Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2290

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.361.401/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 9 Brussel II-terArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eenhoofdig ouderlijk gezag vader na ongeoorloofde verhuizing moeder met minderjarige naar buitenland

De vader en moeder oefenden gezamenlijk ouderlijk gezag uit over hun in 2024 geboren minderjarige dochter. In juli 2025 vertrok de moeder zonder toestemming met de minderjarige en haar andere kinderen naar Polen, waardoor het contact tussen vader en kind ernstig werd beperkt. De vader verzocht de rechtbank om het gezag eenhoofdig aan hem toe te wijzen en de woonplaats van de minderjarige bij hem te bepalen.

De rechtbank Overijssel wees het verzoek tot wijziging van de woonplaats af, maar beëindigde het gezag van de moeder en kende het eenhoofdig gezag toe aan de vader. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat zij noodgedwongen was vertrokken en dat het belang van het kind niet gediend was met eenhoofdig gezag.

Het hof oordeelde dat de moeder zonder toestemming handelde, het contact tussen vader en kind belemmerde en niet bereid was samen te werken, waardoor de minderjarige klem en verloren raakte tussen de ouders. Het hof vond dat wijziging van het gezag noodzakelijk was in het belang van het kind en bevestigde het eenhoofdig gezag van de vader. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bevestigt het eenhoofdig gezag van de vader en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.401/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 319893)
beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in Polen,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist te Oegstgeest,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. Hulshof te Emmeloord.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Oost Nederland, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 17 oktober 2024 en 7 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 7 augustus 2025 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 6 november 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 25 november 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 5 maart 2026 met bijlage(n);
- een e-mail namens de moeder van 10 maart 2026 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder met haar advocaat en een beëdigde tolk in de Poolse taal, de vader met zijn advocaat en een vertegenwoordiger namens de raad. Op de zitting heeft de advocaat van de vader mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders oefenden tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] heeft, evenals de vader, de Nederlandse nationaliteit. Volgens de moeder heeft zij daarnaast de Poolse nationaliteit. De moeder heeft (ook) de Poolse nationaliteit. De moeder heeft nog drie dochters, uit eerdere relaties. De vader heeft een zoon, uit een eerdere relatie.
3.2.
In een verzoekschrift van 19 augustus 2024 heeft de vader de rechtbank verzocht een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, op 17 oktober 2024 een voorlopige zorgregeling vastgesteld en verdere beslissingen aangehouden in afwachting van mediation die de ouders zouden starten.
3.3.
In de nacht van 10 op 11 juli 2025 is de moeder met haar vier kinderen naar Polen vertrokken. De vader heeft hiervan melding gemaakt bij de Centrale Autoriteit zoals bedoeld in het Haags Verdrag van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering (Haags kinderontvoeringsverdrag). Er is een teruggeleidingsprocedure bij de rechtbank in Polen gestart. Op 27 november 2025 heeft de rechtbank in Polen aan de moeder bevolen [de minderjarige] terug te brengen naar Nederland.
3.4.
In de bij de rechtbank Overijssel lopende procedure heeft de vader op 21 juli 2025 een verzoek gedaan om de woonplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en hem te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en bepaald dat vanaf dat moment alleen de vader het gezag heeft over [de minderjarige] . Daarnaast is het verzoek van de vader ten aanzien van de woonplaats van [de minderjarige] afgewezen.
4.2.
De moeder is met verschillende (sub) grieven in hoger beroep gekomen. Zij vraagt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk gezag alsnog af te wijzen.
4.3.
De vader voert verweer en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel het hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de proceskosten.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak, die internationale aspecten heeft. Het gezag over een minderjarige valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid zoals bedoeld in verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Op het moment dat de vader zijn verzoek deed om hem alleen te belasten met het ouderlijk gezag had [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter rechtsmacht heeft. De ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige] naar Polen door de moeder verandert deze rechtsmacht niet. [1]
5.2.
De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht tot uitgangspunt zal nemen.
Wat staat in de wet
5.3.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als na de totstandkoming van het gezamenlijk gezag de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan een van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.4.
Niet in geschil is dat de omstandigheden na de totstandkoming van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd. De moeder is zonder toestemming met [de minderjarige] naar Polen vertrokken en staat slechts zeer beperkt contact tussen de vader en [de minderjarige] toe.
5.5.
Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] reeds klem of verloren is geraakt tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Ook is het hof van oordeel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Het hof licht dit hierna verder toe.
Klem of verloren
5.6.
