Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2291

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.355.206/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:63 BWArt. 1:68 BWArt. 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 449 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rechtsgevolg aan afspraken over bruidsgave bij niet-erkend religieus huwelijk

Partijen hadden een affectieve relatie en hielden in 2015 een religieuze huwelijksceremonie in Nederland, gevolgd door een feest in Iran in 2016. In de akte bij de religieuze ceremonie waren afspraken over een bruidsgave vastgelegd. De vrouw vorderde nakoming van deze afspraken, waaronder overdracht van een appartement en vergoeding van pelgrimskosten.

De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Partijen zijn volgens artikel 1:63 BW Pro geen rechtsgeldig huwelijk aangegaan omdat het huwelijk niet voor de ambtenaar van de burgerlijke stand is gesloten. De afspraken over de bruidsgave zijn integraal onderdeel van het beoogde religieuze huwelijk en kunnen daarom geen rechtsgevolg hebben.

Het hof benadrukt dat toewijzing van de vordering zou neerkomen op het erkennen van een huwelijk dat in Nederland niet rechtsgeldig is, wat tegen de wetgever's bedoeling ingaat. De wetgever wil de praktijk van religieuze huwelijken zonder burgerlijk huwelijk tegengaan, mede ter bescherming van de positie van de vrouw.

De grieven van de vrouw worden ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot voldoening van de bruidsgave wordt afgewezen omdat er geen rechtsgeldig huwelijk is gesloten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.206/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 571040
arrest van 14 april 2026
in de zaak van
[verzoekster](de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,
en
[verweerder](de man),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. J. el Hannouche te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 26 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 23 mei 2025;
  • de memorie van grieven met bijlage(n);
  • de memorie van antwoord met bijlage(n);
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, ontvangen van de rechtbank;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 13 februari 2026 met bijlage(n);
  • een journaalbericht namens de man van 14 februari 2026 met bijlage(n);
  • een journaalbericht namens de vrouw van 19 februari 2026 met bijlage(n).
1.2
Bij journaalbericht van 15 februari 2026 is namens de vrouw verzocht om twee getuigen ter zitting te horen. Daartegen is namens de man bezwaar gemaakt bij journaalbericht van 16 februari 2026. Het hof heeft partijen op 17 februari 2026 telefonisch laten weten dat dit verzoek wordt afgewezen omdat het niet conform de daarvoor in het geldende procesreglement gestelde termijn is ingediend.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw werd tevens bijgestaan door een beëdigde tolk in de taal Farsi. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

Het gaat in deze zaak om de vraag of de man gehouden is tot afgifte van een bruidsgave aan de vrouw. Het hof zal beslissen dat aan de afspraken van partijen over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt en licht dat hierna toe.

3.De feiten

3.1
De vrouw heeft de Iraanse en de Nederlandse nationaliteit. De man heeft alleen de Nederlandse nationaliteit.
3.2
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [in] 2015 hebben zij een religieuze (huwelijks)ceremonie gehouden in Nederland en in december 2016 hebben zij in Iran een feest gegeven met een ceremonie.
3.3
In de akte die ter gelegenheid van de religieuze ceremonie in Nederland is opgemaakt zijn afspraken opgenomen over een bruidsgave.
3.4
In 2021 is de affectieve relatie van partijen geëindigd.
3.5
De vrouw heeft bij aangetekende brief van 28 december 2023 aanspraak gemaakt op de volgens haar overeengekomen bruidsgave. De man heeft betwist een bruidsgave aan de vrouw verschuldigd te zijn.

