Uitspraak
1.[appellant] ( [appellant] )
die ook hoger beroep heeft ingesteld
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 februari 2026 is gehouden.
2.De kern van de zaak
Volgens [geïntimeerde] zijn de betalingen gedaan aan zijn bedrijf, [naam2] BV (hierna: [naam2] B.V.), en betrof het een schenking.
3.De feiten
aflossing hyp’;
aflossing lening’;
aflossing lening’;
aflossing lening’.
4.De beslissingen van de rechtbank en de daartegen gerichte grieven
5.De toelichting op de beslissing van het hof
Indertijd tijdens de besprekingen met de advocaat van [naam1] rondom de echtscheiding, gaf [naam1] aan dat hij geld aan mij gegeven had, of nou ja. overgemaakt.’. De zoon van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
Hij ( [naam1] ) wilde de familie helpen.’. De dochter van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
ik ( [naam1] ) wil wat voor jullie doen.’. En in de verschillende verklaringen komt terug dat de vrouw van [geïntimeerde] op de betaling reageerde met de opmerking ‘wij kunnen dat nooit terugbetalen’. Het hof vat het ‘wij’ op als een verwijzing naar [geïntimeerde] en zijn vrouw en niet naar [naam2] B.V. Voor het hof is duidelijk dat [naam1] [geïntimeerde] wilde helpen en dat hij dus [geïntimeerde] (indirect via [naam2] B.V.) wilde bevoordelen.
Mijn vrouw zei nog maar [naam1] dat kunnen wij nooit terugbetalen en [naam1] zei dat hoeft ook niet, dat is niet nodig, dat geef ik.’. De zoon van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
Wij waren daar erg van onder de indruk en mijn moeder zei tegen [naam1] : maar wij kunnen dat nooit terugbetalen. Dat hoeft niet zei [naam1] . Dat geef ik.’ en ‘
[naam1] heeft bij elke betaling gezegd dat hij het geld niet terug hoefde. Ik was daar bij.’. De dochter van [geïntimeerde] heeft verklaard: ‘
Hij ( [naam1] ) zei dat geef ik aan jullie.’. Uit niets blijkt dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] afspraken zijn gemaakt over terugbetaling van het betaalde bedrag. [geïntimeerde] heeft verklaard de betaling als schenking te hebben gezien. Het hof oordeelt dat [appellant] en [appellante] niet zijn geslaagd in het bewijs dat het ging om een geldlening en dat, gezien de verklaringen, het aannemelijk is dat het een schenking door [naam1] betrof. Daarbij wordt nog opgemerkt dat als het geldbedrag inderdaad een lening had betroffen, het voor de hand had gelegen dat het ook op papier zou zijn gezet.