Een behoorlijke gezamenlijke uitoefening van gezamenlijk gezag houdt in dat de ouders in staat zijn beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg te nemen, dan wel afspraken te maken over situaties die zich in het leven van het kind kunnen voordoen. De moeder is zeer plotseling en zonder toestemming van de vader met [de minderjarige] naar Polen vertrokken, lijkt maar beperkt bereid te zijn om informatie over [de minderjarige] te verstrekken aan de vader en heeft tijdens het verblijf van de vader in Polen in het voorjaar van 2025 effectief geweigerd om de vader contact te laten hebben met [de minderjarige] . Uit haar gedrag en houding blijkt naar het oordeel van het hof dat de moeder niet bereid is samen met de vader beslissingen te nemen over [de minderjarige] . Zij lijkt hierbij volledig uit het oog te verliezen dat haar handelen niet alleen nadelig is voor de vader, maar ook voor [de minderjarige] , die hierdoor het contact met haar vader moet missen. [de minderjarige] is hierdoor klem en verloren geraakt tussen de ouders en er is geen aanleiding te veronderstellen dat hierin op korte termijn voldoende verbetering zal komen.
Anderszins in het belang van het kind
5.7.
Een gezaghebbende ouder heeft de verplichting om de ontwikkeling van de banden van het kind met de andere ouder te bevorderen. Uit de gedragingen van de moeder en de huidige situatie leidt het hof af dat in de visie van de moeder geen rol van betekenis in het leven van [de minderjarige] is weggelegd voor de vader. Het baart het hof zorgen dat de moeder geen moeite lijkt te hebben in het geven van een verkeerde of zeer twijfelachtige voorstelling van zaken en haar eigen aandeel in de thans ontstane situatie bagatelliseert.
Zo heeft de moeder aangevoerd dat zij noodgedwongen naar Polen is gereisd vanwege de plotselinge medische situatie van haar moeder en daarvoor geen toestemming kreeg van de vader en niet de tijd had om in kort geding vervangende toestemming te krijgen. Zij stelt pas later te hebben besloten in Polen te blijven. Gebleken is evenwel dat de moeder zichzelf en haar vier dochters op 10 juli 2025 heeft uitgeschreven uit de basisregistratie personen met de melding dat zij teruggaat naar Polen. Bovendien heeft de moeder kort daarvoor de woning in Nederland, waar zij met haar kinderen woonde, verkocht en overgedragen aan een derde. Dit is niet te rijmen met de verklaringen van de moeder over haar vertrek.
Voorts heeft de moeder als bewijs van haar stelling, dat de vader tijdens de omgang met [de minderjarige] meer tijd had voor zijn telefoon dan voor zijn dochter, aan het hof foto’s overgelegd waarvan ter zitting is gebleken dat daarop niet de vader is afgebeeld maar een andere man.
Daar waar de moeder aanvoert dat het voor [de minderjarige] lastig zal zijn om na een lange periode waarin [de minderjarige] haar vader niet heeft gezien weer een band met haar vader op te bouwen, miskent zij volledig dat haar handelen debet is aan die situatie en dat zij de aangewezen persoon is om die periode zo kort mogelijk te houden. Daar komt bij dat de moeder de vader verwijt dat hij, nadat hij was afgereisd naar Polen om zijn dochter te kunnen zien, niet flexibel was bij het bepalen van een omgangsmoment, maar laat zij na te vertellen dat ze de vader alleen contact wilde toestaan op de dag waarvan zij al wist dat de vader hij terug zou moeten reizen naar Nederland en hij dus geen mogelijkheid had om [de minderjarige] op die dag te zien.
5.8.
Het hof is van oordeel dat het, zolang de moeder niet bereid of in staat is de vader als volwaardige ouder van haar dochter te zien, niet in het belang van [de minderjarige] is dat haar moeder met het gezag over haar is belast. Het hof gaat daarbij voorbij aan hetgeen de moeder heeft gesteld over een gebrek aan interesse van de vader in [de minderjarige] , over belaging door de vader, over de controle die de vader over haar zou uitoefenen en over de verdere schendingen van haar privacy en veiligheid door de vader. Voor deze stellingen heeft de moeder geen enkel bewijs aangeleverd of deze stellingen zelfs maar in enige mate aannemelijk gemaakt, terwijl zij met hetgeen zij over de reden van haar vertrek naar Polen heeft aangevoerd ernstig afbreuk heeft gedaan aan haar geloofwaardigheid.
Raadsonderzoek
5.9.
De raad heeft op de zitting bij het hof opnieuw aangegeven zich met de beschikbare informatie voldoende voorgelicht te achten en geen noodzaak te zien voor het uitvoeren van een onderzoek naar de vader. Er is geen aanleiding voor de raad om zich zorgen te maken over de opvoedsituatie van de vader. Het hof volgt de raad hierin en zal geen onderzoek gelasten. Buiten de niet-onderbouwde beschuldigingen door de moeder zijn er geen bronnen waaruit blijkt dat er zorgen zijn over de vader of zijn vermogen om voor [de minderjarige] te zorgen. Namens de moeder is ter zitting van het hof nog aangevoerd dat in andere kinderontvoeringszaken vaak tussenstappen worden gezet alvorens tot een teruggeleiding wordt besloten, maar dit vormt voor het hof geen reden om in de onderhavige zaak anders te oordelen. Het hof beslist niet over de teruggeleiding, maar over het gezag.
Proceskosten
5.10.
Het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten zal het hof afwijzen. Het hof zal de kosten van de procedure compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Er is niet gebleken dat de moeder met het instellen van hoger beroep misbruik heeft gemaakt van haar procesrecht of met haar wijze van procederen nodeloos kosten heeft veroorzaakt die maken dat zou moeten worden afgeweken van het in familiezaken gehanteerde uitgangspunt van kostencompensatie.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep/het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 7 augustus 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. C. Coster en mr. F. Menso, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het
openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 9 Brussel Pro II-ter