De kantonrechter stelde op 15 mei 2013 een bewind in over de goederen van verzoeker vanwege diens geestelijke en/of lichamelijke toestand die hem belemmerde zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De bewindvoering werd destijds ingesteld op verzoek van verzoeker zelf. Inmiddels is Stadsbank Oost Nederland de bewindvoerder.
Verzoeker heeft bij de kantonrechter verzocht het bewind op te heffen, maar dit verzoek werd op 1 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep bij het hof, stellende dat het bewind niet langer noodzakelijk is. De bewindvoerder handhaafde het standpunt dat het bewind nog steeds noodzakelijk is.
Het hof oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat de lichamelijke of geestelijke toestand die aanleiding was tot het bewind niet meer bestaat. Verzoeker heeft weliswaar aangegeven open te staan voor vrijwillige hulpverlening in de vorm van budgetbeheer, maar dit is geen passend alternatief omdat budgetbeheer slechts tijdelijke hulp biedt en niet aannemelijk is dat verzoeker binnen afzienbare tijd zelf zijn belangen kan behartigen.
Ook is niet gebleken dat voortzetting van het bewind niet zinvol is, ondanks de door verzoeker genoemde moeizame samenwerking met de bewindvoerder. Integendeel, er is sprake van wederzijds respect en een goede verstandhouding. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.