appellanten] heeft in de als productie 7 bij conclusie van antwoord overlegde Excel-sheet alle 190 posten van de eindafrekening van commentaar voorzien en heeft gewezen op incongruenties tussen de werklijst en de producties die [geïntimeerde] in het geding heeft gebracht.
Aard en omvang van de werkzaamheden en bepaling van een redelijke prijs
5.16
Nu er geen richtprijs is overeengekomen, is [appellanten] een redelijke prijs voor het door (de onderaannemers van) [geïntimeerde] uitgevoerde werk en geleverde materialen verschuldigd. Partijen zijn het erover eens dat het werk in regie zou worden uitgevoerd en dat de kosten van arbeid en materialen zouden worden verhoogd met een opslag van 10%.
5.17
Om te kunnen bepalen wat een redelijke prijs voor het werk is, is van belang vast te stellen welke werkzaamheden precies zijn verricht en welke materialen zijn verwerkt. Juist daarover verschillen partijen echter in vergaande mate van mening.
Volgens [appellanten] is het werk uitgevoerd conform het bestek en de bijbehorende tekening (behoudens weglating van een trap en toevoeging van een zolderluikje).
Volgens [geïntimeerde] kwam [appellanten] tijdens het werk met wijzigingen en aanvullende wensen en bleek de dakconstructie verzwaard te moeten worden.
5.18
In dit verband wreekt zich dat partijen hun afspraken voor en tijdens de bouw niet schriftelijk hebben vastgelegd. Enerzijds werden tijdens het werk geen gespecificeerde facturen door [geïntimeerde] verstrekt en anderzijds voldeed [appellanten] de ongespecificeerde voorschotnota’s jarenlang zonder protest. Pas na ontvangst van de 21ste voorschotfactuur is [appellanten] vragen gaan stellen over de hoogte van het in rekening gemaakte bedrag. Van enige onenigheid voor die datum blijkt uit het dossier niet.
5.19
Voor zover [appellanten] in deze procedure heeft willen betogen dat hij geen opdracht heeft gegeven voor bepaalde onderdelen van of materialen in het werk die daadwerkelijk zijn uitgevoerd en toegepast, gaat het hof daaraan voorbij. [appellanten] heeft niet onderbouwd gesteld dat hij op enig moment tijdens het werk bezwaar heeft gemaakt tegen de werkzaamheden die werden verricht en de materialen die werden toegepast. Het hof gaat er daarom van uit dat een en ander, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellanten] onvoldoende onderbouwd heeft betwist, in goed onderling overleg is geschied toen partijen nog op goede voet met elkaar stonden. Daarom zal een redelijke prijs voor het
daadwerkelijk uitgevoerdewerk moeten worden bepaald.
5.2
De wijze waarop partijen hebben geprocedeerd heeft niet bijgedragen aan het verschaffen van de nodige helderheid. Voor de rechtbank was dat aanleiding om van het gelasten van een deskundigenbericht af te zien.
5.21
Het geschil dat partijen verdeeld houdt is daarmee niet opgelost. Het hof zal wel overgaan tot het benoemen van een deskundige om een redelijke prijs voor het daadwerkelijk uitgevoerde werk te bepalen. Het staat vast dat er werk aan de woning heeft plaatsgevonden waarvoor een prijs verschuldigd is; onduidelijk is alleen wat die prijs moet zijn, en of [appellanten] nog een deel moet betalen of juist te veel heeft betaald. Wel ziet het hof in de wijze waarop partijen, die destijds op vriendschappelijk voet met elkaar stonden, tijdens dit bouwproces met elkaar zijn omgegaan (nauwelijks schriftelijke vastlegging, onoverzichtelijke administratie, het zonder protest betalen van grote bedragen op grond van ongespecificeerde facturen) en in de wijze waarop de procedure is gevoerd (geen duidelijk inzicht in de administratie achteraf en na jaren betwisting van nagenoeg alle posten op de eindafrekening) aanleiding om de deskundige bij de uitvoering van zijn taak veel vrijheid te geven.
Dat houdt in dat het hof niet van hem/haar zal verlangen kennis te nemen van het volledige procesdossier, maar alleen van de hierna in rechtsoverweging 5.22 te noemen stukken, om aan de hand van die stukken en van een inspectie van het werk ter plaatse, waarbij partijen een toelichting kunnen geven, een redelijke prijs voor het
daadwerkelijk uitgevoerdewerk te bepalen.
5.22
Naar aanleiding van wat tijdens van de mondelinge behandeling in hoger beroep met partijen is besproken, komt het hof tot het oordeel dat de volgende stukken aan de deskundige moeten worden voorgelegd:
  • het verbouwplan van Studio Juyst (productie 2 bij dagvaarding)
  • het bestek/de werkomschrijving (productie 1 bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie)
  • het beeldverslag (productie 4 bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie)
  • de statische berekening van Ingenieursbureau HADO B.V. van 8 april 2016 (productie 2 bij conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie)
  • de verbouwspecificatie die in 2017 in opdracht van [appellanten] is opgesteld in het kader van een financieringsaanvraag (productie 3 bij dagvaarding)
  • de eindafrekening van [geïntimeerde] (productie 7 bij dagvaarding)
  • de Excel-sheet van [appellanten] in reactie op de eindafrekening (productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie)
  • de Excel-sheet van [geïntimeerde] , in reactie op productie 7 van [appellanten] (productie 15 bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie)
  • de lijst die door [geïntimeerde] is overgelegd naar aanleiding van het tussenvonnis van de rechtbank van 1 februari 2023 (productie 21 bij akte van 29 maart 2023).
5.23
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich gelijktijdig bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vraag/vragen. Het verdient de voorkeur dat partijen met elkaar in overleg treden om tot een eenstemmig voorstel te komen.
5.24
Als partijen niet met een eensluidend voorstel komen, zal het hof een lid-deskundige, verbonden aan de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen, benoemen ter beantwoording van de volgende vraag:
“Wat is een redelijke prijs in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW Pro voor de door [geïntimeerde] en zijn onderaannemers in de periode december 2015 tot december 2018 in regie uitgevoerde verbouwing (arbeid en materialen) aan de woning van [appellanten] aan de [adres] te [plaats1] , rekening houdende met een opslag van 10%?”
5.25
Omdat het deskundigenbericht van belang is voor de beoordeling van de vorderingen van beide partijen – en zij beiden de bewijslast van hun eigen stellingen dragen [5] – zal het ten behoeve van de deskundige te betalen voorschot ten laste van beide partijen worden gebracht, ieder voor de helft.

6.De beslissing

Het hof:
6.1
stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige te stellen vraag/vragen, waarbij het de voorkeur verdient dat zij daartoe een eenstemmig voorstel doen;
6.2
verwijst de zaak naar de rol van
12 mei 2026voor het nemen van een akte door beide partijen;
6.3
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, C.P. Lunter en S.M. Kingma en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
14 april 2026.

Voetnoten

1.Grief 2 in principaal appel faalt.
2.In zoverre faalt grief 3 in het incidenteel appel.
3.Grief 1 in incidenteel appel faalt.
4.Ook grief 2 in incidenteel appel faalt.
5.Grief 3 in principaal appel faalt.