4.De vorderingen

4.1
De vrouw heeft bij de rechtbank, voor zover van belang, in conventie gevorderd om de man te veroordelen om de overeengekomen bruidsgave aan de vrouw te voldoen door het eigendom van een driekamerappartement in [woonplaats2] aan haar over te dragen dan wel de waarde daarvan ter hoogte van € 230.000,- aan haar te vergoeden en om de kosten van een Hadj (een pelgrimstocht naar Mekka) van € 9.000,- aan haar te voldoen.
4.2
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover van belang, de vorderingen van de vrouw afgewezen en de proceskosten in conventie tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.3
De vrouw heeft in hoger beroep twee grieven naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis, die ertoe moeten leiden dat haar vorderingen in conventie alsnog worden toegewezen, met veroordeling van de man in de proceskosten in conventie in eerste aanleg en in de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente bij niet tijdige voldoening. De vrouw vordert in hoger beroep om de man te veroordelen om binnen vier weken na het te wijzen arrest de tussen partijen overeengekomen bruidsgave te voldoen door enerzijds de juridische en economische eigendom van een driekamerappartement aan de vrouw over te dragen en anderzijds de kosten van een Hadj aan haar te voldoen.
4.4
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd om het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en het bestreden vonnis, het hof begrijpt voor zover in conventie gewezen, te bekrachtigen.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

De rechtsmacht
5.1
De zaak heeft een internationaal karakter. Beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vordering. Hierbij zal het hof uitgaan van de kwalificatie van de bruidsgave als een rechtsverhouding
sui generis. Dit brengt mee dat de door het hof toe te passen regels van internationaal privaatrecht op de vordering tot afgifte van de bruidsgave niet voortvloeien uit een verdrag of verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.
5.2
De vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van de bruidsgave betreft een zelfstandige dagvaardingsprocedure. Op grond van artikel 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om hierover te oordelen, omdat de man als de gedaagde partij woonplaats heeft in Nederland.
Het toepasselijke recht
5.3
Partijen hebben ter zitting bevestigd dat er geen grief is gericht tegen de toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht op de vordering tot afgifte van de bruidsgave, zodat ook het hof hiervan uit zal gaan.
Geen rechtsgeldig huwelijk
5.4
Tussen partijen staat vast dat zij [in] 2015 in Nederland een religieuze ceremonie hebben gehouden, begeleid door een imam, en dat zij daarmee beoogden een religieus huwelijk naar islamitisch recht met elkaar aan te gaan.
5.5
Op grond daarvan zou, zoals de vrouw stelt, naar islamitisch recht een religieus huwelijk tussen partijen tot stand kunnen zijn gekomen, mits is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, wat door de man wordt betwist. In Nederland kan een huwelijk echter alleen tot stand komen als aan de voorwaarden van artikel 1:63 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Op grond van dit artikel geldt (onder meer) dat het huwelijk moet worden gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Tussen partijen staat vast dat dat niet is gebeurd en dat betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht tot stand is gekomen. Partijen waren zich hiervan overigens bewust, getuige het feit dat zij ter zitting bij het hof hebben verklaard aanvankelijk van plan te zijn geweest later alsnog een burgerlijk huwelijk in Nederland te sluiten.
De bruidsgave
5.6
Partijen hebben ter zitting op vragen van het hof geantwoord dat zij de afspraken die over de bruidsgave zijn gemaakt, beschouwden als integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten en dat zij deze afspraken zonder dat religieuze huwelijk niet zouden hebben gemaakt. Het hof is bij die stand van zaken van oordeel dat aan de afspraken over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt. Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de bruidsgave – als integraal onderdeel van het door hen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk, en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen, en heeft dat ten aanzien van de bedieners van de eredienst zelfs uitdrukkelijk strafrechtelijk verboden [1] . Dat is in overeenstemming met Nederlandse fundamentele beginselen zoals de scheiding tussen kerk en staat, de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers (waaronder die van de burgerlijke stand) en de bescherming van (met name) de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie. De rechtbank heeft de vorderingen van de vrouw daarom terecht afgewezen.
5.7
Aan uitleg van de afspraken die partijen hebben gemaakt komt het hof gelet op het vorenstaande niet meer toe. De grieven van de vrouw blijven daarom onbesproken.
5.8
Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie, bekrachtigen, onder verbetering van de gronden.
5.9
Het hof zal gelet op de aard van de procedure – anders dan de vrouw heeft
gevorderd – de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt – onder verbetering van de gronden – het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 26 februari 2025, voor zover gewezen in conventie;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. J.G. Knot, mr. L. Pieters en mr. M. Bootsma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
14 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:68 BW Pro en artikel 449 van Pro het Wetboek van Strafrecht.